is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 1, 02-01-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

M t.

c. In hoeverre zijn de teekenakten als een waarborg te beschouwen voor het geven van vakteekenonderwijs ?

d. Welke middelen moeten worden aangewend tot het verkrijgen van eene pensioen-regeling voor leeraren en onderwijzers aan Ambachtsscholen, Teekenscholen enz.'?

e. Welke middelen moeten worden aangewend om aan hen, die de Ambachtsscholen niet kunnen bezoeken, eene practische en theoretische opleiding in hun vak te verzekeren ?

f. Kunnen al de avondteekenscholen, die door het Rijk worden gesubsidieerd, en onder de Afdeeling «Kunsten en Wetenschappen» zijn ingedeeld, beschouwd worden als te zijn inrichtingen voor a. s. ambachtslieden? Zoo ja, wat kan dan de reden zijn, dat die scholen evenals de Ambachtsscholen niet onder de afdeeling onderwijs zijn opgenomen?

Omtrent punt d werd reeds besloten, dat het bestuur een adheasiebetuiging zal zenden aan de Regeering met het adres van de vereeniging van leeraren van middelbaar onderwijs, waarin aangedrongen wordt op opname van leeraren in het Burgerlijk Pensioenfonds. Verder zal door het bestuur een tweetal commissiën worden benoemd, ieder bestaande uit drie leden. De eerste commissie zal over dit punt een rapport uitbrengen, wat betreft een pensioenregeling voor leeraren en onderwijzers aan Ambachtsscholen, en de tweede commissie een rapport over een pensioenregeling voor leeraren en onderwijzers aan Teekenscholen. De leden van deze commissiën mogen alleen leeraren of onderwijzers zijn.

De heer H. P. Priester Azn. van Leeuwarden zal op de volgende vergadering inleiden: de oprichting van een vakblad.

Door de heeren C. Muijsken, F. H. van Malsem en Mr. C. A. Elias is het volgend adres aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal verzonden: Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

In verband met het adres door de ondergeteekenden C. Muijsken en F. H. van Malsem, Voorzitters der Particuliere Arbeidsraden te Amsterdam en 's-Gravenhage, met den mede-ondergeteekende Mr. C. A. Elias als Secretaris, namens de Particuliere Arbeidsraden en Kamers van Arbeid te Amsterdam, Bolsward, Dordrecht, Franeker, 's-Gravenhage, Haarlem, Leiden en Zutfen, dd. 17 Februari '1893, tot Uwe Vergadering gericht, hebben zij de eer, erkentelijk voor de welwillende kennisneming van gemeld adres, zich nogmaals tot U te wenden, nu een gewijzigd ontwerp van wet op de instelling van Kamers van Arbeid, door H. M. de Koningin-Weduwe, Regentesse van het Koninkrijk der Nederlanden, bij U is ingediend (1).

Hoewel toch dit gewijzigd ontwerp van wet in verschillende opzichten door hen met instemming werd begroet, meenen zij op de noodzakelijkheid en wenschelijkheid van eenige wijzigingen daarin te moeten blijven aandringen.

Vooraf zij echter vergund er met nadruk op te wijzen dat een spoedige totstandkoming der wettelijke regeling dringend noodzakelijk is. In de kringen der belanghebbenden wordt sedert jaren reikhalzend naar de wettelijke oprichting van Kamers van Arbeid uitgezien. Belangrijke uitkomsten zullen eerst worden verkregen, indien de instelling wortel heeft geschoten. Doch dan worde zij ook zoo spoedig mogelijk geplant. Daar is nog een reden, die tot spoed noopt; de geruime tijd verloopen sinds een wettelijke regeling op dit gebied voor den eersten maal bij U werd aanhangig gemaakt heeft op de werkzaamheid en de resultaten der particuliere, dus voorjoopige, instellingen ontegenzeggelijk een ongunstigen invloed uitgeoefend en het is zeer te vreezen, dat de kwijnende toestand, waarin die instellingen bij langere voortduring der onzekerheid van wettelijke regeling zeer zeker zouden geraken, als bewijs zou worden aangevoerd voor de verkeerde meening, dat de Kamers van Arbeid niet noodzakelijk zouden zijn.

Tot het nieuwe ontwerp zelve komende werd met genoegen gezfen dat artikel 2 den ruimeren werkkring, waarop in het voormelde adres werd aangedrongen, thans duidelijk aangeeft. In ernstige overweging wordt echter gegeven, sub c van dit artikel te laten vervallen het woord «gezamenlijk». Ook zonder dergelijk verzoek moeten de Kamers op dit gebied werkzaam kunnen zijn en zijn ook de particuliere Arbeidsraden en Kamers inderdaad met gunstig resultaat werkzaam geweest. Het behoud van dit woord zou tengevolge hebben dat de Kamers vaak of gefingeerde verzoeken zouden moeten uitlokken of zeer in haar werkzaamheid zouden belemmerd worden.

Met grooten nadruk zij voorts nogmaals gewezen op de meening, voorgestaan in meergemeld adres, voor zoover betreft de definities van de woorden «patroon» en «arbeider» in artikel 3 ook van het gewijzigd ontwerp gegeven.

Commissarissen van vennootschappen blijven o. a. als patroons beschouwd, terwijl de meesterknechts, onderbazen, opzichters enz. onder de arbeiders gerangschikt zullen worden. Het kan niet anders of zitting nemen dezer categorieën van personen moet het vertrouwen in de Kamers van Arbeid schaden. Commissarissen van industrieele naamlooze vennootschappen zal het meestal aan de noodige practisch technische kennis ontbreken om het vereischte vertrouwen bij de arbeiders te wekken. In veel grooter mate echter zullen onderbazen, meesterknechts, opzichters enz. dat vertrouwen missen; in het dagelijksch leven staan dezen gewoonlijk veel scherper tegenover de arbeiders dan de patroons zei ven.

(I) De heer Prof. Mr. H. L. Druoker meende zich ook ditmaal als lid der Tweede Kamer van onderteekening te moeten onthouden.

Waar meesterknechts enz. in de Kamers als arbeidersleden worden gekozen, zou die keuze aan pressie van den kant der patroons worden toegeschreven. Soms misschien terecht. Maar ook ongegronde verdenking in dit opzicht zou het vertrouwen in de onpartijdigheid deiKamers verlammen. Dat bedoelde personen als bekend met de belangen van patroons en arbeiders juist de beste elementen voor de Kamers van Arbeid zouden zijn kan niet worden toegegeven.

Noch patroons, noch arbeiders zullen die bewering kunnen onderschrijven en wel op grond daarvan, dat de bedoelde personen niet als arbeiders geteld kunnen worden, omdat zij gemakkelijker dan dezen den strijd om het bestaan voeren en dat zij evenmin onder de patroons geteld kunnen worden, omdat zij niet als dezen, met het geheele samenstel van de industrie vertrouwd moeten zijn. Uitsluiting van de verkiesbaarheid blijft om deze reden het aangewezen middel geacht worden om geenerlei nadeel voor de werking der Kamers te doen ontstaan. Dat dan niet allen, die in de nijverheid medewerken, in de Kamers vertegenwoordigd zouden zijn, schijnt geen bezwaar. In het ontwerp is hetzelfde het geval ten aanzien van de kleine patroons, die zonder knechts werken.

Ook op wijziging van art. 12 (ad. II oud) meent men te moeten blijven aandringen.

De redactie van het ontwerp immers bevat niet de zoo zeer noodzakelijke bepaling, dat de arbeiders de arbeidersleden en de patroons de patroonsleden der Kamers zullen moeten kiezen. Het ontbreken eener dergelijke bepaling opent de gelegenheid tot het verkrijgen van Kamers van Arbeid, die niet zullen beBtaan uit een gelijk getal arbeiders en patroons.

En dat bij een zoodanige samenstelling haar partijdigheid zal worden toegeschreven, zou niet te verwonderen zijn. Bij eenige pressie die, hoe misplaatst ook, niet altijd zal uitblijven, zal de voorgestelde bepaling het gevolg hebben, dat patroons als arbeidersleden zitting nemen en daarmede zullen het nut en de werkkracht der betrokken Kamer geheel weggenomen kunnen worden.

Met leedwezen werd ten slotte vernomen, dat vastgehouden wordt aan het denkbeeld, dat zelfs geen zeer matige presentiegelden aan de leden der Kamers zullen worden verstrekt, zelfs ook niet voor hunne werkzaamheden op tijden, waarop volgens plaatselijk gebruik in de verschillende bedrijven wordt gearbeid en dus beroepsbezigheden verzuimd moeten worden. Het lidmaatschap der Kamers zal geen sinecure zijn, brengt het nu bovendien geldelijk nadeel mede, dan zal het moeielijk zijn steeds de geschikte elementen in de Kamers.als leden zitting te doen nemen niet alleen, maar ook zullen commissiën uit de Kamer voor onderzoek van allerlei zaken, moeielijk bij elkander te krijgen zijn.

Over het geheel heerscht er wat te groote zuinigheid in het ontwerp, tenzij onder «bureau-onkosten» verantwoord zullen mogen worden, uitgaven die gewoonlijk niet daaronder begrepen zouden worden, als b.v. die voor onderzoek naar bestaande werkeloosheid en hare gronden, welke veel kosten met zich brengen.

BENOEMINGEN, VERPLAATSINGEN, ENZ.

Bij Kon. besluit van 24 December 1896 is de Oost-Indische ambtenaar met verlof, J. D. Donker Duyvis, laatstelijk inspecteur le kl. voor het toezicht op de spoorwegdiensten en het stoomwezen in Nederlandsch-Indië, met ingang van 1 Januari 1897 op zijn verzoek, eervol uit 'slands dienst ontslagen, met toekenning van pensioen.

Bij Kon. besluit van 24 Dec. J896 is de heer F. W. Hudig, te Rotterdam, die als lid der commissie, bedoeld in art. 7 der Stoomwet, met 1 Januari 1897 moet aftreden, met ingang van dien datum opnieuw als zoodanig benoemd.

Bij Kon. besluit van 31 December 1896 is aan Ph. W. vander Sleyden, Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid te 's-Gravenhage, verlof verleend tot het aannemen der versierselen van ridder-grootkruis der Militaire orde van de H. Maagd of der Ontvangenis van Villa Vicosa, waartoe hij door Z. M. den Koning van Portugal is benoemd.

Bij Kon. besluit van 31 December 1896 is aan de na te noemen personen verlof verleend tot het aannemen der onderscheidingsteekenen, achter hunne namen vermeld:

G. J. de Jongh, te Rotterdam, directeur der gemeentewerken van Rotterdam ;

O L. M. Lambrechtsen van Ritthem, te Amsterdam, directeur van publieke werken der gemeente Amsterdam ;

beiden de versierselen van ridder 3de klasse der orde van de Kroon van Pruissen, waartoe zij door Z. M. den Keizer van Duitschland, Koning van Pruissen, zijn benoemd.

Bij beschikking van den Minister van Wat., H. en N. zijn benoemd :

De civiel-ingenieur J. G. Ravenek tot tijdelijk adjunct-ingenieur bij de werken van de rivier de Maas in Limburg; A. J. Stikkel