is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 48, 28-11-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

446

wel geen prijs zal gesteld worden op het eigendom van stoffen, aan welker wegvoering grootere kosten verbonden zijn dan de waarde bedraagt, tenzij men de zaak in 't groot kan drijven.

De tweede vraag is practisch van veel meer belang. Uit eene correspondentie met de gemeente-architecten van een 25-tal gemeenten blijkt echter, dat verschillende gemeenten een bepaald afvoerstelsel hebben voorgeschreven en door weigering van verdere loozing op gemeentewateren of riolen, de eigenaren hebben gedwongen hun inrichting voor dat doel te wijzigen. Te Alkmaar heeft zich het geval voorgedaan, dan men weigerde het tonnenstelsel te gebruiken, dat daar in 1881 werd ingevoerd, en voortging te loozen op gemeentewateren. Bij ingestelde vervolging werd de gemeente in het gelijk gesteld, zoowel bij vonnis van den kantonrechter als bij dat van de rechtbank.

De meest gewichtige vraag bij de concessie-verleening, is die van de subsidie. De financieele zijde toch van het vraagstuk beheerscht te Leiden alles. En hoewel de ondervinding elders leert, dat het Liernurstelsel ook op den duur góedkooper is dan een ander stelsel van ingrijpenden aard, acht de gemeente-architect f 1.25 per inwoner of ± f 56,000 per jaar, d. i. een vaste subsidie van 5 °/D over het bouwkapitaal, voor Leiden te veel. Nu de onderneming niet alleen de faecaliën verzamelt, maar ook bewerkt en verkoopt, kan van eene doorloopende vaste subsidie geen sprake zijn, maar slechts van een rentegarantie of van eene afnemende subsidie, met dien verstande, dat de gemeente mededeelt in eventueele winsten der onderneming.

Het bedrag der gemeentelijke uitkeering moet gebaseerd zijn op de kosten van het stelsel in andere plaatsen, die b.v. te Amsterdam in 1888 f 0.61 per hoofd bedroegen, niettegenstaande ongunstige omstandigheden.

Bij uitkeering van f0.60 per hoofd en per jaar, betaalt de gemeente een som, waarvoor het een behoorlijken afvoer der faecaliën op geene andere wijze kan tot stand brengen. Die f 27,000 zouden gevonden kunnen worden door een privaat-belasting, zooals deze sedert 1890 te Haarlem is ingevoerd. Daar wordt betaald per perceel; de heer Knuttel acht een betaling per privaat billijker, die op ongeveer f 3 zou komen te staan.

Wat de bewerking der faecaliën betreft, die van invloed is op de aanleg- en exploitatiekosten, komt de wijze te Amsterdam thans gevolgd (contract Ketjen), aan den gemeente-architect meer aanbevelenswaardig voor dan die welke de concessie-aanvrager voor Leiden wenscht te volgen. De inrichtingen zijn eenvoudiger en de financieele resultaten beter te berekenen.

Voor het rentegevend maken van het kapitaal van f 1,000,000 is echter eene subsidie van f 0.60 per persoon en de winst der faecaliënbereiding in de eerste jaren niet voldoende. Een hooger privaatgeld en een hoogere bijdrage der gemeente komen dus in aanmerking, en dit te meer, waar de gemeente ontslagen wordt van verschillende thans bestaande onkosten der riolen en de gezondheidstoestand aanmerkelijk verbeterd wordt. Bij onderhandeling op den voet eener rentegarantie van 5 °/D zouden in de eerste jaren, behalve de f 27,000 nog f 23,000 noodig zijn, terwijl de tegenwoordige uitgaven zullen verminderen.

De 5de voorwaarde betreffende den afloop der concessie, acht de gemeente-architect niet wenschelijk. Eerstens voert zij tot eene hoogere subsidie der gemeente, omdat de concessionaris, behalve een behoorlijke winst, in 50 jaren zijn geheele kapitaal moet terugverdienen. En verder krijgt de gemeente na 50 jaren inrichtingen en machines die ouderwetsch zijn geworden, omdat de concessionaris, in de laatste 10 jaren der concessie niet licht groote uitgaven voor wijzigingen of vernieuwingen zal doen, inrichtingen, die zij misschien niet wenscht zelf te exploiteeren. De zuiverste verhouding acht de heer Knuttel, dat alles het eigendom blijve van den concessionaris, met recht van de gemeente om na' 50 jaren alles tegen taxatieprijs te naasten. De gemeentenaren betalen dan niet groote bedragen, om hunne nakomelingen goedkoopen faecaliënafvoer na te laten, en de eigenaren hebben redenen om de inrichtingen voortdurend te verbeteren.

Aan het einde van zijn verslag brengt de heer Knuttel hulde aan de doordachte details der door den heer Liernur ingezonden plannen, die daardoor bewezen heeft zijn stelsel meer en meer te hebben volmaakt. Hij verklaart zich gelukkig te zullen achten, indien hij mocht medewerken aan Leiden het LiERNUR-stelsel te verschaffen en daarmede een einde te maken aan een toestand, waarover men in die stad reeds zoo lange jaren heeft geklaagd, waartegen men reeds eeuwen te vergeefs heeft gestreden.

Laten wij voor Leiden hopen, dat weldra in dien geest een beslissing zal genomen worden. Aan de invoering van het stelsel, ook in andere gemeenten, eene invoering die bepaaldelijk voor het poldergedeelte van ons land een weldaad zou zijn, zou hierdoor vermoedelijk een groote stoot worden gegeven.

AANTEEKENINGEN UIT TECHNISCHE TIJDSCHRIFTEN.

ENGINEERING, Juni 1891. (Bewerkt door H. Reinhold). Vervolg van blz. 426. Petroleummotoren.

Op de landbouwtentoonstelling te Doncaster waren volgens het nummer van 19 Juni van «Engineering» eene scheepsmachine van 5 Pk. effectief en ook machines van andere afmetingen, welke direct met petroleum gedreven worden. Professor Unwin zeide van deze soort machines van Priestman welke een jaar geleden te Plymouth door hem beproefd

waren dat zij met een bijna onvergelijkelijke zuinigheid werkten. Bij de constructie dezer machines is gestreefd het zwaartepunt zoo laag mogelijk te houden; de petroleum (gewone qualiteit) is in een laag gelegen reservoir voorhanden en er is bijzondere zorg gedragen dat in den cylinder geen verstopping kan ontstaan. De machine heeft twee cylinders van 18 cM. diam. en 18 cM. slaglengte en maakt 240 omwentelingen per minuut; beide cylinders zijn verticaal boven de as geplaatst. De Manchester Kanaalmaatschappij en na haar ook de Groote Iersche Kanaalmaatschappij gebruiken met goed gevolg zulke machines van 10 Pk. op de vaartuigen hunner werken. Behalve deze scheepsmachines was op de genoemde tentoonstelling aanwezig een ondergrondsche pompinstallatie, voor allerlei doeleinden maar hoofdzakelijk voor kolenmijnen, omdat de afwezigheid van uitwendige vlammen alle gevaar uitsluit. Van dezen aanleg alsook van de machinerie worden evenals van de scheepsmachine afbeeldingen gegeven. Deze machine is liggend en heeft uiterlijk veel van de otto-gasmachine; ook de cyclus der werking is dezelfde zooals ook blijkt uit twee indicatordiagrammen. De zuiger beweegt zich uit den cylinder en zuigt daarbij een ontplofbaar mengsel in, comprimeert dit bij den inwaartschen slag, en aan het eind van dezen slag steekt een electrische vonk het mengsel aan. De volgende uit- en inwaartsche slagen leveren nu achtereenvolgens arbeid aan de as en drijven de verbrandingsproducten uit den cylinder. Boven de petroleum in het reservoir wordt lucht geperst; deze drukking drijft de olie in den vorm van stofregen in een reservoir onder den cylinder, m. a. w. in een verdamper die door de afgewerkte gassen heet gehouden wordt en van daar komt de tot gas verwarmde petroleum in den cylinder.

Verscheidene andere fabrikanten hadden op de tentoonstelling te Doncaster petroleummotoren tentoongesteld, waarbij er verschillende zijn die den stempel dragen den proeftijd te hebben doorstaan.

Zoo was er de Hornsby-Acroid engine van Hornsry & Sons van 3 en 6 nominale paardekrachten. Deze machine heeft in haar werking en algemeene inrichting groote overeenkomst met die van Priestman. Enkele onderdeelen zijn verschillend; zoo wordt hier niet lucht geperst boven de petroleum in het reservoir maar deze wordt door een pompje in den verdamper gepompt en heeft de machine haar grootste snelheid bereikt, dan licht de regulator het zuigklepje van de pomp op. De verdamper ligt niet, zooals bij Priestman, onder den cylinder maar daarachter, doch zóó dat de warmte er van zich niet aan den roet water afgekoelden cylinder mededeelt. Wanneer bij den compressieslag het kleinste volume bereikt is, is de temperatuursverhooging zoo groot dat het ontbrandbare mengsel vlam vat. Deze vlam geeft natuurlijk de noodige warmte om den zuiger vooruit te drijven, maar bovendien om de hooge temperatuur in den verdamper te onderhouden. In eenvoudigheid spant dus deze machine de kroon. Om den verdamper op temperatuur te brengen vóór dat de machine in gang is, is een petroleumblaasvlam aanwezig die overbodig is zoodra de machine loopt.

Voorts was er een oliegasmotor van Crossley Brothers, de gewone fabrikanten voor Engeland van de otto-gasmachine. Dit is een machine van 4 Pk. nominaal, die 9^ Pk. effectief ontwikkelt; zij is op het oog bijna niet te onderscheiden van de gasmachine, en ook de cyclus der werking is weder dezelfde. De verdamper wordt bij deze machine warm gehouden door een petroleumvlam die door een sterken luchtstroom wordt aangeblazen. De lamp heeft geen pit en de luchtstroom wordt geleverd door een pomp die bij het in gang zetten der machine met den voet getrapt wordt, terwijl de machine wanneer zij in gang is deze pomp drijft met den hefboom die de afblaasklep beweegt. Het aansteken geschiedt door een buisje dat uitwendig gloeiend gehouden wordt en waarin het gasmengsel op het juiste oogenblik wordt toegeaten door een klep.

Nu blijft nog ter behandeling over de weatherhogg-petroleummotor van Penney & Co. Deze maakt zes slagen na elke ontploffing, n 1. een slag voor het uitdrijven der verbrandingsproducten, een voor het linzuigen van schoone lucht, een voor het uitdrijven daarvan, een voor het inzuigen van gasmengsel, een voor het comprimeeren daarvan en een voor het ontploffen daarvan. Ook bij deze machine wordt de pomp, die de petroleum in den verdamper "brengt, buiten werking gesteld wanneer de snelheid te groot wordt. De verdamper bestaat hier uit een spiraalvormig opgerolde buis in een steekvlam van petroleum met lucht welke vóór dat de machine in gang is met de hand gedreven wordt. De spanning in deze buis bedraagt ongeveer 5 atm.; deze spanning kan door een smoorklep naar omstandigheden geregeld worden. Het aansteken geschiedt door een gloeiend buisje.

Behalve deze petroleummachines die met olie van een specifiek gewicht van minstens 0.8 werken, welke zonder bijzondere voorzorgen bewaard kan worden, was er een machine van Weyman & Co., welke met benzin werkt. Deze benzin wordt verdampt in een buis welke warm gehouden wordt door een vlam van dezen damp zelve en wordt daarna in een mengcylinder met een door gewicht bezwaarden zuiger met lucht vermengd vóór dat zij in den werkcylinder treedt. Telkens wanneer de werkcylinder zich vuit wordt deze belaste zuiger ingetrokken. Gedurende den werkleverenden slag zakt deze zuiger door het gewicht, zoodat de mengcylinder zich weder vult. Ook bij deze machine heeft de aansteking plaats door een heete buis.

(«Engineering» 26 Juni.;

Automatische regulateur voor scheepsstoommachines.

Bij groote scheepsmachines is het aanbrengen van een automatischen regulateur van het hoogste belang, omdat de machine, wanneer de schroef uit het water komt, zou doorslaan en daardoor het schip in