is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 10, 06-03-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

M ÏO.

Vijftig jaren zijn voldoende om een belangrijk stuk geschiedenis te schrijven, en de historieschrijver op technisch gebied moet, schijnt het, nog geboren worden.

Met name in Engeland is dit wel iets anders. Daar zijn beroemde ingenieurs en hunne werken onder het volk bekend, zij hebben er zelfs hunne standbeelden te midden van staatslieden en dichters. Maar de Engelsche ingenieurs hebben zorg gedragen voor erkenning hunner verdiensten. Dat zal, dunkt mij, ook wel één der oorzaken zijn waarom in Engeland de techniek langen tijd die van andere landen vooruit was.

Ook het maatschappelijk belang zal er mede gediend worden, indien de ingenieur de plaats inneemt die hem toekomt.

Op gevaar af van beschuldigd te worden van aanmatiging moet die plaats genomen worden, wanneer zij niet willig wordt afgestaan. Maar gezorgd moet er worden dat die plaats waardig kan worden vervuld.

Billijkheid en belang beide eischen zulks.

Dit streven alleen over te laten aan het individu, staat gelijk met een ontkenning van de wenschelijkheid.

Gezamenlijk optreden alleen kan hier in den loop der jaren verbetering brengen. Samenwerking voor alles is noodig.

*

* *

Ik mag verwachten dat het voor mij overbodig zal zijn breedvoerig te betoogen hoezeer ik ingenomen ben met den stap gedaan door den heer Alpherts.

Al zoo menigmaal heeft de ondervinding geleerd dat commissoriaal onderzoek niet tot daden voert. Twijfel aan en vrees voor het nieuwe, hoe ook door wijziging van toestanden gemotiveerd, doen de hoofdzaak uit het oog verliezen, en men meent dan al te vaak gronden te vinden om de hoofdzaak naar de détails te regelen, terwijl juist het omgekeerde veelal tot betere resultaten leiden moet.

Ik juich het toe dat met die sleur gebroken is door het persoonlijk initiatief. Of dit tot het doel zal leiden, zal nader moeten blijken, en afhankelijk zijn van medewerking.

In beginsel meen ik, dat tegen de denkbeelden van den heer Alpherts geen steekhoudende bezwaren zijn vol te houden; in de onderdeelen verschil ik hier en daar van het voorstel.

Een paar grepen ter verklaring.

Alhoewel de Vereeniging van Burgelijke Ingenieurs zich de maatschappelijke belangen van den ingenieur heeft aan te trekken, en het dus vooral ook op haren weg zou liggen hier krachtig in te grijpen, toont zij in deze zaak weinig kracht en nog minder zelfverloochening. Toch ben ik van meening dat, met het oog op het goede ook door deze vereeniging gesticht, het niet juist gezien is bij het instellen van afdeelingen aan hare werkzaamheid geen afzonderlijke plaats in te ruimen: ik zou in dien zin aan haar den voorrang wenschen te geven.

Splitsing van werktuigkunde en electrotechniek komt mij voor weinig doeltreffend te zijn, omdat voor mij een electrotechnicus een onbestaanbaar wezen is als hij niet tevens werktuigkundig denkt en doet, en omgekeerd de tijd voorbij is dat een machine-ingenieur met vrucht op zijn uitgebreid gebied werkzaam kan zijn als hij niet tot op zekere hoogte de electrotechniek beheerscht.

Het naast elkaar bestaan van een weekblad en een tijdschrift acht ik mede een fout.

Er is, dunkt mij, te weinig ruimte overgelaten voor zelfbestuur der afdeelingen, en ik betreur de leemte dat aan een zekere categorie van menschen niet op eenigerlei maar vrijgevige wijze de gelegenheid is gelaten om lid te worden van een der afdeelingen.

Het jaarboekje nu ja, in een huisgezin wordt een mismaakt kind door de moeder met de teederste zorgen omringd.

Maar waartoe verder te gaan, wij weten nog niet hoe voor het gebouw de fundeeringsput te ontgraven, en zouden reeds bezig zijn aan de dakvensters.

Laat ons het hoofddoel toch niet uit het oog verliezen: eindelijk de verschillende vereenigingen tot een geheel te brengen. Wat elders mogelijk en goed gebleken is, zouden wij niet kunnen?

*

* *

Te lang heeft het Instituut verzuimd wat het, hetzij dan vroeg of laat zal moeten doen. Er biedt zich wellicht eene gelegenheid aan.

Dat, vóór den dag waarop het Koninklijk Instituut van Ingenieurs het gouden feest zal vieren, in deze nog iets tot stand zou kunnen worden gebracht is ondenkbaar, en ook niet noodig, maar zeer mogelijk is het nog op dien dag ronduit de wensche¬

lijkheid uit te spreken, dat het in aller belang is tot eenheid te geraken.

Daarvoor is nu in de eerste plaats noodig te voldoen aan het verzoek uitgedrukt in de circulaire Alpherts, en daartoe wensch ik mijne collega's op te wekken.

Maar vooral ook richt ik het woord tot de jongeren, want zij in de eerste plaats zullen er de goede vruchten van plukken, als eenmaal de onnoodige en hinderlijke scheiding heeft plaats gemaakt voor een flink en krachtig geheel.

Zou op deze wijze aan het Instituut niet een verjaarsgeschenk in uitzicht kunnen worden gesteld van meer blijvende waarde dan die van een dozijn feestboeken ?

J. M. K. Pennink.

Vergadering der Nederlandsche Vereeniging van Werktuig- en Scheepsbouwkundigen.

Den 27en Februari werd in de foyerzaal van het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen alhier eene buitengewone vergadering der Nederlandsche Vereeniging van Werktuig- en Scheepsbouwkundigen gehouden, die door leden en geïntroduceerden druk bezocht werd. Ook waren verscheidene verslaggevers der pers aanwezig.

Uit de openingsrede van den vice-president, de heer F. 6. Waller, bleek, dat het bestuur in het te behandelen onderwerp, onze nieuwe marineschepen, aanleiding had gevonden de Marine-Vereeniging tot bijwoning dezer buitengewone vergadering uit te npodigen, eene uitnoodiging, waarvan de voorzitter en verscheidene leden dezer vereeniging hadden gebruik gemaakt.

Uit den aard der zaak werd behandeling der huishoudelijke aangelegenheden zooveel mogelijk achterwege gelaten. Zoo deelde de vicepresident mede, dat de heer J. G. Rueb bedankt had voor het voorzitterschap, waartoe hij ter vorige vergadering verkozen was, doch werd eene nieuwe verkiezing tot eene volgende gelegenheid uitgesteld.

Daarop verkreeg de heer W. H. M. de Gelder het woord over de pantserschepen, type Kortenaer, en de kruisers, type Holland. Allereerst vestigde spreker de aandacht op de uitgebreide, niet immer van waardeering getuigende gedachtenwisseling, waartoe beide typen, doch voornamelijk het eerste, aanleiding gegeven hadden en gaf als zijne meening te kennen, dat onze zeemacht in beide typen zeer bruikbare schepen heeft verkregen.

Overgaande tot de pantserschepen, type A (Kortenaer), besprak de heer de Gelder de afmetingen van het' schip, de materialen voor den bouw gebruikt en de keuringsvoorwaarden dezer materialen. Bij de bespreking der pantsering werden uitvoerig behandeld en door photografleën toegelicht de keuringsproeven, die tot de keuze van het niet geharde pantsermateriaal hadden aanleiding gegeven. Bij de behandeling der bewapening werd ook de voorgestelde wijziging voor een gewijzigd type A omschreven. De bespreking van den munitievoorraad was uitvoerig in verband met den te verwachten duur van dien voorraad in gevechtstoestand en werd gevolgd door eene bespreking der torpedobewapening. Bij de behandeling der stabiliteit werd aangetoond, dat de waargenomen en voor velen zoo zorgwekkende slingeringen verre beneden de gevaarlijke grenswaarde bleven. Daarna werden behandeld de werktuigen, hulpwerktuigen en ketels, terwijl ten slotte uitvoerige mededeelingen betreffende de proeftochten aanleiding gaven, het onderwerp der snelheid aan te roeren.

In het tweede gedeelte zijner rede behandelde de heer de Gelder het pantserdekschip, type kruiser [Holland). Daar de schepen van dit type in aanbouw zijn en nog niet beproefd konden worden, was spreker hier niet zoo uitvoerig. Achtereenvolgens werden afmetingen, constructie, inrichting van het schip, bewapening, te verwachten snelheid en werktuigen behandeld. Omtrent de Yarrow waterpijpketels, die in gevechtstoestand naast de cylindrische, in gewonen dienst te gebruiken, ketels onder stoom moeten gebracht worden, werd in bijzonderheden getreden. Na opsomming der verschillende waterpijpketels, die voor gebruik aan boord in aanmerking komen, werd de verkieselijkheid van hetYarrowtype vooropgesteld.

Nadat de voorzitter den spreker namens de vergadering had bedankt voor zijne uitvoerige verhandeling, die door den bemoedigenden toon, waarop het, dikwijls zoo scherp gecritiseerde, onderwerp behandeld was, een daad van vaderlandsliefde kon genoemd worden, sprak de heer W. J. de Brui.tne, voorzitter der Marine-Vereeniging zijn dank uit voor de aan die vereeniging gerichte uitnoodiging tot bijwoning dezer vergadering.

Na eenige inlichtingen, gevraagd door de heeren A. Doyer Jzn. en F. W. Hudig, werd de eigenlijke discussie geopend door den heer Th. H. Adr. Tromp. Spreker wees allereerst op de moeielijkheid van discussie, als uitvoerige verhandelingen niet vooraf in druk ter kennis zijn gebracht. Daarna zette spreker uiteen, dat het type A zeker niet als het beste voor schepen van die grootte kan aangemerkt worden, en wel voornamelijk door vergelijking met een evengroot type der Noorweegsche marine. Daarna critiseerde spreker de bewapening, de keuze van pantserplaten, de grootte van den munitievoorraad en de stabiliteit. Omtrent de waarde der proeftochten herhaalde spreker in het kort, hetgeen hij in vorige vergaderingen uitvoeriger had betoogd. Ook was de kolenvoorraad voor het oorspronkelijke met het type beoogde doel te gering. Betreffende het type Holland critiseerde