is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 24, 12-06-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

295

M «4.

boven die der A. V. 1895, daar het constateeren van het nalaten van een indruk te zeer afhankelijk is van den waarnemer.

Bij de methode Herfeldt kan tevens tegelijkertijd het verloop der verharding worden nagegaan over een tijdsverloop van 5

etmalen. , , .

Bovendien moet in aanmerking worden genomen dat de uitkomsten eenigszins afhankelijk zijn van de temperatuur van het verhardingswater.

Aan dezen invloed wordt echter te veelwaarde gehecht._ tusschen 14° en 20° C (op welke temperatuur men een des winters matig verwarmd en in den zomer van het zonlicht afgesloten lokaal kan houden) is de invloed naar onze ervaring niet groot. Eene lagere temperatuur b. v. 8°-12° C. kan echter de verharding vertragen. Ook de verharding der proefstukken ter bepaling der trek- en drukweerstand heeft bij 14"—20» C. plaats.

Wij hebben nu getracht eenig verband te ontdekken tusschen de uitkomst der naaldproef en het gloeiverlies, met inachtneming der temperatuur. . .

Een blik op de diagrammen A. B. C. en D. geeft de overtuiging dat dit verband niet bestaat. In deze diagrammen stellen de abscissen voor de verhardingstijden, de ordinaten, de belastingen noodig om de naald 5 m.M. te doen inzinken. .

Diagram A. bevat 4 trassoorten van weinig verschillend gloeiverlies, verhard bij eene temperatuur van 18°—19° C.

Diagram G. 2 trassoorlen van circa gelijk laag gloeiverlies bij gelijke temperatuur verhard, waarbij de tras met de hooge resultaten der naaldproef, lagere weerstandcijfers geeft, dan die

met de lage naaldproefcrjters. -777

Naaldproeven met tras geven dus zelden eenig .uitsluitsel omtrent de qualiteit; hunnen zelfs tot onjuiste gevolgtrekkingen aanleiding geven.

Alhoewel deze proef reeds door vele ingenieurs en architecten als weinig afdoend wordt beschouwd (wanneer ten minste niet gelijktijdig goed vertrouwbare proeven als bepaling van gloeiverlies, trek- en drukweerstand, fijnheid, genomen worden) achten wij het niet overbodig, dit nog eens te bevestigen, op grond van bovenstaande cijfers. ,

Ten slotte wenschen wij de bepaling der A. V. 1895, welke als criterium van goede tras 7'/2 % gloeiverlies stelt, te toetsen aan de in § 352 dezer A.V. genoemde trek- en drukweerstanden.

Hiervoor hebben wij uit de 73 bovengenoemde monsters diegene tot een diagram vereenigd (H), welke meer dan 7 U lp gloeiverlies vertoonen en (K) diegene welke 7—7'/2 °/o gl°eiverlies bezitten. Er blijkt hieruit, dat de Commissie ter Herziening der A. V. de minimum eischen geheel jnist heeft gesteld.

Uit diagram H blijkt nl. dat geen enkele der onderzochte monsters een trekweerstand had beneden 12 KG. per cM ., na 28 dagen verharding, terwijl slechts één te laag drukweerstandscijfer in deze groep voorkomt, (minimum eisch 60 KG. per cM2.) . .

Uit diagram K blijkt dat men bij tras van 7 °/0—7y2 g °.el" verlies reeds vrij wel de grens nadert, en dat verschillende der drukweerstanden beneden den eisch van 60 KG. per cM2. dalen.

De diagrammen B, O en G met elkander vergelijkende, blijkt daaruit dat trassoorten met laag gloeiverlies als 5.5 % a 5.8 /0 ongeveer dezelfde uitkomsten der naaldproef kunnen geven als die met een hoog gloeiverlies van ca. 8.30 »/„. Ditzelfde doet zich voor bij de druk-en trekcijfers; tras met 5 °/0—7]/2 lo gloeiverlies kan ongeveer dezelfde weerstanden bereiken als trassoorten met 7-Vj %—°/0 gloeiverlies.

Ook de heer Gary vermeldt dit in eene mededeeling, hem gedaan door de directie van een bouwwerk. Het komt ons echter voor, dat men in een dergelijk geval waarschijnlijk te doen heeft met een vermenging van goede tras met minderwaardige trassoorten en wel in dien graad, dat deze vermenging geen invloed heeft op de weerstandscijfers, echter wel op het gloeiverlies. Vooral wanneer fijn gemalen wordt, kan eene bijvoeging van vrij groote hoeveelheden minder-waardige gesteenten geschieden, zonder dat althans de aanvankelijke verharding belangrijk wordt benadeeld. Daar echter tras met hoog gloeiverlies (boven 71/, %) ™angrnk hooger in prijs is, dan de trassoorten met ö1^ lo—' k gloeiverlies, is het wenschelijk laatstgenoemde grootheid steeds eerst te bepalen, en daarna tot het vervaardigen van trek- en drukproefstukken over te gaan.

Het hierboven geuitte vermoeden van vermenging met minderwaardige gesteenten bij gloeiverliezen van 5 °/0—7 °/0, wint nog aan waarschijnlijkheid, wanneer wij de weinige onderzoekingen nagaan omtrent de vastheid van tras met zeer gering gloeiverlies (31/» °/o—5 %) en dus geheel uit minderwaardige gesteenten bestaande. Deze geven nl. na 28 dagen verharding

vastheidscijfers aan, die zeer belangrijk beneden de eischen van 12, resp. 60 KG. per cM2. blijven.

Het bovenstaande resumeerende, is het dus gewenscht, dat bij keuring van tras het volgende worde in acht genomen :

a. Aan de naaldproef slechts geringe waarde toe te kennen, als zijnde weinig betrouwbaar.

b. Eene tras met 7>/2 °/0 of hooger gloeiverlies en eene fijnheid van minstens 30 °/0 steeds goed te keuren, zoo mogelijk, indien de tijd het toelaat, met uitvoering van weerstandsproeven.

c. Tras van 51/»—7'/a % alleen dan aan te nemen, wanneer de weerstandsproeven een goed resultaat opleveren, d.w.z. voldoen aan de voorwaarden voor de vastheid, genoemd in de A. V. van 1895.

Amsterdam, April 1897. ^' b^tjcke1'

Het 6de Nederlandsen Natuur- en Geneeskundig Congres.

(Vervolg van bladz. 275). Grondwater in verband met waterleidingen

door

J. VAN HASSELT.

De redevoering van den heer van Hasselt op de Tweede Algemeene Vergadering was een gevolg van een uitnoodiging van het hoofdbestuur «om te spreken over iets in de ingenieurswereld». En het lag voor de hand, dat de heer van Hasselt, wiens naam sedert 1888 verbonden is aan de drinkwatervoorziening van Amsterdam, iets over waterleidingen mededeelde.

Spreker begon met er op te wijzen hoe eenvoudig het is om een kraan te openen en daaruit het water overvloedig — soms ook niet overvloedig of in het geheel niet — te doen vloeien.

Men moet (zooals referent) op een hoog Amsterdamsen bovenhuis wonen, om in de warme zomermaanden de diepe beteekenis van dat «in het geheel niet» te beseffen.

Niet zoo eenvoudig is het — zoo ging de heer van Hasselt voort — om tot dat resultaat — althans het overvloedig vloeien ■— te geraken.

De hooge eischen, terecht aan waterleidingen gesteld, leidden er toe, dat haar aanleg een wetenschap op zich zelf werd, waarbij tal van wetenschappelijke onderwerpen, gewoonlijk niet behoorende tot het ingenieursgebied, medespreken.

Een van de belangrijkste van die onderwerpen is het grondwater.

Beneden den zeespiegel is in het ons bekende gedeelte van de aardkost overal water voorhanden ; ook boven den zeespiegel komen groote hoeveelheden voor; deze laatste zouden echter zonder nieuwen toevoer langzamerhand naar zee afvloeien en dus verminderen. Maar het regelmatig terugkeerende spel van verdamping en condensatie in de atmosfeer herstelt het evenwicht. Die continueele stroomen, zich door regen en sneeuw weer aanvullende, zijn de bronnen van onze moderne watervoorziening.

Voor de vorming van het grondwater is de neerslag in de atmosfeer maatgevende. De condensatie in de grondlucht is daartegenover onbeteekenend. Die atmosferische neerslag vloeit onmiddellijk af in open waterloopen of' zinkt in den bodem, om, voor zoover hij niet aan de oppervlakte verdampt of door de planten geabsorbeerd wordt, later als zichtbare bron te voorschijn te komen of open wateren te voeden.

Het water voor waterleidingen kan nu genomen worden 1°. uit zulk een bron, 2°. uit open waterloopen, 3°. uit het water op zijn weg door den bodem; onderscheid bestaat alleen wat betreft de mate van reinheid. Verontreinigd wordt het water door de aanraking met den bodem. Daarentegen werkt de afgelegde weg door den bodem als een reinigingsproces; soms is de eerste factor verreweg de gewichtigste, zoodat dan het water uit open wateren nog zuiverder zijn kan, vooral als deze laatste ver van de menschelijke samenleving liggen.

Staan de open wateren echter bloot aan verontreiniging door de menschelijke samenleving, dan kunnen ze zeer gevaarlijk worden: in alle geval is dan voorafgaande reiniging toe te passen voor men het water gebruikt. En de mate van volkomenheid van die reiniging, berustende op hetzelfde beginsel dat de natuur toepast, de filtratie door zand, is zóó groot, dat zonder bezwaar vele watersoorten, van open waterloopen stroomend voor het gebruik geschikt gemaakt kunnen worden.

Bestaat er in theorie geen onderscheid tusschen de verschillende prises d'eau, technisch is het verschil verbazend groot.

i