is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 23, 05-06-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

282

Andere krommen zijn daartusschen te teekenen, of wel de noodige tabellen kunnen worden gemaakt.

Een dergelijke tabel is als Bijlage I toegevoegd.

Weet men voldoende van den gewonen toestand, dan kan men overgaan tot den buitengewonen, dien waarbij zijdelingsche aftapping plaats heeft; men vormt zich een denkbeeld van den invloed der aftapping.

Zoodra uit eene rivier zijwaarts water wegvloeit, doch voor korten tijd, zoodat geen wijziging in de bedding zal plaats hebben, dan is de invloed van die afvloeiing te bemerken uit de vermindering van de hoeveelheid water, die verder stroomt, en uit de verlaging van den waterstand ter plaatse van de afvloeiing, over de geheele lengte benedenwaarts en over eenige lengte bovenwaarts. Het vraagstuk is niet als bij normaliseering, waar men juist wijziging in de rivierbedding beoogt, waar de afvoer gelijk blijft, maar 't profiel verandert; hier is het profiel gelijk, maar verandert de afvoer.

De afvoer eener rivier bedraagt bv. oorspronkelijk A. M3. en op 3 plaatsen wordt water onttrokken, resp. a, b en c M3. per seconde, zoodat ten slotte nog A-a-b-c M3. verder stroomt. Stroomopwaarts gaan door de opvolgende vakken A-b-a, A-a en ten slotte A M3., indien bij de opvolgende plaatsen van beneden gerekend, c, b en a M3 werden afgetapt.

Hoe vindt men de waterstanden op de verschillende riviervakken ?

Indien de afvoer A-a-b-c M3. bedraagt, zal de waterstand te P, onafhankelijk van den benedenstand aan de monding, bedragen H. M. + N. A. P. Deze zelfde waterstand zal er zijn, al wordt er meer water aangevoerd, doch een gedeelte te P afgeleid, zoodat benedenwaarts A-a-b-c M3. vloeit; er is geen enkele reden om aan te nemen, dat benedenwaarts van P. de rivier zich zal wijzigen.

Ook door berekening telkens van het verval in het bovenwaarts gelegen vak, om den afvoer A-a-b-c M3. p. s. te doen plaats hebben, vindt men, bij niet te veel afwijkende waterstanden in het benedenste vak aan de monding, een waterstand te P. alleen afhankelijk van den afvoer, dus den waterstand behoorende bij den afvoer A-a-b-c M3. p.s.

In het vak P Q moet A-b-a M3. per seconde worden doorgevoerd ; is dat vak lang, dan is te Q. de waterstand bereikt, behoorende bij den afvoer van A-b-a M3. p.s. Bij een eenigszins belangrijke hoeveelheid c is dit echter niet spoedig bereikt, daarom redeneert men als volgt:

In het riviervak P. Q. zijn bekend de benedenwaterstand, de afvoer en het gemiddeld profiel, het noodige verhang is te vinden. Wordt daarvoor v gevonden, dan is de waterstand te O. H + v M + N. A. P.

In het volgend riviervak Q. R. is de benedenstand H + v M + N. A. P., de afvoer A-a M3. p.s., en bij bekend profiel is het verval w te berekenen.

In het volgend riviervak R. S. is de benedenstand H + v + w M. + N. A. P., de afvoer A M3. p.s., en bij bekend profiel is het verval x te berekenen.

Weldra zal de verhanglijn voor den afvoer van A M3. p.s. zijn bereikt, op eenigen afstand bovenwaarts der laatste aftapping is geen verlaging merkbaar.

Bovenbeschreven verhanglijn tijdens de afleidingen zijwaarts, is niet onmiddellijk bereikt, eerst moet een nieuwe evenwichtsstand zijn ingetreden.

Hierboven is aangenomen eene oorspronkelijke afvoer van A M3 en drie afleidingen a, b en c M3 per seconde. Deze methode is niet direct toe te passen, men zal moeten beginnen bij een afvoer B M3 per seconde benedenwaarts van het laagst gelegen inlaatmiddel, de afleiding daar en bij de hooger gelegene moet men telkens berekenen uit den te verwachten rivierstand, die te berekenen is, en door de som van afvoer en afleidingen zal men tot het besluit komen, wat de oorspronkelijke afvoer en waterstand moeten zijn geweest. Men weet dan, welke waarden bij een oorspronkelijken stand van — M + N.A.P., waarbij de afvoer A M3 p. s. bedroeg, de afleidingen zullen hebben, en welke waterstand benedenwaarts zal worden in 't leven geroepen.

Berekent men op deze wijze verschillende verhanglijnen tijdens de aftappingen, dan is daaruit af te leiden, wat bij een gegeven boven-waterstand te verwachten is.

Een voorbeeld van eene dergelijke verhanglijn tijdens de zijalleiding toegepast op een rivier, waarvan men genoeg weet, volgt hieronder. Men heeft daarbij nog een bizondere methode toegepast om het gemiddeld profiel te bepalen ; bij genormaliseerde

rivier was deze methode mogelijk, anders moeten er peilingen worden verricht.

Uit den bestaanden toestand, dat bij een waterstand van h0 te P en van te Q de afvoer B is, kan door het aannemen der rivierbreedte een gemiddelde straal, diepte, worden bepaald met de formule voor den afvoer eener rivier

waarin

Q = afvoer in M3 per seconde,

F = gemiddeld profiel in M2 = b X ^

c = coëfficiënt, aangenomen c = 40

B = d = gemiddelde straal of diepte in M1

z = verval in M1

L = lengte van het riviervak in M1. In de formule, geschreven B = &X^0X J/^^HX

5 .

X d (^i — ho) is bekend B, b (rivierkaart), L (rivierkaart), \ — h0 en dus ook d.

Voor verschillende gevallen berekend, verkrijgt men eene tabel aangevende de waarde d bij een gemiddelden waterstand in het

1 9 0 ; bij een gegeven gemiddelden waterstand

riviervak van

is dan de d te bepalen.

Aangenomen wordt, dat, als de waterstand te P h„ — x en

h0 + h{

doch het

te Q hi + x is, dus de gemiddelde stand nog

verval z + 2 x, toch nog voor de berekening van het afvoervermogen van het riviervak de gemiddelde diepte d onveranderd blijft, al zijn de beneden profielen kleiner en de bovenprofielen grooter dan bij den bestaanden toestand. Door voor 2 x eenige waarden in te voeren zijn bij eenige gemiddelde standen de afvoeren bij grootere vervallen te bepalen.

Voor de berekening van het verval, noodig om volgens het voorgaande de hoeveelheid A — b — a M3 aangevoerd te krijgen, wordt als volgt gehandeld:

De waarde v0 wordt geschat, waarbij de tabellen elk voor afvoeren bij een gemiddelden stand en verschillende vervallen goede diensten bewijzen, dan is de gemiddelde stand H + */j v0, dan is d te vinden uit de tabellen en met die d de vx te vinden uit de formule.

De waarde v ligt tusschen v0 en v1 en is beter te schatten ; na een, soms 2 berekeningen is v voldoende nauwkeurig bepaald en de bovenwaterstand H + v bekend.

Deze stand H + v is benedenwaterstand van het volgend vak, daar is het noodige verval eerst te schatten om d te benaderen enz.

Voorbeeld.

Gevraagd de verhanglijn op den Neder-Bijn en de Lek bij middelbaren rivierstand en bij afleiding van eenig water te Vreeswijk, te Honswijk en te Éverdingen.

Volgens tabel I is de oorspronkelijke afvoer 449 M3 per seconde, deze is gedaald tot 308 M3 p. s. en dus is de stand te Vreeswijk 1.77 +

In het riviervak Vreeswijk-Honswijk is de benedenwaterstand 1.77 +, de afvoer 359 M3 p. s., waarvoor een verval van 0.67 M. wordt geschat. Bij den gemiddelden waterstand van 2.105 + is d = 2.601 M. (zie bijlage II) dus

49 V175 5

359 = ^-7^= V 2.601 ïX^», ■v1 = 0.6682M. V 6145

In het riviervak Honswijk-Everdingen is de benedenwaterstand 2.44 +, de afvoer 419 M3 p. s., waarvoor een verval van 0.20 M. wordt geschat. Bij den gemiddelden waterstand van 2.54 + is d = 2.686 M. (zie bijlage II) dus

419 =

40X175 VT855"

X 2.686 a X V »i • »i = O-24? M.

Stel w0 = 0.24 dan is w = 0.2407 M.

In het riviervak Ever ding en-Culenborg is de benedenwaterstand 2.68 +, de afvoer 449 M3- p. s., waarvoor een verval van 0.40 M. wordt geschat. Bij den gemiddelden waterstand van 2.88 + is cl = 2.809 M. (zie bijlage II) dus

40 V175 6

v

X, . x.

0.359 M.

Gevonden wordt x = 0.365.

In het riviervak Oulemborg— Wijk bij Buurstede is de beneden