is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 17, 24-04-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 19.

208

twee leden der Commissie, met miskenning van hun eigen werk, de opvatting des Ministers kwamen ondersteunen, ofschoon in de Commissie er nooit aan gedacht is en zij met geen woord er van gerept hebben die beteekenis in hunne woorden te leggen, eene beteekenis die er ook niet in te leggen valt. Ik heb met de woorden van de conclusie, zooals die nu luidt, vrede, evenals op het oogenbhk der vaststelling.

Ik laat het aan den Minister over er een zin aan te hechten die geen onpartijdig Hollandsch lezend en verstaand mensch er aan hechten kan of zal. Willen de twee leden van de Commissie zich medeplichtig

maken aan een dergelijke contrelettre, zij moeten het weten ; ik

gun hun gaarne die eer. Maar wanneer zij op een ministerieelen wenk zoodanige opvatting deelen en voorzien dat het besluit der Kamer naar de woorden daarvan en niet van hen later zal beoordeeld worden, dan staat het aan hen om een amendement voor te stellen in hun tegenwoordigen zin, maar niet aan mij, want ik ben en blijf het eens met den zin welke absoluut alleen aan de woorden der conclusie kan worden toegekend."

Wie heeft nu gelijk, de heer Rutgeks of de heeren Conrad en Lely ? Wij willen gaarne bekennen dat wij, het zittingverslag lezende, aanvankelijk de zijde van den heer Rutgers gekozen hebben, doch dat de rede van den heer Lely ons overtuigd heeft dat het rationeel is aan de conclusie de beteekenis te hechten, die de Minister en de meerderheid der Commissie er aan gaf. We kunnen ons echter zeer goed begrijpen,

dat de heer Rutgers, toen in de Commissie deze conclusie aan de orde kwam, gemeend heeft, daarin zijne opvatting „het stoomgeval moet in ieder geval versterkt worden, het is slechts de vraag hoeveel" uitgedrukt te zien. Wat ons evenwel niet duidelijk schijnt, is dat de heer R. in het Kamerdebat zijne opvatting der conclusie tot het eind toe als de eenige rationeele is blijven voorstellen en niet veel liever, te rade gaande met zijn groote parlementaire ervaring, al wat mogelijk was in het werk heeft gesteld om den Minister te brengen tot de belofte, dat de zaak aan het oordeel van een geheel onpartijdige Commissie zal worden onderworpen. Dat toch schijnt ons van veel meer belang toe.

Uit de eerste aanhaling van den heer Rutgers blijkt dat hij een Staatscommissie verwachtte. De Minister antwoordde dien wensch als volgt :

„De geachte voorzitter der Commissie heeft de meening uitgesproken dat een onderzoek zou moeten ingesteld worden door eene Staatscommissie. Ik erken dat niet uit de conclusie te lezen. Dat denkbeeld is in zoo verre nieuw voor mij.

Ik heb gedacht aan een onderzoek langs administratieven weg ; het zijn immers feiten die te constateeren zijn ; door het bekend worden van die feiten kan waarschijnlijk beoordeeld worden in hoeverre er behoefte bestaat aan meerdere versterking van de bemaling.

Dat er eene Staatscommissie voor noodig zou zijn, kan ik nog niet inzien, ja ik weet zelfs niet of het onderwerp wel geschikt is voor behandeling in eene Staatscommissie. Wat hiervan echter zij, ik moet enz."

Min of meer heftig trok de heer Rutgers hiertegen te velde : „Ik heb aanbevolen eene Staatscommissie, maar de Minister wil of durft daar niet aan ; en wTaarom stelt de Minister er zoo prijs op de benoeming van eene nieuwe Commissie aan zich, dat wil zeggen aan het Departement, te houden ? Vat de Minister dan niet, dat er reden kan zijn, waarom de belanghebbenden aan eene Staatscommissie de voorkeur geven en in haar nog meer vertrouwen stellen dan in het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid, dat een kwart eeuw achtereen de zaak heeft behandeld en en souffrance gelaten met een op inertie gelijkenden ijver?

Of ligt het niet aan het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid, dat nu sedert een kwart eeuw de gevaarlijke toestand van heden bestaat?

Was het niet toedoen van Waterstaat, Handel en Nijverheid, dat eerst, zij het ook voorloopig, een stoomtuig van 225 paardenkrachten werd goedgekeurd, dat van 1875 tot 1882 niet beschikt werd op de bereidverklaring der Kanaalmaatschappij, om vijf ton te besteden aan de versterking van het stoomvermogen ? Dat van 1882, toen de Regeering alleen baas werd, niets gedaan werd tot 1890, ofschoon bij hare Memorie van Antwoord betrekkelijk het wetsontwerp tot overneming van het Noordzeekanaal de behoefte aan een stoomvermogen van 690 paardenkrachten erkend en de bouw daarvan als het ware aangekondigd was ?

Heeft het Departement van Waterstaat niet, in weerwil van en in strijd zelfs met het advies van den heer Conrad en met zich zeiven van 8 jaar te voren, in 1890 een stoomtuigje van 300 p.kr. geprojecteerd? Heeft het aan den bouw daarvan niet 5 jaren besteed ? Heeft het niet het. adres van den Houtrakpolder maanden lang onbeantwoord gelaten ? En op het verzoek dezer Kamer om inlichting dd. 18 Juni 1896 niet het stilzwijgen bewaard weer maanden lang, zoodat bij het Voorloopig Verslag over hoofdstuk IX der Staatsbegrooting van 1897 de Minister moest worden gerappeleerd ? Zijn toen niet eerst den 28sten November 1896 die inlichtingen verschenen ? En is er dan reden om op de voortvarendheid van het Departement van Waterstaat alleen te bouwen ? En heb ik dan geen recht te vragen, dat de Minister, dit alles inziende, zelf uitlokke de benoeming van eene Staatscommissie, en daaraan de voorkeur geve boven een onderzoek door eigen ambtenaren ?"

Ons komt het voor, dat men, zoo sprekende, zijn doel eenigermate voorbij streeft. Zonderling — wij herhalen het — schijnt het ons dat de heer Rutgers, die anders niet spoedig pleegt los te laten, dit cardinale punt liet rusten in zijne slotrede.

Wij hopen zeer dat de Minister de wenschelijkheid van een geheel

onpartijdig onderzoek alsnog zal inzien. Niet dat wij ook maar in de allergeringste mate twijfelen aan den goeden trouw van 's Rijks Waterstaat, maar we onderschrijven geheel de woorden van den heer Bastert :

„Ten slotte een enkel woord over het onpartijdig onderzoek dat ik ook zoude wenschen.

De geachte spreker uit Amsterdam vreest, dat dit onderzoek, hetwelk de geheele Oommissie wenscht, niet met de noodige onpartijdigheid zal plaats hebben, met andere woorden, dat de Kamer door het aannemen van deze conclusie een beroep zou doen van den Minister op den Minister.

Nu gevoel ik ook wel iets voor dat bezwaar en zou daarom den Minister den wensch willen overbrengen dat hij in die Commissie benoemde nieuwe, onpartijdige mannen ; natuurlijk met de noodige kennis toegerust, maar die tot dusver buiten de quaestie hebben gestaan. Want wij hebben, natuurlijk niet heden of gisteren, maar gedurende ons geheele leven ondervonden, dat èn bij Departementen van algemeen bestuur, èn bij hen, die zaken behandeld hebben, eene zekere continuïteit van handelen bestaat — en dat is in zoover niet kwalijk te nemen. Daarom verzoek ik den Minister, indien de conclusie, gelijk ik hoop en vertrouw, onveranderd wordt aangenomen, om nieuwe, onpartijdige deskundigen voor het onderzoeken van deze zaak te benoemen."

Verstandig ware het o.i. geweest een poging te wagen om de thans

ongewijzigd aangenomen conclusie zoodanig aan ze vuiien ua^ uaaiin ue wensch naar een „onpartijdig" onderzoek — onpartijdig in bovengenoemden zin — duidelijk ware uitgesproken.

Ons overzicht van het debat is verre van volledig. Uit de redevoeringen van de heeren Rutgers, Bastert en uit die van den Minister ware nog menig belangrijk gedeelte te vermelden. Intusschen, om niet te uitgebreid te worden, hebben wij gemeend ons te moeten bepalen tot datgene, wat meer direct met het resultaat der gedachtenwisseling in verband stond. En wij gelooven te meer het hierbij te mogen laten omdat over die gewichtige zaak zeer zeker niet het laatste woord gesproken zal zijn.

April 1897.

Th. Six.

Weerkundige waarnemingen te Utrecht, 8 uur voormiddag

Barometer- ~ , WinJ'™clltl Tempera- Neerslag

1 8 9 7. stand in „Vlittm» Beaufort 'uur, graden in

mM ricnting. gg™™^ Celsius. mM.

16 April 770.0 W. 4 6.9 —

17 » 763.8 Z.W. 2 8.1 6

18 » 756.9 W.N.W. 2 8.7 22

19 » 760.5 W. 2 9.6 —

20 » 749.0 Stil. — 7.0 1

21 » 759.8 Z.W. 1 7.3 3

22 » 763.3 N.O. 2 7.5 4

Rivierberichten

Waterhoogten, in Meters + A.P. 8 uur voormiddag.

1897.

16 April

17 »

18 »

19 »

20 »

21 t

22 »

23 »

Keulen. 7 uur

Lobith.

39.69 39.55 39.43 39.55 39.57 39.55 39.50 39.53

12.42 12.26 12.13 12.07 12.29 12.36 12.34 12.29

Nijmegen.

10.13 10.— 9.89 9.80 9.90 10.05 10.04 10.—

Arnhem.

10.11 9.98 9.88 9.80 9.90 10.02 10.01 9.97

Westervoort,reg. pi.

10.70 10.58

10.47 10.40 10.52 10.62 10.60 10.57

Maastricht.(brug).

42.88

42 66 42.82 43.52 43.43 43.75

43 46 43.31

11.49 11.31 11.10 11.60 12.30 12.43 12.82 12.55

7.84 7.69 7.55 7.53 8.12 8.48 8.75 8.86

Het Amsterdamsen peil wordt voor de hoogten die dienovereenkomstig zijn bepaald, aangegeven door N.A.P., en de waterhoogten worden dus voortaan in meters volgens N. A. P. uitgedrukt.

De waterhoogten betrekkelijk de nul der oude schaal blijven natuurlijk onveranderd.

Na I Januari 1893 worden de opgaven der waterwaarnemingen aan de peilschalen langs de rivieren, voorkomende in de „Staatscourant", herleid tot het Amsterdamsche peil, volgens de uitkomsten der nau wkeurigheidswaterpassinge n en de waterpassingen van den Algemeenen dienst van den Waterstaat.