is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 20, 15-05-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M »o

248

Uit te keeren

TRAJECTEN. bedrag der

aanlegkosten.

Amsterdam—Rotterdam f 33 503,685

Amsterdam—Zevenhuizen—Rotterdam (1) 11 913,195

Amsterdam—Rotterdam 14 703,125

Amsterdam—Zevenhuizen (2) 9 142,975

Amsterdam—Zaandam 1 603,26

Amsterdam—Haarlem 1 715,55

Haarlem—Zandvoort 1 441,14

Rotterdam—Dordrecht 3 723,02»

Rotterdam—Schiedam 839,635

1,148,00

Amsterdam—Hilversum—Utrecht en Baarn—Arnhem . 22,406,69

Hilversum—Bussum 992,00

Hilversum—Groningen 37 270,105

Maassluis—Schiedam 2 124,26

Schiedam—Vlaardingen Nihil.

Rotterdam—Schiedam—Maassluis 397,59

Idem idem 431,74

Idem idem 425,98

Hilversum—Amersfoort 342,016

Amsterdam—Utrecht—Rotterdam en Amersfoort—

Utrecht 33 754,855

Amsterdam—Utrecht—'s-Gravenhage 29 492,19

's-Gravenhage —Leiden 3 788,74

Amsterdam—IJmuiden . 3880,83'

Totaal . . . ' f 215 040,59

Het aangeboden ontwerp van wet strekt in de eerste plaats om dit totaal bedrag tot het aangegeven doel op de begrooting voor 1897 beschikbaar te steilen. Ten einde evenwel, zoodra de noodige voorbereiding heeft plaats gevonden van hetgeen voor de uitbreiding van het tegenwoordige intercommunale net vereischt wordt, nog in den loop van 1897 werken te kunnen doen uitvoeren of althans materieel te kunnen aanschaffen, meent de Minister eene som van f 40,000 te moeten aanvragen ter verhooging van den post voor telegraaf- en telephoonlijnen."

Er werd alzoo in het geheel aangevraagd f 255,040.59.

Naar aanleiding van deze voordracht verscheen het volgend Kamerverslag :

„Bij het afdeelingsonderzoek kwam in de eerste plaats het telephoonverkeer in meer algemeenen zin ter sprake. Opnieuw werd van verschillende zijden aangedrongen op wettelijke regeling van de telephonie. De Kamer heeft den wensch daartoe te kennen gegeven door de aanneming met groote meerderheid van de motie van den heer Bastert en men had mogen verwachten dat de Minister daarin aanleiding zou hebben gevonden om deze zaak ter hand te nemen. Bij zoodanige wettelijke regeling zouden dan ook de noodzakelijke bepalingen omtrent groepen- en districtsverbindingen tot stand kunnen komen.

In verband met dit laatste werd er door sommigen op gewezen, dat tot dusver door de Regeering ook nog geen algemeene regelen zijn gesteld — althans niet openbaar zijn gemaakt — omtrent de aansluitingen van perceelen, die op verderen afstand dan 5 K.M. van de centrale bureau's der communale netten zijn gelegen. Verwezen werd naar hetgeen omtrent dit punt is opgemerkt bij de openbare behandeling in de Tweede Kamer van het wetsontwerp tot verhooging van hoofdstuk IX der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1896 (Handelingen 1896/97, bladz. 276 vlg.). Overigens achtten de hierbedoelde leden het niet doelmatig, in den stand, waarin de zaak der telephonie thans verkeert en op het tegenwoordig tijdstip aan te dringen op eene nadere ontwikkeling van het stelsel, volgens hetwelk de Minister het telephonisch verkeer wil regelen.

Wat nu meer bepaaldelijk het Regeeringsvoorstel betreft, dit strekt vooreerst, om de beschikking te erlangen over de gelden benoodigd voor het overnemen der bestaande intercommunale lijnen van de Nederlandsche Bell-Telephoon-maatschappij. Voor zoover die strekking aangaat, is het een noodzakelijk uitvloeisel van de ook in de Memorie van Toelichting vermelde wet van 7 December 1896 (Staatsblad no. 198) en kon men er zich dan ook algemeen mede vereenigen.

In de tweede plaats echter wordt een bedrag van f 40,000 aangevraagd voor de uitvoering van werken ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande intercommunale net. Die aanvrage is, naar werd opgemerkt, zeer schraal toegelicht. De Minister doet geen enkele mededeeling omtrent de aan die gelden te geven bestemming. Men wenschte alsnog van den Minister te vernemen, welke lijnen thans zullen worden aangelegd, alsook of en zoo ja welk plan voor verderen aanleg is ontworpen.

Door verscheidene leden werd aangedrongen op krachtige ontwikkeling van het telephoonwezen en de wensch uitgesproken, dat de Regeering de voorwaarden waarop gemeenten aan het intercommunale net zullen kunnen aansluiten, niet bezwarend zal maken, opdat voorzien

(1) De lijn 's-Gravenhage—Zevenhuizen is geheel door het Rijk bekostigd.

(2) Het gedeelte 's-Gravenhage—Zevenhuizen is geheel door het Rijk bekostigd.

kan worden in de behoefte aan aansluiting van de vele belangrijke gemeenten die reeds in het bezit van communale netten zijn.

Bij deze gelegenheid werd tevens de wenschelijkheid betoogd om de voorwaarden waarop in kleinere plaatsen Rijkstelegraaf- en telephoonkantoren kunnen worden opgericht, zooals die zijn vastgesteld bij Koninklijk besluit van 15 September 1886 (Staatsblad no. 164), gewijzigd bij Koninklijk besluit van 14 September 1892 (Staatsblad no. 219), minder bezwarend te maken.

Met de mededeeling van het bovenstaande acht de Commissie van Rapporteurs de openbare behandeling van het wetsontwerp genoegzaam voorbereid."

De Minister achtte een schriftelijk antwoord wenschelijk en gaf dit in de volgende nota :

„Naar aanleiding van het bovenvermeld Verslag heeft de Minister, onder verwijzing naar hetgeen laatstelijk betreffende de wettelijke regeling der telephonen is gezegd in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over de begrooting voor 1897, de eer het volgende mede te deelen :

§ 1. Het voornemen bestaat om bij het verleenen van vergunningen tot aansluiting van perceelen aan plaatselijke telephoonnetten, voor zooveel deze perceelen gelegen zijn buiten den kring van 5 K.M., in hoofdzaak te vorderen :

a. aanleg en onderhoud van eene lijn naar het Rijksbureel, alsmede inrichting van het betrokken perceel voor rekening van den aanvrager ;

6. betaling van een vast jaarlijksch uniformrecht van f 50 ;

c. betaling van 5 cents per gesprek.

De vergunningen zouden alleen te verleenen zijn voor zooveel er geene intercommunale verbinding bestaat tusschen de gemeente of het deel der gemeente, waarin het perceel van den aanvrager is gelegen en de gemeente waar de aansluiting wordt verlangd.

§ 2. Het komt den Minister voor, dat de beste wijze van voorziening in de behoefte aan intercommunale aansluiting van plaatselijke telephoonnetten ligt in eene soortgelijke regeling als getroffen is met opzicht tot de vestiging van Rijkstelegraaf- en telephoönkantoren bij Koninklijk besluit van 15 September 1886 (Staatsblad no. 164), gewijzigd bij Koninklijk besluit van 14 September 1892 (Staatsblad no. 219).

Wordt eene vaste opbrengst van f 1200 gewaarborgd door elke gemeente, die intercommunale aansluiting verlangt, dan zal, indien een aantal plaatsen worden verbonden, het totaal van de gegarandeerde sommen de kosten van aanleg en bediening ten deele kunnen dekken, en dus voorkomen dat zonder evenredige inkomsten al te groote offers van de schatkist worden geëischt. Wel zal. het dan kunnen gebeuren, dat eene ver verwijderde plaats het eerst om aansluiting vraagt en een kostbare lijn noodig is, waar tegenover de gewaarborgde som als eenige opbrengst staat, maar naarmate die lijn ook geheel of ten deele dienstbaar kan gemaakt worden voor de aansluiting van andere plaatsen, zal de opbrengst toenemen.

Het uitvoering geven aan verzoeken tot aansluiting aan het intercommunale net zal echter altijd afhankelijk moeten blijven van de sommen, die tot dit einde telken jare op de Staatsbegrooting worden beschikbaar gesteld.

De som van f 40,000 in de tweede plaats bij de verhoogingswet aangevraagd, strekt om te voorkomen dat, indien eerlang eene regeling als bovenbedoeld tot stand komt, alle uitbreiding zou moeten wachten tot den zomer van 1898. Eene juiste aanwijzing omtrent het gebruik van die som, d. i. eene opgave van de plaatsen welke door die middelen zullen kunnen verbonden worden, is uit den aard der zaak niet te verstrekken.

Ten opzichte van het tarief voor intercommunale gesprekken wenscht de Minister hier nog aan toe te voegen, dat het niet raadzaam te achten is daarin thans verandering te brengen, nu de Rijksexploitatie met 1 October wordt voorbereid. De tijd daartoe zal eerst gekomen zijn nadat met de Rijksexploitatie eenige ondervinding zal zijn verkregen.

Met betrekking tot de voorwaarden waarop in kleinere plaatsen Rijkstelegraaf- en telephoönkantoren kunnen worden opgericht, veroorlooft de Minister zich te verwijzen naar de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over de begrooting 1897 (bladz. 43/44).

Wel verre dat deze nota de geopperde bezwaren ophief, prikkelde zij een paar afgevaardigden, de heeren Tydeman en Bastert om dezen in het op 8 April in de 2de Kamer gevoerd debat nog eens krachtig te laten klinken. De heer Tydeman, vooropzettend dat hij aan het ontwerp zijn stem niet zou onthouden omdat het in hoofdzaak de uitvoering regelt van een wet, waarmede hij zich vereenigd had, zeide toch een woord van protest te willen doen hooren tegen sommige mededeelingen, door den Minister in het Verslag gedaan.

„Mijn protest — sprak de heer Tydeman — betreft in de eerste plaats de mededeeling van den Minister omtrent de uitbreiding van de intercommunale lijnen, de aansluiting aan dat net van gemeenten, die nu nog niet zijn aangesloten.

Ik zal daarover geen debat uitlokken, ik zal ook geen toezegging van den Minister vragen, zelfs geen antwoord. Ik zal alleen opmerken, dat het nu in het vooruitzicht gestelde door de Regeering niets anders is dan het voortbouwen op den vicieusen toestand, die door het contract van 1891 met de Bell-Telephoonmaatschappij is in het leven geroepen. Ik wensch alleen er de aandacht op te vestigen dat, waar nu met de groote steden van het Rijk : Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage