is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 21, 22-05-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M SI.

254

Diep betreurd door zijn nagelaten betrekkingen en vrienden, werd hij den 18de" Mei te Leiden in het familiegraf aan de Groenesteeg ter aarde besteld.

's-Gravenhage, 19 Mei 1897. G. van Diesen.

Nederlandsche Vereeniging voor Electrotechniek.

Inleiding voor het bezoek der verlichtingscentrale der firma Siemens & Halske

door

H. C. J. GRITTERS, Ingenieur.

Het zij mij veroorloofd nog eenige oogenblikken uwe aandacht in beslag te nemen, ten einde u met een enkel woord te orienteeren in de inrichting, die wij straks gezamenlijk zullen bezoeken.

De oprichting eener electrische centrale door de firma Siemens Halske een achttal jaren geleden voor rekening der thans niet meer bestaande Nederlandsche Maatschappij voor Electriciteit en Metallurgie uitgevoerd, kwam niet zonder moeielijkheden tot stand, daar men in deze nieuwe inrichting een gevaar meende te zien voor de nabijzijnde Regeeringsgebouwen en belendende perceelen.

Gelukkig konden in het buitenland verschillende stedelijke autoriteiten reeds over voldoende ervaring op het gebied van electrische centralen beschikken, om de Nederlandsche autoriteiten met vertrouwen te kunnen aanraden de oprichting van eene dergelijke inrichting, aan den Hofsingel, toe te laten.

Zooals waarschijnlijk velen uwer bekend is, bestaat de Nederlandsche Maatschappij voor Electriciteit & Metallurgie niet meer, maar is de firma Siemens & Halske te Berlijn als eigenaresse der Centrale in hare plaats getreden, welke door deze firma voor eigen rekening geëxploiteerd wordt.

Met den bouw der Centrale werd begonnen in het laatst van 1888 terwijl in de helft van het jaar 1889 met de stroomlevering een aanvang kon gemaakt worden, welke sedert onafgebroken plaats vond.

De stroomtoevoer geschiedt ondergronds door middel van gearmeerde, enkel en concentrische loodkabel. De ervaring hiermede^ opgedaan, geeft het recht de meest gunstige verwachtingen omtrent de duurzaamheid van electrische lichtkabels in het algemeen te koesteren, waaromtrent depractijk tengevolge van de betrekkelijke jeugd der electrotechniek nog geen gelegenheid gehad heeft absolute resultaten aan te wijzen.

Het kabelnet is uitgevoerd volgens het drieleidersysteem met een spanningsverschil van ruim 220 Volt tusschen de beide uiterste polen Zooals TJ bekend is, kan dezelfde energie bij 220 Volt met een vierde van de draaddoorsnede overgebracht worden, welke bij 110 "Volt noodig is indien men in beide gevallen hetzelfde arbeidsverlies vooropstelt. Indien er dus geen middenleider bestond, zouden de koperdoorsneden, dus ook het aantal K.G. te gebruiken koper zich in beide gevallen verhouden van 100 : 25. De middenleider veelal nulleider genoemd, zou gemist kunnen worden bij aanwending van gloeilampen van 220 Volt of indien de beide helften van het net steeds volkomen, tot zelfs in de installaties gelijk belast worden. Om licht verklaarbare redenen hebben de gloeilampen echter geen 220 Volt maar 110 Volt, en is de belasting van beide helften van het net nooit volkomen gelijk maar slechts bij benadering. Ergo kan de middenleider niet gemist worden en de vraag rijst, welke afmetingen daaraan te geven zijn. Het is duidelijk, dat hij dunner kan zijn dan de beide andere leiders, aangezien hij slechts het verschil der Ampèrewaarden in den -f en den —; leider over te brengen heeft. Met betrekking tot deze stroomsterkte, moet de middenleider tamelijk ruim van doorsnede zijn, omdat het spanningsverlies, door dezen leider veroorzaakt, zich steeds voegt bij de zwaarst belaste zijde. Gewoonlijk wordt hij in doorsnede gelijk genomen aan de helft van elk der beide andere leiders.

De bovengenoemde verhouding van 100: 25 wordt dus nog eenigszins in ongunstigen zin gewijzigd daar het getal 25 voorstellende, de som van + en — leider, nog moet vermeerderd worden met de doorsnede van den nulleider, dat is dus 6.5. Voor elke 100 K.G. koper bij 110 Volt tweeleider

te gebruiken, treedt dus bij 2^110 Volt drieleider in de plaats 25 + 6.5 = 31.5, zoodat de verhouding 100: 31.5 wordt, of nagenoeg 3:1. Hieruit volgt dus, dat men voor zooveel de hoofdleiders betreft, bij toepassing van het drieleider-systeem een verbruiksgebied kan bedienen met een straal driemaal grooter dan bij het tweeleider-systeem het geval zou zijn.

De stroomverdeeling is overigens als volgt:

Op acht verschillende punten in de stad zijn hoofdkasten geplaatst, naar elk waarvan een stel hoofdkabels of feeders (elk stel bestaande uit + 0 en — leider) loopt. Deze kasten zijn onderling verbonden door verdeelingskabels van welke de verschillende huisaansluitingen direct aftakken. Waar daartoe aanleiding was, zijn de verschillende verdeelingskabels ook nog onderling in knooppunten vereenigd, waarin verdeelingskasten zijn aangebracht. Het geheele net vormt dus een samenhangend geheel, zoodat een of meer feeders buiten dienst gesteld kunnen worden zonder dat de stroomtoevoer in eenig punt van het net verbroken wordt. De feeders zijn van zoodanige afmeting, dat het spanningsverlies op iedere zijde ten hoogste 6.5 Volt bedraagt, d. w. z. tusschen de centrale en hoofdkasten. Aangezien echter de spanning niet aan de rails in de centrale maar in de hoofdkasten constant gehouden wordt, blijft dit verlies zonder invloed pp de spanning bij de verbruikers. De hoofd- en verdeelings-kabelkasten hebben eene ronde gedaante en zijn meest op de hoeken der straten in de gewone bestrating geplaatst. Zij zijn inwendig, ten einde te voorkomen dat de vochtige lucht tusschen den loodmantel en de vezelstof van de daarin ingevoerde kabels kan binnendringen, met olie gevuld. Buitendien zijn daarin voor de verschillende verdeelings- of vertakkingskabels loodstrooken geplaatst.

De firma Siemens & Halske construeert tegenwoordig hoofdzakelijk kasten met luchtisolatie van een vierkante gedaante, welke aan de buitenzijden van gietmoffen voorzien zijn.

Het eigenlijke Centraal Station bevindt zich nagenoeg in het middenpunt van het verbruiksgebied.

Gelijkvloers bevindt zich de machinekamer, het ketelhuis, een kleine kolenbergplaats, een werkplaats voor het Centraal Station en een pakhuis voor zware voorwerpen, als kabels enz.

Op de eerste étage bevinden zich de lokalen voor directie en administratie, terwijl er verder het Ingenieursbureau van de firma Siemens & Halske gevestigd is, met de verschillende lokalen van administratie, eene afzonderlijke werkplaats voor het vervaardigen van schakelborden en verder een ruim magazijn.

De voor het bedrijf benoodigde stoom wordt ontwikkeld in 4 stoomketels, te weten 2 Piedboeuf-ketels, (onderketel met 2 gegolfde binnenhuizen en een bovenketel voorzien van vlampijpen) elk van 180 M. V. O., geleverd door de firma Gebr. Stork & Co. en 2 Steinmüller-ketels, elk van 160 M. V. O. Steeds is 1 ketel buiten dienst, ter reiniging en inspectie, zoodat het bedrijf plaats heeft met 3 stoomketels.

Door middel van een ringleiding wordt de stoom van de ketels naar de machines gevoerd. De gezamenlijke ketels zijn van dubbele voedingsleiding voorzien; een leiding wordt gevoed door de pompen, gedreven door de machines, welke tevens voor de condensatieinrichting dienen, de andere leiding is verbonden met 1 Körting'sche injecteur.

In de machinekamer zijn opgesteld 3 verticale compoundmachines, uit de fabriek van de firma Gebr. Stork & Co., welke bij 8 atm. overdruk en 139 omwentelingen per minuut + 250 Eff. p.k. kunnen ontwikkelen.

Ieder dezer machines is direct gekoppeld met 2 zoogenaamde Siemens I dynamo's, het bekende binnënpooltype, dat voor deze firma vooral voor de grootere centralen gebouwd wordt, en waarvan zeer groote exemplaren, o. a. in de Berlijnsche Centrale, aanwezig zijn.

De polen dezer dynamo's, zes in aantal, zijn stervormig geplaatst. Daaromheen roteert het anker, welk in beginsel uit een Gramme-ring bestaat. Een afzonderlijke commutator is hierbij niet voorhanden, de ankerwindingen zijn echter aan den buitenkant niet geïsoleerd, maar zijn daarentegen afgedraaid; hierop rusten de borstels zoodat het anker zelf tevens als commutator dienst doet. Door het gering aantal omwentelingen aan dit type van dynamo eigen, is het bijzonder geschikt voor directe samenkoppeling met eene stoommachine. Een der beide dynamo's is geschakeld tusschen de rail en de 0 rail; de andere tusschen de 0 en de rail, terwijl zij ten opzichte van elkander in serie geschakeld zijn. Elk complex