is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 38, 18-09-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M as.

444

den voorgrond gestaan heeft. Het voorstel praejudiceert niets en geeft [ alleen het uitspreken van een wensch, maar kan niet influenceeren op j de fusie.

Nadat het lid Teldebs nog enkele inlichtingen gevraagd heeft , omtrent de fmancieele krachten van het Instituut, daar het mogelijk zou zijn dat men zich voor de goede exploitatie van het Tijdschrift te ! veel voor de toekomst zou binden, en de penningmeester, het Raadslid van Bosse daarop in geruststellenden zin geantwoord heeft, wordt na nog eenige discussie besloten in eene volgende vergadering op deze quaestie terug te komen.

Daar het voorstel van den Raad om een bedrag van 10.000 gld. af te zonderen, mogelijk was geworden door de aanzienlijke gift van wijlen het lid Lebret, vond het Raadslid van Bosse hierin aanleiding om in herinnering te brengen wat ook dat lid gedaan heeft in het belang van de Indische afdeeling.

Door de afdeeling Nederlandsch Indië was het algemeen verslag betreffende hare werkzaamheden ingezonden, dat later in het tijdschrift van de afdeeling het licht zal zien.

Eene door het lid J. D. C. M. de Roos ingezonden verhandeling, bevattende enkele opmerkingen omtrent den gelijkstrooms elektromagneet, was ingekomen en in handen gesteld van eene commissie om advies.

Door de daartoe door den Raad van Bestuur benoemde commissie tot herziening van het reglement en de verordeningen was een nieuw ontwerp van zoodanig reglement aan den Raad ingediend. Het voornemen bestaat, dat het in eene opzettelijk daartoe te beleggen raadsvergadering, tegelijk met de door het lid G. B. H. F. Alpherts gedane voorstellen, tot een punt van behandeling zal worden gemaakt. Ook omtrent dit onderwerp hadden eenige voorloopige beraadslagingen plaats.

Nog was ingekomen een brief van den secretaris der Nederlandsche Vereeniging tot Voorkoming van Ongelukken in Fabrieken en Werkplaatsen ten geleide van een door die vereeniging uitgeschreven prijsvraag, alsmede eene circulaire van den zich noemenden Nationalen Zuiderzee-Bond.

Door den secretaris werd voorlezing gedaan van een door het lid A. D. T. V. van Löben Sels ingediend verslag betreffende het in Juli te Brussel gehouden congres betreffende ongevallen van den arbeid, alwaar hij op uitnoodiging van den Raad van Bestuur het Instituut had vertegenwoordigd, waarna door het lid G. E. V. L. van Zuylen, die het Instituut had vertegenwoordigd op het aldaar almede gehouden congres betreffende goedkoope woningen, daaromtrent een mondeling breedvoerig rapport werd uitgebracht.

76e Algemeene Vergadering der Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst.

Dinsdag 14 Sept. jl. vergaderde de Maatschappij tot bevordering der Bouwkunst in de societeitszaal der Rotterdamsche Diergaarde, onder voorzitterschap van den heer A. L. Salm G.Bz., van Amsterdam. Langs de wanden der zaal waren plans en teekeningen geëxposeerd van onderstaande heeren :

H. Evers en J. P. Stok Wz., de Remonstrantsche kerk en andere gebouwen; B. Hooykaas Jr., Protestantsche kerken in de JacobCatsstraat en Oranjeboomstraat; J. Verheul Dz., kantoor en pakhuis aan Houttuin en Steiger, in aanbouw zijnd huis aan de Schiekade en het Heiligegeest-gasthuis in .de Gerard-Scholtenstraat; A. W. Meyneken, Industrieschool voor meisjes, restaurant Stroomberg en huis aan de Van-Vollenhovenstraat; W. Molenbroek, plannen van het Witte Huis; B. H. Beyderwellen, de villa Cankrien.

De voorzitter der afdeeling Rotterdam, de heer H. Cramer, heette de aanwezigen hartelijk welkom. Hij herinnerde er aan dat voor 18 jaar de Maatschappij ook in Rotterdam vergaderde. Toen kon de voorzitter er op wijzen, dat Rotterdam belangrijke uitbreiding had ondergaan. Na dien tijd is het echter nog veel sterker vooruitgegaan en uit bouwkundig oogpunt biedt het thans zeer vele belangrijke gebouwen. Die alle te bezichtigen zoude ondoenlijk zijn. Tot een enkele moet men zich bepalen en hij hoopt dat de keuze daarvan de goedkeuring mag wegdragen.

Voorts drukte hij den wensch uit dat deze vergadering moge strekken tot versterking van den onderlingen band der leden en tot nut der Maatschappij.

De heer Salm dankte den heer Cramer voor zijne hartelijke woorden.

Hij noemde het, nu hij voor 't eerst de vergadering leidt, eene eer dat hij dit in Rotterdam mag doen, omdat in Rotterdam de eerste afdeeling is opgericht.

In 1849 werd door verschillende leden der Mij. gesproken over het nut van het stichten van afdeelingen, daar op die afdeelingen zeer veel goeds voor de Mij. kon worden verricht en tevens plaatselijke belangen konden worden behartigd. Van Rotterdam ging op de vergadering het voorstel daartoe uit en tevens om zulke wijzigingen in het reglement der Maatschappij te brengen om het doel te kunnen bereiken.

Het voorstel hield hoofdzakelijk in: 1°. opwekking der leden tot meerdere belangstelling; 2°. opwekking tot meerdere medewerking; 3°. de werkzaamheden der Maatschappij voor de ambachtslieden meer toegankelijk te maken, welk doel zoude kunnen bereikt worden: a. door de oprichting van departementen in die plaatsen, waar meer dan 12 leden gevestigd zijn, met een eigen bestuur, dat echter onder¬

geschikt moest blijven aan het hoofdbestuur ; b. door de algemeene vergaderingen meer tot wetenschappelijk nut te doen zijn, en deze ook meer dan ééns te houden; c. door het aannemen van departementsleden, niet in de voorrechten der algemeene leden deelende, maar die in de departements-vergaderingen gelijke stem en zitting hebben als de overige leden.

Het bestuur achtte dit eene belangrijke zaak en steunde het voorstel zooveel mogelijk. Reglementsverandering was echter noodzakelijk en daarom kon eerst in 1850 een bepaald voorstel worden gedaan.

De heer W. N. Rose van Rotterdam werd uitgenoodigd de verlangde wijzigingen te formuleeren en daarvoor een voorstel aan het bestuur te doen. Dit voorstel werd ernstig overwogen en met geringe wijzigingen goedgekeurd.

Een «Reglement voor de departementsvergadering te Rotterdam» werd tevens aangeboden en op 31 Mei 1850 vastgesteld. De algemeene vergadering hechtte hieraan hare sanctie en daarmede had de eerste afdeeling hare intrede gedaan.

Spoedig gaf deze afdeeling doorslaande bewijzen van levensvatbaarheid. IJverig werkte zij en haar voorbeeld vond navolging. Aan alles wat de afdeeling onder leiding van de heeren Rose, van Goor en Cramer heeft gedaan, werd door spreker hulde gebracht. Daarom was het ook een genoegen door den heer Cramer welkom te worden geheeten.

Na nog eenige mededeelingen van den voorzitter, het benoemen van de heeren Buls, burgemeester van Brussel, en V. Dumortier, voorzitter van het lVe internationaal congres te Brussel, tot eereleden der Maatschappij, en het samenstellen van een stembureau, werd het woord gegeven aan den heer Henri Evers, die eene boeiende voordracht hield over den bouw van de nieuwe kerk der Remonstrantsch Gereformeerde Gemeente te Rotterdam.

Spreker begon met te zeggen, zich overtuigd te houden, dat de leden der Maatschappij niet naar Rotterdam waren gekomen om een gedetailleerde lezing aan te hooren. Immers de morgenvergaderingen bleken nooit de aantrekkelijkste te zijn, maar veel meer de namiddagcursus.

In de eerste plaats bracht hij nu in herinnering wat aanleiding was geweest voor den bouw der nieuwe kerk. Reeds in 1879 en 1880 werd de behoefte aan een nieuw gebouw besproken, daar het oude niet alleen bouwvallig was, maar ook niet in de behoefte aan ruimte kon voorzien. Eene commissie werd gevormd, doch door gebrek aan geld moest het plan voorloopig blijven rusten. Dit bleef zoo tot den winter van 1894—1895, toen door de overstrooming de toestand onhoudbaar werd. Toen werd tot den bouw eener nieuwe kerk besloten en aan den heer Stok en spreker opgedragen met eene commissie uit den kerkeraad plannen te ontwerpen. Aanvankelijk werd het gebouw geprojecteerd op het oude terrein, dat echter zeer ongeschikt was. Uit die moeilijkheid werd de kerkelijke gemeente gered door het gemeentelijk bestuur, waardoor het terrein aan den Westersingel is verkregen.

Aan de hand van teekeningen, projecties, photografleën enz. ging spreker nu over tot eene beschouwing van terrein en gebouw, in- en uitwendig.

Zeer bevattelijk zette de heer Evers uiteen, op welke wijze was gewoekerd met de ruimte van terrein om een gebouw te verkrijgen, waar 1300 menschen kunnen plaats vinden, terwijl voor de noodige zijkamers, tot het houden van catechisaties, kerkeraads-vergaderingen, kleine trouwplechtigheden enz. werd gezorgd. Ook voor de zeer belangrijke bibliotheek werd plaats gevonden in het nevengebouw der kerk.

Op het verkrijgen van voldoend en gepast licht, op het gebruikte materiaal, op inwendigen bouw en versiering, op het uitwendig voorkomen werd de aandacht gevestigd, om vooral te doen uitkomen dat bij dezen bouw strenge architectuur hare eischen zag bevredigd, terwijl de symboliek niet overdreven werd, doch geheel bleef in het karakter, dat aan eene kerk moet worden gesteld. Spreker bracht hier een woord van hulde aan het kerkbestuur, dat het heeft aangedurfd, te breken met het vooroordeel van de meeste protestantsche kerkgenootschappen tegen het aanbrengen van versieringen aan een kerkgebouw. De symboliek van bouworde en versiering is naar des heeren Evers' verklaring, duidelijk, eenvoudig en geheel ontleend aan bijbelsche verhalen of hangt samen met de groote mannen der Remonstrantsche Broederschap.

De heer Salm dankte den heer Evers voor zijne klare en ware voordracht. Het levendig applaus der vergadering was bewijs hoezeer zijne uiteenzetting en verklaring werd gewaardeerd, en verzocht om na de bestek-teekeningen, welke reeds waren gezonden, nog te mogen ontvangen photografleën der kerk en hare onderdeelen, om die te reproduceeren in het Bouwkundig Tijdschrift.

Nadat de Voorzitter had herinnerd, dat de ververschingen in eene andere zaal gereedstonden en ieder zich moest gereed houden om tegen 1 uur de wandeling naar de pas beschreven kerk te aanvaarden, werd nog het woord genomen door den heer J. H. Leliman, die nog eenige gewichtige zaken, door de afdeeling Rotterdam tot stand gebracht, in herinnering bracht. Onder meer wees hij er op hoe de afdeeling was opgetreden om oude gebouwen voor afbraak te bewaren en hoe dat in velerlei opzicht met goed gevolg was bekroond. Hij spreekt den wensch uit, dat de afdeeling steeds meer moge groeien en bloeien en zich vereenige met de vereeniging «Bouwkunst en Vriendschap».