is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 51, 19-12-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

479

doelmatig bleek om een poldergebied, in plaats van metconventioneele teekens, met verschillende tinten aan te duiden, die door hare doorschijnendheid veroorloofden om de Topographische kaart, zelfs in licht paarsch gedrukt, leesbaar te houden, terwijl tevens door de fijnheid van het procédé de meest verschillende uitdrukking aan de voorstelling kon worden gegeven, iets wat men vroeger slechts met het penseel op papier kon bereiken.

Eene proefneming bracht aan het licht dat het doenlijk zoude zijn om het geheele boezemgebied in donkere kleur te kunnen drukken en gelijktijdig met dezelfde verf en denzelfden druk alle polders, die op dezen boezem uitwateren, eene lichtere tint van dezelfde kleur te geven en wel zoodanig dat iedere polder ter onderscheiding van zijne uitgestrektheid toch eene verschillende nuance ontving. Ook werd het mogelijk om, zoowel in de lichte, als in de donkere tinten langs de grens der polders eene uitvloeiende bies aan te brengen ter aanduiding dat die polders eerst op een anderen polder uitwateren, alvorens den boezem te bereiken, terwijl het ten slotte mogelijk was om zelfs de fijnste boezemlijnen ter plaatse in den steen te graveeren, waardoor deze dan in druk dezelfde kleur van den boezem teruggaven.

Het grondbeginsel van het drukken van schijnbaar gewasschen tinten steunt op achtereenvolgende etsingen in den steen met salpeterzuur.

Ten einde evenwel de verf bij het inwrijven op den steen te doen vasthechten was het noodzakelijk om den steen te voorzien van een en-creux netwerk, waarlangs het zuur toegang kon vinden.

Voor dit doel zijn langzamerhand verschillende operaties gevolgd.

De eerste bestond in het overtrekken van den steen met eene zeer dunne couche bestaande uit was, asphalt, stearine, enz., die na goed te zijn gedroogd in een automatische griseermachine inet behulp van een stompen diamant zoowel horizontaal als verticaal werd doorsneden op een onderlingen afstand van '/e a J/8 millimeter.

De diamantstift klieft niet in den steen, docli legt den steen op die lijnen bloot om daarlangs het etsvocht toegang te verleenen en in den steen te doen bijten; ter plaatse waar de laag den steen blijft bedekken treedt het zuur niet toe.

De diamantpunt beweegt zich regelmatig over den steen, telkens met eene geringe verplaatsing in evenwijdige richting, onder de werking van een vliegwiel, dat steeds in dezelfde richting wordt rondgedraaid, zoo noodig door stoom kan worden bewogen.

De steen, die vooraf den gids der aan te brengen tinten had ontvangen, werd nu geneutraliseerd, met andere woorden : de witte gedeelten die niet in de aan te brengen tinten begrepen zijn werden met een penseel met opgelost asphalt bedekt en zoodoende aan het zuur onttrokken. Vervolgens werd de steen met een rand was omringd, waterpas gesteld en gedurende een halve minüut aan een zeer zwak zuur blootgesteld.

De eerste en lichtste tint voltooid zijnde werd deze insgelijks met asphalt bedekt om haar verder aan het zuur te onttrekken; vervolgens de tweede nuance op gelijke wijze geëtst, door bedekking met asphalt weder onttrokken aan het etsvocht, dat de derde tint doet ontstaan, enz., tot ten slotte de boezem alleen overblijft, die door een veel sterker zuur wordt aangetast, ten einde een donkerder tint dan het gezamenlijk boezemgebied te verkrijgen.

Al het asphalt wordt daarna van den steen door middel van terpentijn verwijderd en de verschillende geëtste tinten met de gewenschte kleur ingewreven en afgedrukt.

Met betrekking tot de keuze der kleuren verdient opmerking dat wijl het rood en het geel zich minder goed leenen tot eene duidelijke onderscheiding op de Waterstaatskaart van de boezems en de polders, deze meestal worden voorgesteld door blauw en door andere samengestelde kleuren, zoodat in het algemeen voor eiken boezem, met de daarop afwaterende polders een afzonderlijken steen wordt gebezigd.

Later werd een systeem gevolgd dat het griseeren van den steen onnoodig maakte; het netwerk werd op den steen gedrukt, met colophoniumpoeder overstoven en met een spiritusvlam aan het grise vastgesmolten waardoor dit laatste het sterkste etsvocht kon doorstaan.

Ten einde de tinten ter juister plaatse op de drie steenen te etsen worden deze eerst voorzien van den zoogenaamden gids, dat is een beeld der kaart op het te bewerken oppervlak van den steen.

Moet eene alleen in zwart gegraveerde kaart tot eenig doel worden geproduceerd in kleuren zooals dit met de Waterstaatskaart het geval is, dan neemt men een afdruk van den gravure¬

steen der stafkaart op droog zeer glad geperst papier en brengt dezen over op een gepolijsten steen.

Deze overdruk dient dan als beeld bij de verdere bewerking in kleuren en blijft voor de opvolgende etsingen steeds als trouwe leidsman dienst doen naast een tintenschaal waarop het aantal en de duur der etsingen voor iedere tint — ook in verband met de samengestelde kleuren — is aangegeven.

Een eerste vereischte bij den kleurendruk is, dat de kleuren juist ter bestemde plaatse passen.

Er bestaan onderscheidene hulpmiddelen om het papier op de verschillende steenen passend te leggen, als: duidelijk te onderscheiden teekens op den eersten steen welke vervolgens op de randen der kaart en op de andere kleursteenen overgaan; be-. paling van twee punten ter zelfder plaatse op alle steenen, op welke de kaart dan achtereenvolgens met fijne naalden wordt vastgeprikt, enz.

Inmiddels ligt het blad papier daarbij los op den steen en blijft men gedurende het afdrukken aan mislukking blootgesteld.

Ter vermijding van deze bezwaren bezigt men aan de Topographische Inrichting een kleurendrukraam, hetwelk uit twee verschillende doch aan elkander verbonden deelen bestaat.

Het onderste is een raam, waarin de steen ongeveer ter juister plaatse wordt vastgeklemd; het bovenste is een kader dat alle fijne verplaatsingen veroorlooft en naar alle kanten om den steen kan worden gedraaid.

Van boven is dit kader aan beide zijden voorzien van kleine pinnen waarop elk vel papier wordt vastgeklemd, nadat dit daar ter plaatse vooraf met een dun stukje koper beplakt is.

Deze pinnen slaan een gaatje door papier en koper dat alsnu onmogelijk kan uitscheuren en waardoor het passen van eiken druk verzekerd wordt. Het is nu mogelijk het papier zoolang te verplaatsen en in het kader te draaien tot de kaart volkomen ter plaatse ligt en een goed sluitende afdruk kan worden verkregen.

Ten einde dezen des te spoediger te verkrijgen wordt op den eersten druk langs het kader eene opening in het papier gemaakt of wel eenige andere scherp teekenende vakken uit de kaart gesneden en a rembours op den steen gelegd.

Onjuistheden kunnen dan nog alleen door de werking van het papier veroorzaakt worden, hetgeen zooveel mogelijk wordt voorkomen door de kaarten droog af te drukken en het lokaal op eene bepaalde temperatuur te houden.

In een meer of minder vochtigen toestand verandert allicht een vel papier 4 millimeter per Meter.

Bladen, welke na reeds gedeeltelijk te zijn afgedrukt, kleiner zijn geworden, worden vóór het verder afdrukken eenigen tijd onder vochtig ongelijmd papier gelegd, terwijl de bladen die door het vocht te groot werden boven kolenvuur worden gedroogd.

Behalve de Waterstaatskaart worden aan de Topographische Inrichting vervaardigd de Residentie-kaarten van Java, de Chromotopographische- en Militaire kaart des Rijks, enz., alle volgens het hierboven omschreven «.procédé Eckstein» en getuigen als om strijd van het groote succes waarmede de steendrukkunst aldaar beoefend wordt.

Kaarten en andere volgens dit procédé verkregen producten werden herhaalde malen bekroond o.a. op de tentoonstellingen te Parijs, Philadelphia, Venetië, Arnhem en Amsterdam.

De Waterstaatskaart en speciaal de wijze waarop deze onder de voortreffelijke leiding van den heer C. A. Eckstein door een zoo geoefend personeel wordt bewerkt en gedrukt zijn mede oorzaak geworden, dat Nederland op cartographisch gebied eene eereplaats inneemt.

N.B. Ten einde uit het groot aantal bladen het zoeken van de benoodigde kaart gemakkelijk te maken is het wenschelijk een bladwijzer te vervaardigen aangevende de namen der bladen met het jaartal van verkenning enz. Deze overzichtskaart zou op de schaal ven 1 a 600,000, op papier van hetzelfde formaat als de bladen van de Waterstaatskaart gedrukt en evenals deze bij de Gebroeders van Oleef te 's-Gravenhage verkrijgbaar gesteld kunnen worden.

's-Gravenhage, October 1891. Joh. Krap.