is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 30, 24-07-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

365

M 30.

En thans, mijne Heeren, ben ik tot het slot dezer toch reeds al te lange inleiding genaderd. Nog veel zoude ik kunnen opmerken, doch uw geduld mag niet op te zware proef worden gesteld. Om die reden heb ik dan ook over de feilen en onduisheden van redactie gezwegen, en gemeend enkel de hoofdzaken te moeten aanroeren.

Allerminst acht ik het mijn plicht als inleider — óók omdat de spanne tijds, gelegen tusschen de uitnoodiging van uw Hoofdbestuur en deze vergadering, te kort was om u mijne gedachten vóóraf schriftelijk mede te deelen — thans een soort verbeterd wetsontwerp aan te bieden. Slechts wil ik thans, ten einde de gedachten te bepalen, in eene reeks stellingen de voornaamste der door mij noodig geachte verbeteringen en wenschen samenvatten.

"1. Het verdient aanbeveling de verzekering voor ziekte — ook ter wille van de controle — te doen voorafgaan aan of tegelijk in werking te doen treden met de verzekering voor ongevallen.

2. Aangezien in andere landen voldoende ondervinding in dit opzicht is verkregen — in Duitschland gedurende meer dan 10 jaar, in Oostenrijk sedert 1890 — is er geen reden om slechts een deel der arbeiders te verzekeren.

Ook de hoogere beambten, de kleine zelfstandig arbeidende personen, alsmede de patroons moeten zichzelven vrijwillig kunnen verzekeren tot een bepaald geldelijk bedrag.

3. Ter vereenvoudiging en ter bespoediging van het afdoen, is het wenschelijk de rente evenals in Duitschland niet vóór de '13e week te doen ingaan. In de voorafgaande weken is, (indien geene ziekte-kassen voorden gevormd) aanvangende met den 7en dag na het ongeval, bij ongeschiktheid tot werken een ziektegeld uit te keeren, hetwelk, onafhankelijk van het loon, naar de plaatselijke behoeften wordt geregeld.

4. De rente bij blijvende, zeer groote of algeheele invaliditeit of dood, dient rekening te houden met de grootte van het huisgezin.

Renten welke kleiner zijn dan 20 pCt. van het jaarloon, moeten, behoudens uitzonderingen, voor getroffenen van minder dan 45-jarigen leeftijd, verwisseld worden tegen uitgestelde lijfrenten, ingaande op 55-jarigen leeftijd.

Het verdient aanbeveling ter berekening van de rente, loonklassen aan te nemen, zoowel ter vereenvoudiging als tot betere aansluiting aan ziekte-kassen, ouderdom- en invaliditeitskassen, weduwe- en weezenpensioenkassen.

5. De organisatie moet in plaats van bureaucratisch, democratisch worden, d. w. z. zoowel de betalenden: de patroons, als de rentetrekkenden : de gezellen, moeten invloed kunnen uitoefenen. De ontwerpregeling is in dit opzicht geheel af te keuren. De Staatsverzekeringsbank moet enkel blijven dienen voor die bedrijven, welke zich wegens te kleinen getale niet kunnen bij elkander voegen en vakvereenigingen vormen. Deze vakvereenigingen moeten zich naar behoefte kunnen splitsen, en waar het noodig is — tot spoedige afdoening van zaken, posthouders {Vertrauensmanner) aanstellen.

Groote bedrijven (zooals bijv. de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen) moeten bij voldoenden waarborg voor soliditeit, de verzekering van hun personeel geheel aan zich kunnen trekken, mits niet minder voordeelen toekennende aan de verzekerden dan de Staatsverzekeringsbank.

6. De gevaren-klassificatie en gevaren-tariveering moet in plaats van door den Staat, geschieden door de vakvereenigingen zeiven, onder goedkeuring van den Rijksraad.

7. De uitgaven moeten gedekt worden volgens het rentestelsel, behalve voor zooveel betreft het aannemers-bouw-bedrijf; voor dit bedrijf moet de kapitaal-dekking behouden blijven.

8. De bedrijven der vakvereenigingen zijn te inspecteeren door ingenieurs der vakvereenigingen. De Staat moet bij deze vereenigingen enkel controle uitoefenen; bijv. door de inspecteurs van den arbeid.

9. De aangifte van een ongeval moet geschieden op dezelfde wijze als bij de veiligheidswet is bepaald, en dus niet binnen 24 uren gelijk het ontwerp aangeeft.

Er zijn in elke provincie een of meer scheidsgerechten in te stellen. De voorzitter, rechtsgeleerde, is door den Minister te benoemen; de overige leden moeten zijn : 2 patroons, te benoemen door de bijdragende patroons, en 2 arbeiders, te benoemen door de verzekerde arbeiders.

Voor bepaalde zaken is hooger beroep toe te laten op een Rijksraad, bestaande uit door de Koningin te benoemen voorzitter en twee '©den ; alsmede twee patroons, te benoemen door de patroonsleden der scheidsgerechten ; en twee arbeiders, te benoemen door de arbeidersleden dier gerechten.

10. De renten moeten voor het geheele bedrag onvervreemdbaar zijn en niet overgedragen kunnen worden ; doch wèl moet de familie van den getroffene, die recht heeft op onderstand volgens het Burgerlijk Wetboek, beslag kunnen leggen.

11. De verantwoordelijkheid van den arbeider is uit te breiden tot «grove» schuld, mits bewezen bij rechterlijk vonnis.

Daarentegen behoort den arbeider vrijheid te worden gelaten, zich meerdere uitkeeringen bij sterfte- of onderstandskassen te koopen.

12. De uitgaven voor den Rijksraad moeten ten laste van den Staat komen. De werkzaamheden der post zijn niet door de patroons te vergoeden, doch de vergoeding worde als eene gewone Staatsuitgave gekweten.

Voor het vrije porto is in plaats van één cent per verzekerde, gelijk het ontwerp voorschrijft, een halve cent per verzekerde te vergoeden.

***

Ik zal niet ontkennen, Mijne Heeren, dat zoodoende van de ontwerp-wet niet veel meer overblijft dan het papier, waarop het werd geschreven ; doch meer te behouden acht ik inderdaad niet geraden.

Uit den klauw herkent men den leeuw, zegt trouwens de welbekende fabel, en zoo ook leert ons de lijst der «zinstorende drukfeilen», welke als n°. 4 gevoegd is bij de tot het ontwerp behoorende stukken, den samensteller van dit wetsontwerp kennen. (Want de memorie van toelichting, welke de onderteekening van drie ministers draagt, is zeker niet van een hunner afkomstig; is zelfs misschien — en men moge dit als een compliment opvatten — niet door alle drie gelezen.) Ik zal de lijst der zinstorende feilen niet overnemen, doch wil er alleen op wijzen, dat de meest «zinstorende» het hoogstens brengen tot; «troffene» inplaats van «getroffene»; «n elk ongeval» in plaats van «na elk ongeval», «bepaliug» in plaats van «bepaling».

Waarlijk, slechts wie voor 't eerst ter drukpers gaat, of zich zijne lezers als minder dan onnoozel denkt, noemt dergelijke correctiefouten zinstorend! Neen, dan wijst de Memorie van Toelichting vrij wat zinsverbijsterender plekken aan! Tracht gij bijv. op te sporen welke redenen den wetsontwerper geleid hebben tot het instellen van de Rijksverzekeringsbank ? Welnu, sla dan met mij bl. 12 der Memorie op, en gij zult onder dat hoofd enkel vermeld vinden het volgende:

«Waar de Staat de verzekering zal organiseeren en uitvoeren, «is het voor onze toestanden juist voorgekomen aansluiting te «zoeken bij eene instelling, die op alle plaatsen van het land «hare vertakkingen heeft, t. w. de posterijen. Wat betreft de «minst kostbare administratie, biedt deze wijze van handelen de meeste voordeelen aan.»

En hiermede is de Rijksverzekeringsbank, welke de post enkel als agent bezigt, en overigens daarvan geheel onafhankelijk is, afgehandeld! — Inderdaad, zonder onbescheiden te zijn, mag om meer licht gevraagd worden, en toch vindt de ontwerper die toelichting zóó afdoende, dat hij op bl. 28 ter verklaring van art. 9 der wet, welke luidt: «Ter uitvoering van «het bepaalde in art. 1 dezer wet, is te Amsterdam eene RijksKinstelling gevestigd, welke den naam draagt van Rijksverzeke«ringsbank. De kantoren der posterijen zijn tevens de kantoren «der Rijksverzekeringsbank», volstaat met naar de zooeven gegeven raadselachtige toelichting te verwijzen !

Inderdaad, wanneer men overweegt, hoe de toelichting overal zwijgt, waar gesproken had moeten worden, en spreekt, waar het beter ware geweest te zwijgen; hoe zij verder angstvallig alle becijferingen vermijdt; dan mag men de studentikoze uitdrukking van den ontwerper tot de zijne maken en deze toelichting, hoewel hier en daar niet «niet onaardig», bestempelen als uit de «steenperiode» der Memoriën van toelichting afkomstig !

Doch hoe dit zij, Mijne Heeren, wij staan hier aan den vooravond eener beslissing. Wij kunnen niet anders. Heden of morgen zal eene wet betreffende de ongevallenverzekeringen in het Staatsblad worden opgenomen. De tijd der proefnemingen heeft men, helaas, ongebruikt laten voorbijgaan. Helaas, zeg ik, want het Nederlandsche volk is niet onwillig. De verslagen der inspecteurs van den arbeid dragen daarvan overal de sporen. Ook de toenemende belangstelling in het Veiligheidsmuseum wijst zulks uit. Maar er blijft nog'veel te doen, en juist het moeilijkste: het verzekeren der arbeiders der kleine, zeer kleine en kleinste ondernemingen. Deze staan misschien van alle het meest aan gevaar bloot, en zeer zeker hebben zij het minste kans op eene niet wettelijk voogeschreven ondersteuning. Voor hen te zorgen is de zwaarste taak van den wetgever ; want onwillekeurig denkt ieder steeds te veel aan de groote ondernemingen, waar ingewikkelde regelingen zonder moeite ingang kunnen vinden, omdat daar het bedrijf een geregeld bedrijf is.

Dit is dan ook de zwakke zijde van alle voorschriften, en Oostenrijk heeft dientengevolge zelfs het «Kleinbetneb» niet in de verzekering durven betrekken.

Dat uwe beraadslagingen vruchtbaar mogen zijn, en dat daarbij in het oog worde gehouden, dat het niet voldoende is om af te breken, doch dat óók is op te bouwen. Of, om te eindigen met datgene, waarmede ik aanving: Het is niet meer de tijd der woorden, doch der daden.