is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 3, 16-01-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M ».

30

brabant er zich aan een nieuw kanaal, waaraan behoefte bestaat, voor hare rekening te nemen en subsidie te vragen in de kosten van aanleg, zooals ook elders geschied is ? Men heeft immers reeds in 1878 bij de indiening der kanalenwet, waarop de geachte afgevaardigde ook wees, hetzelfde standpunt ingenomen. De heer Bahlmann memoreerde dat toen voor den aanleg van het kanaal een subsidie van Rijkswege werd uitgetrokken. Diezelfde toezegging is onlangs door dezen Minister gedaan. Indien de provincie den aanleg ter hand wil nemen, is de Regeering bereid te overwegen in welke mate eene bijdrage van Rijkswege zou kunnen worden gegeven. Ik meen het bij deze toezegging ook thans te moeten laten. Over het bedrag der bijdrage kan voorloopig niet gesproken worden, omdat nog geen plan ter uitvoering is aangeboden. Men moet eerst weten van welk ontwerp de provincie Noordbrabant den aanleg wil onderhanden nemen, en daarna kan de Regeering eerst bepalen welk subsidie van Rijkswege zal worden toegezegd.»

Een nader aandringen van den heer Bahlmann, waarin hij werd gesteund door den heer Mutsaers, mocht niet baten. De Minister week niet van het o. i. juiste standpunt, door hem, met betrekking tot deze zaak, ingenomen.

Geen beter succes hadden de heeren Bastert en Donner met hunne poging om den Minister alsnog te overtuigen dat het wenschelijk ware van aannemers van publieke werken een zakelijke borgtocht te eischen. De heer Bastert stelde in zijn rede het staatsbelang op den voorgrond, zijn medestander brak een lans voornamelijk in het belang der leveranciers, die bij het bestaande stelsel van persoonlijke borgtochten gevaar loopen het gelag te moeten betalen, als de aannemer onsoliede blijkt. Ook hier toonde de Minister zich onvermurwbaar.

«Als ik overtuigd was — zeide Z. E. — dat door dat middel moeilijkheden zouden worden opgeheven of voorkomen, zeer zeker zou het dan verleidelijk zijn aan dien raad gevolg te geven; maar of dit middel daar werkelijk toe zal strekken, moet ik betwijfelen. Ook dan, wanneer een zakelijke borgtocht wordt geëischt, zal het kunnen voorkomen dat een aannemer tijdens de uitvoering blijkt niet aan zijne verplichtingen te kunnen voldoen en dat er moeilijkheden van geldelijken aard rijzen, die hem beletten het werk behoorlijk tot stand te brengen. Het is steeds moeilijk op het oogenbiik der aanbesteding, wanneer beslist moet worden of den minsten inschrijver, dan wel een der volgenden, het werk moet worden gegund, juist dien persoon aan te wijzen wien het werk behoort te worden toegekend. Dat echter het stelsel, dat hier te lande gevolgd wordt, vicieus zou zijn, is tot dusver niet gebleken, en tegen het eischen van zakelijken borgtocht staan ook bezwaren over die reeds in de stukken zijn vermeld. Zal de zakelijke borgtocht iets beteekenen, dan moet die voor groote werken zeer aanzienlijk zijn, en dan is de mogelijkheid geenszins uitgesloten, dat men aannemers, die zeer geschikte personen zijn en ongetwijfeld het werk goed zouden tot stand brengen, uitsloot, eenig en alleen omdat hun de middelen ontbreken om den borgtocht te stellen.»

Tot geen bepaald resultaat leidde voorts een debat tusschen de heeren Gerritsen en Heemskerk eenerzijds en den Minister over het Kon. Besl., waarbij goedgekeurd is een nieuw reglement op de verveningen in Friesland. Daar deze quaestie a fond behandeld staat te worden naar aanleiding van een bij de Kamer ingekomen adres, schijnt het ons minder noodig er thans bij stil te staan.

Al deze besprekingen werden gehouden met betrekking tot onderafd. 11 (jaarwedden van het korps ingenieurs).

Bij onderafd. 12 (jaarwedden van het korps opzichters) beloofde de Minister aan den heer Conrad te zullen overwegen «welk voorstel in zake de herzieniag der tractementen van de Waterstaats-opzichters

de volgende Staatsbegrooting moet worden gedaan».

Voor de hh. opzichters is het dus te hopen dat de a.s. verkiezingen den Minister op zijn plaats laten.

Zijn er onder de kantonniers der Rijkswegen geletterden, die de Kamerdebatten volgen, dan zullen dezen wel een verzuchting in tegengestelden zin slaken. Immers, het goede woord, door de hh. Heldt en Van Alphen ten hunnen bate gesproken, vond geen weerklank. Vooralsnog is de Minister niet bereid deze personen tot Rijkswerklieden te verheffen en evenmin is Z. E. voornemens een regeling te maken, waarbij zij «voor den ouden dag» worden verzekerd. Verkeeren zij, na wegens gevorderden leeftijd ontslagen te zijn, in behoeftige omstandigheden, dan wordt hun een toelage verschaft, hetgeen echter in den regel niet noodig blijkt, aldus Z. E.

Hebben wij tot dusver de discussiën vrijwel op den voet gevolgd, met het oog op de beschikbare plaatsruimte zullen wij uit den verderen loop van het debat hier en daar grepen moeten doen. Onderwerpen van ondergeschikt belang in zaken, waaromtrent de besprekingen niet tot eenige resultaat leidden, blijven dus rusten.

Zoo maken wij slechts in het voorbijgaan melding van de bezwaren des heeren Van Dedem tegen het protegeeren van djatihout boven eikenhout, hetgeen volgens dezen afgevaardigde bij den Waterstaat in zwang zou zijn gekomen; eene opvatting, die echter, naar de Minister verzekerde, minder juist is.

Daarentegen moeten wij met enkele woorden gewag maken van het debat tusschen den Minister en de heeren Van Dedem en Van Alphen over de verbetering der Overijsselsche Vecht. Men weet dat in het belang der afwatering de Vecht van Rijkswege zal worden verbeterd.

Die verbetering zal geschieden vaksgewijs, van Dalfsen af stroomopwaarts tot aan de grenzen, en later zal worden overwogen of de rivier beneden Dalfsen met of zonder provinciaal subsidie, met het oog op scheepvaartbelangen, behoort te worden genormaliseerd. De heer Van Dedem nu had hiertegen twee bezwaren. Vooreerst wenschte hij de verbetering der beneden-rivier zonder uitstel ter hand genomen te zien en voorts achtte hij het raadzaam, dat op de boven-rivier de vakken, waar de toestand het meest te wenschen overlaat, het eerst aangepakt zullen worden. Wel had de Regeering bij de schriftelijke beraadslaging gezegd, dat dit laatste onmogelijk zou zijn, omdat daaruit groote zandverplaatsingen naar de lager liggende vakken zouden voortvloeien, maar de heer Van Dedem meende, dat men, indien deze vrees werkelijk gerechtvaardigd was, behoorde te beginnen aan den riviermond en niet bij Dalfsen. De tweede spreker, de heer Van Alphen, verkeerde onder den indruk, dat men vroeger inderdaad voornemens was de verbetering vaksgewijze aan te vatten, zonder rekening er mede te houden dat die vakken onmiddellijk op elkaar moeten volgen. In die onderstelling begreep hij niet waarom men niet sneller zou kunnen werken dan aanvankelijk in de bedoeling lag; z. i. toch zou het nu niet meer noodig zijn de resultaten der verbetering van het eene vak af te wachten, alvorens die van het andere op touw te zetten. De Minister beantwoordde beide sprekers als volgt:

«De geachte afgevaardigde uit Zwolle, de heer van Dedem, wenscht dat reeds dadelijk worde aangevangen met de verbetering van het benedengedeelte van de Vecht en wel bepaaldelijk in het belang deischeepvaart. Het verheugt mij, dat welk verschil er moge zijn over de vraag of men eerst zal beginnen boven of beneden Dalfsen, de werken in elk gevai zullen strekken tot bevordering van een plattelandsbelang. Hier is dus geen strijd tusschen het platteland en de groote steden en kan rekening worden gehouden met de eischen die aan het werk moeten worden gesteld, zonder dat aan voorliefde in de eene of andere richting wordt gedacht. De verbetering van de Vecht van Dalfsen opwaarts heeft steeds op den voorgrond gestaan.

Voor dit gedeelte is in het belang der afwatering dringend verbe tering noodig en bij de behandeling van het Vechtontwerp is dit belang in de eerste plaats genoemd. Overigens is het juist, dat de Vecht over hare geheele lengte, zoover zij althans over Nederlandsch grondgebied stroomt, van Rijkswege zal worden verbeterd en onderhouden. Doet zich dus inmiddels de behoefte gevoelen om ook de verbetering beneden Dalfsen ter hand te nemen, dan zal dit zeker geschieden, voor zooveel noodig met geldelijken steun van de provincie Overijssel.

De geachte afgevaardigde uit Ommen is teleurgesteld over de wijze van werken en meent dat er verschil van werkwijze met vroeger zon

i zijn. Hij leidt dit af uit mededeelingen, vroeger en in den laatsten tijd gedaan. Die mededeelingen schijnen dan een verkeerden indruk op den geachten afgevaardigde te hebben gemaakt, want er is niets ver-

i anderd in de voorgenomen wijze van werken. Men heeft zich steeds voorgesteld bij Dalfsen te beginnen en opwaarts te werken. Telkens neemt men op die wijze een nieuw vak onderhanden.

De geachte afgevaardigde spreekt zijne teleurstelling er over uit, dat op deze begrooting slechts f 30,000 uitgetrokken is, hij zegt: de rivier ligt er, het ontwerp ligt er, waarom gaat men dan niet vooruit. Maar

1 dit is niet juist. Het ontwerp ligt er nog niet. Lag dit er wel, dan zou voor 1897 een veel grooter bedrag kunnen zijn aangevraagd; maar de opmetingen moeten nog gedaan worden, wellicht is er nog eene onteigeningswet noodig, en het is zelfs zeer de vraag of de thans uitgetrokken som van f 30,000 dit jaar wel ten volle zal verwerkt worden. Indien het werk eenmaal in gang is, dan zal er misschien sprake kunnen wezen van bespoediging, voor zoover de begrooting daardoor niet te zwaar zal worden gedrukt. Over 4 of 5 jaar zal men in de gelegenheid zijn desverkiezende grootere sommen dan f 100.000 per jaar te verwerken».

Geen der beide sprekers bleek door dit antwoord bevredigd. Er vielen zelfs enkele minder zachte woorden, maar de Minister verklaarde zich niet in staat meerdere toezeggingen te doen. Alleen kon hij verzekeren, dat in den aanvang van 1897 het noodige personeel voor de opnemingen zou worden aangesteld.

(Wordtyervolgd.) Th. Six.

Verslag over den toestand der ZuiderzeeVereeniging

uitgebracht door haren Secretaris in de Algemeene Vergadering gehouden te Amsterdam op 4 Jan. 1897.

Mijne Heeren,

Sedert uwe vorige bijeenkomst op 25 October 1894 te dezer zelfde plaatse zijn ruim twee jaren verloopen. Voorzeker een lange tijd, waarin wel overeenkomstig uwe toen genomen besluiten aan het propaganda maken voor het groote doel der Vereeniging is gearbeid, doch waarin overigens geene feiten van groote beteekenis zijn voorgevallen.

In December 1894 werd ingevolge het verhandelde op uwe laatste Algemeene Vergadering eene circulaire verzonden, waarin aan de leden en begunstigers der Zuiderzee-Vereeniging de