is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 6, 1891, no 52, 26-12-1891

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

503

BINNEN- EN BUITENLANDSCHE BERICHTEN. \

Op den 17en Dec. jl. is te 's-Gravenhage in den ouderdom van 63 jaren plotseling overleden, de heer |M. A. van Walcheren] J gepensioneerd Kolonel der Genie van het Oost-Indisch Leger.

Na het verlaten van den militairen dienst werd de heer van Walcheren benoemd tot Directeur der Billiton-maatschappij, in het moeilijke tijdgewricht van de onderhandelingen met de Regeering over een nieuw Billiton-contract.

De overledene was Ridder der Militaire Willemsorde.

In den ouderdom van 54 jaar overleed te 's-Gravenhage op den 18en December jl, de heer |p" A. Vernéde.| Hoofdcommies bij het Departement van Waterstaat, meer bepaaldelijk belast met de Landbouwzaken.

De overledene was Secretaris der Staatscommissie voor den Landbouw, en had o.a. een werkzaam aandeel in het welslagen van het onlangs te 's-Gravenhage gehouden Internationaal Landbouwcongres.

De Amsterdamsche duinwaterquaestie.

De opmerkingen van den heer Th. Stang in zake de Amsterdamsche duinwaterquaestie (zie no. 47, blz. 441) heeft de commissie, bestaande uit de heeren J. W. H. Rutgers van Rozenburg, J. Forst er, Henrick S. van Lennep, Hugo de Vries, N. H. Henket en A. W. Mees, in een uitvoerig schrijven aan Burg. en Weths. van Amsterdam beantwoord.

Zij wijst er daarin op dat, terwijl zij in haar vroeger rapport uitvoerig de gronden aangeeft, waarop haar slotsom berust, de heer Stang zich niet alleen "de moeite niet getroost heeft de onjuistheid dezer grondslagen aan te toonen, maar bovendien berekeningen maakt met cijfers, die hij verzuimt toe te lichten. De commissie acht dan ook door zulk eene berekening niets bewezen.

Bovendien trekt zij de betrouwbaarheid der cijfers in twijfel. Zij meent bijv. dat de heer Stang in zijne berekeningen het draineergebied der Haagsche prise d'eau te klein aanneemt en daardoor een te groot productievermogen per eenheid verkrijgt.

De Commissie zegt o. a. het volgende:

„De uitkomsten, waartoe hij geraakt, zijn merkwaardig genoeg". „Gedurende een groot gedeelte van het jaar zou o. a. veel meer water in den bodem dringen dan er aan regen is gevallen. Om dit te verklaren, neemt de heer Stang de toevlucht tot condensatie-theorieën, die wij practiseh van geen beteekenis beschouwen. Voorts bezigt hij in zijne berekening niet steeds dezelfde factoren, zoodat het bevreemdende van de uitkomsten niet zeer in het oog loopt.

„Terwijl hij bijv. in het „Kon. Instituut van Ingenieurs" beweerde, dat het 'draineergebied zeker kleiner is dan 700 HA., neemt hij in zijn „Opmerkingen" daarvoor 800 HA. aan.

„In het „Instituut" spreekt hij van eene beschikbare waterhoeveelheid van 70 a 80 pCt. der regenhoogte, terwijl dit volgens zijne gegevens van den regenval in de gemeenteverslagen van 's-Gravenhage 100 pCt. moet zijn. . ■

„In het „Instituut" geeft hij op, dat de ten behoeve van het verbruik opgepompte waterhoeveelheid in 1888 was 3,900,000 M\, terwjjl | volgens het Gemeenteverslag over dat jaar de geleverde hoeveelheid 3,538,000 M3. heelt bedragen. Deze wijze van handelen maakt het zeer moeilijk, zijne becijferingen te controleeren."

De slotsom van het antwoord der commissie kan onder de volgende zes punten worden saamgetrokken :

1°. Het is volkomen onjuist, dat het overschrijden van de raming der commissie voor de kosten van de draineering der Nieuwe-, Van Lennep- en gebogen Schusterkanalen door den heer Stang zoude voorzien zijn. Die raming, welke vóór de indiening aan Burgemeester en "Wethouders door den heer Stang overdreven hoog genoemd werd, berustte geheel op de door hem gegeven verzekering, dat zijne methode voor de uitvoering der voorgedragen werken ook in het onder werpelijk geval was toe te passen. De proefnemingen welke zoowel in de pnse d'eau van Amsterdam als in die van 's-Gravenhage onder leiding yan den heer Stang zeiven zijn geschied, hebben echter die verzekering niet bevestigd.

2°. Onrechtmatig is het verwijt, dat de commissie eene strook ter breedte van 1800 M. duin ongebruikt wenscht te laten. De commissie toch wenscht het draineergebied zoo ver uit te breiden, als met de zekerheid, dat steeds duinwater zal geleverd worden, bestaanbaar is. Die zekerheid zoude door eene verwezenlijking van de plannen des heeren Stang ten ernstigste bedreigd worden.

3". Het bewijs, door den heer Stang aangevoerd, ten betooge dat de commissie de voor draineering gevorderde duinoppervlakte veel te hoog aanslaat, heeft geen waarde, want, eensdeels laat de heer Stang na, om de elementen, waarop zijne becijfering is gebouwd, toe te lichten, en bestaat er voor de commissie] aanleiding om de juistheid van die elementen in twijfel te trekken ; anderdeels ziet hij voorbij, dat in de duinen voor de 's-Gravenhaagsche waterleiding, bij de aldaar plaatsgegrepen voortdurende uitbreiding en verdieping, van eene normale exploitatie vooralsnog geen sprake is.

4°. De tijd noodig om den waterrug in de duinen door afpomping zoo ver te verlagen, als vereischt wordt tot het verkrijgen van den komvorm, werd door de oommissie geenszins verwaarloosd. Aan dien factor mag echter geen te groot gewicht worden toegekend. De becijfering, welke de heer Stang geeft ten bewijze dat daarmede 75 jaren zouden verstrijken, heeft geen waarde, omdat zij geen rekening houdt

met den belangrijksten factor, die daarbij in het spel is, nl. de toeneming van het waterverbruik.

5°. Aan de verzekering, dat het thans beschikbaar draineergebied volkomen voldoende is om in 1910 minstens 20 millioen M3. duinwater te leveren, mag geen gewicht worden toegekend, nu de praemissen, waarop die verzekering steunt, onjuist zijn.

6°. De kennisneming van de bezwaren, door den heer Stang tegen het rapport der commissie te berde gebracht, geeft haar geen aanleiding om de conclusiën, in het rapport vermeld, in eenig opzicht te wijzigen.

Op den 19den December j.1. werd te 's-Gravenhage in het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen eene buitengewone algemeene vergadering gehouden van de Nederlandsche Vereeniging tot voorkoming van ongelukken in fabrieken en werkplaatsen.

Een der hoofdpunten was de vaststelling der instructie voor den technischen adviseur der Vereeniging, waartoe door het bestuur een ontwerp-instructie was opgemaakt, die met algemeene stemmen werd goedgekeurd. In hoofdzaak houdt zij het navolgende in:

De technische adviseur staat in de uitoefening zijner functiën onder onmiddellijk toezicht van het bestuur.

Aan hem wordt opgedragen: a. het brengen der bezoeken; 6. het geven van technische adviezen aan de leden, die zich daartoe tot het bestuur wenden; c. het uitbrengen der verklaringen, noodig voor de reductie der assurantie-premiën: d. de redactie van de technische mededeelingen door de Vereeniging in het licht te geven; e. alle technische werkzaamheden, waarmede het bestuur hem in|het belang der Vereeniging zal belasten. Voor de adviezen bedoeld sub 6, de verklaringen sub c, de mededeelingen sub d, is de technische adviseur verantwoordelijk.

Bij de bezoeken, die de technische adviseur zal brengen aan de fabrieken of werkplaatsen der leden is hij gehouden: a. zich voor het binnentreden daarvan aan te melden bij den eigenaar, den directeur of het bureau; 6. tot geheimhouding van alle bijzonderheden die daarbij te zijner kennis komen.

Wanneer eenig ongeluk, voorgevallen in de fabriek of werkplaats van een der leden der Vereeniging, ter kennis van den technischen adviseur komt, is hij gehouden ten deze zijne medewerking tot onderzoek en verbetering aan te bieden.

Hij brengt, met inachtneming van het bepaalde omtrent zijne gehoudenheid bij het doen der bezoeken, jaarlijks verslag van zijne werkzaamheden uit aan het bestuur der Vereeniging. Hij ontvangt vergoeding voor zijne reis- en verblijfkosten ter zake der bezoeken en voor bureaukosten.

De heer Westerouên van Meetêren werd, bij acclamatie, definitief tot adviseur benoemd.

Voorts werd in zake het Kon. besluit van 15 Juli jl., betrekkelijk de uitvoering van art. 4 der arbeidswet, besloten, om wanneer het, na nauwgezette overweging van de technische onderdeelen, mocht blijken, dat wijziging, verduidelijking, verzwakking of misschien ook verscherping der bepalingen mocht wenschelijk zijn, dit dan in eene algemeene vergadering te bespreken en den uitslag daarvan aan het oordeel van den Minister te onderwerpen. Reeds dadelijk zal echter aan den Minister van Justitie verzocht worden alsnog eene zoodanige toelichting van het bovengenoemde Kon. besluit te willen publiceeren, welke aan den belanghebbende eene meer duidelijke voorstelling omtrent de gemaakte bepalingen zal kunnen geven.

Tusschen den Minister van Openbare Werken der Kaapkolonie, den heer Sivewright en de Nederlandsche Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij, is, onder garantie van de regeering der Zuid-Afrikaansche Republiek, eene overeenkomst gesloten tot spoedige voltooing van den spoorweg Pretoria—Vaalrivier, in verbinding met de lijn naar de Kaap. De reo-eering van de Kaapkolonie neemt hiertoe vierhonderdduizend pond sterling aan obligatiën van de Ned.-Zuid-Afrikaansche Spoorwegmaatschappij en verwerft het recht om van de nieuwe lijn gebruik te maken, zoodat zij running power zal hebben tot Pretoria.

De heer Mr. H. s' Jacob te Soerabaya heeft zich op de vraag hem dienaangaande door de Ned.-Ind. regeering gedaan, bereid verklaard alle voor zijne concessie-aanvrage in zake den spoorweg ProbolinggoPanaroekan gediend hebbende stukken en gegevens aan de regeering af te staan voor f 38000.

Het bestuur der scheepvaart-kanaalmaatschappij te Manchester besloot de onvoltooide werken van het kanaal aan het stadsbestuur over te dragen, waartoe een gemengde commissie is benoemd, in welke vier gedelegeerden der stad en drie der kanaalmaatschappij zitting hebben.

PROVfNCIALE STATEN. Najaarsvergaderingen. Friesland.

In de najaarsvergadering van 1885 verstrekten de Provinciale Staten aan Ged. Staten de opdracht een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop eene betere scheepvaartverbinding tusschen Friesland en Drenthe

zou kunnen worden tot stand gebracht, met opgave van de kosten die ' de uitvoering zou met zich sleepen. Dit onderzoek is thans volbracht ', en de conclusie der Ged. Staten is, dat de verbetering van het kanaal ■ loopende van het Buitenst-verlaat onder Drachten door genoemd dorp,