is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 43, 23-10-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE

12e Jaargang.

INGENIEUR.

Orgaan

DEE

491

1897. -12 43.

VEREENIGING VAN BURGERLIJKE INGENIEURS.

WioDlit gnjji ui ie tficMek bb ie Dcnoiii van Optee Weito bi WwMl

Priis ter Jaargang:

Franco per post.

Voor Nederland f 8.—

Voor het Buitenland met vooruitbetaling ... - 10.60 Voor leden der Vereeniging van Burgerlijke Ingenieurs

worden bovenstaande pryzen met ƒ 2.— verminderd. Men abonneert zich voor een jaargang. Over het bedrag der abonnementen in Nederland

wordt halfjaarlijks door de Administratie beschikt. Afzonderlijke nummers 20 cents. — Bewijsnummers

10 cents.

Verscnijnt el ten Zaterdag.

Abonnementen, stukken en mededeellngen, boeken brochures, enz. te richten aan de Redactie: Scbeveningsche Veer no. 7, te 's-Gravenhage.

Advertentten uiterlijk Vrijdags 12 ure des voormiddags intezenden aan de Directie en Administratie van dit Blad, Paveljoensgracht No. W. te 's-Gravenhape

Hoofdvertegenwoordiger voor Nederland: C. W. BETCKE, Advert.-Bureau, Rotterdam.

Afzonderlijke Nummers worden, voor zoover de voorraad strekt, alléén aan Abonnés geleverd.

's-Gravenhage, 23 October.

Prijs der Advertentiën:

Per regel f 0.25

Öroote letters naar plaatsruimte.

Abonnementen volgens afzonderlijke overeenkomst.

Bij eene eerste plaatsing van annonces voor Aanbestedingen is de prijs per regel ƒ0.15; bij eene tweede en meerdere plaatsing van dezelfde annonce / 0.10.

Bij abonnement op Advertentlën wordt het blad gratis toegezonden.

Verantwoordelijk Redacteur: J. van Heurn, Civ.-Ing., 's-Gravenhage.

INHOUD.

Over getijgolven. Bedevoering, gehouden door Prof. Dr. Oxto Kbümmei, te Kiel, door ï. L. Oktt. — Surinaamsch Geelhart en Demarara Greenhaert, door G. Albekts Lzn. k Co. — Staten-Generaal. — Programma van het 7e Internaal Congres voor Scheepvaart, te houden te Brussel in de 2e helft van Juli 1898. — Statistieke Mededeelingen. OpbreDgst en vervoer van Spoor- en Tramwegen. — Weerkundige WaarnemiDgen. — Rivierberichten. — Binnen- en Buitenlandsche Berichten. — Benoemingen, verplaatsingen. - Open betrekkingen. — Gezochte betrekkingen.

Over getijgolven.

Bedevoering, gehouden door Prof. Dr. Otto Keümmel te Kiel.

-et verschijnsel der getijden, of, zooals men het meer ' algemeen noemt, van eb en vloed, bestaat zooals » bekend is in een stüsrins: en daling van den water¬

stand aan de zeekusten, 't welk tweemaal per etmaal vindt. De periode van dezen op- en neergang be-

plaats vindt. De periode van dezen op- en neergang Dedraagt ongeveer 12J- uur, zoodat op het eerste hoogwater na een tijdsverloop van 6J uur het eerste laagwater, dan weder na 6J uur het tweede hoogwater volgt, en zoo verder. Op de meeste kustplaatsen is de hoogte van de beide hoogwaters op eenzelfden dag niet onderling gelijk; nu eens is het hoogwater, dat des daags valt, het hoogste, en dan weder dat, 't welk 's nachts optreedt.

Verder is bekend dat de vloedhoogte, dat is het verschil in waterstand tusschen hoog- en laagwater, eveneens regelmatig af- en toeneemt, en wel in een periode van 14 dagen, en dat dienovereenkomstig langs de kusten onderscheid gemaakt wordt tusschen spring- of giertijden en doode tijden. In Helgoland b.v. is de vloedhoogte bij springtij 2.8 M., dat is een meter meer dan bij doodtij, wanneer de vloedhoogte 1.8 M. bedraagt.

Dat het invallen van den vloed van dag tot dag inderdaad afhangt van de plaats, die de maan aan den hemel inneemt, was aan de ouden reeds bekend. Doch Newton is de eerste geweest, die in de onderlinge aantrekking zoowel van de aarde en maan als van aarde en zon de krachten gevonden heeft, aan welke de opwekking van eb en vloed is toe te schrijven. Hij toonde hoe zoowel de aantrekking der maan als die der zon elk een tweetal golven, doet ontstaan, die een afstand onderling bezitten gelijk aan den halven omtrek der aarde.

De toppen van een zonne- en een maangolf vallen samen ten tijde van volle of nieuwe maan en vormen zoo de springvloeden, terwijl de doode tijden daardoor ontstaan dat de top van do eene golf samenvalt met het dal van de andere', 't geen ten tijde van eerste en laatste kwartier het geval is. Eveneens toonde Newton aan hoe 't onderscheid der beide hoogwaters op eenzelfden dag afhangt van de declinatie, dat is de boogsafstand van maan of zou tot den aequator des hemels.

Deze belangrijke ontdekking van Newton bewoog in 1738 de Academie van Wetenschappen te Parijs een prijsvraag uit te schrijven, welke de vraag stelde voor een willekeurig aantal plaatsen in een oceaan, waarvan de afmetingen gegeven zijn, de getij verschijnselen door berekening te bepalen. Dit vraagstuk is destijds niet opgelost en is tot op den huidigen dag onopgelost gebleven.

Dat de Academie nochtans een prijs uitkeerde, en wel aan Daniël Bernouilli, geschiedde omdat deze een uitstekende, duidelijke voor¬

stelling der theorie van Newton gegeven had en een methode had uitgewerkt teneinde op grond van voorhanden waarnemingen het optreden van vloed en eb van te voren te voorspellen. De Academie was toen ter tijde onder den indruk van de indrukwekkende uitkomst der wiskundige sterrenkunde', die met haar uiterst scherpe methoden het optreden van bepaalde verschijnselen des hemels, zooals b.v. zons- en maansverduisteringen voor duizenden jaren vóór- of achteruit, voor elk punt der aarde, op dag en uur nauwkeurig, uitsluitend door berekening kan. afleiden.

Maar het verschijnsel der getijden is voor zulk een mathematische behandeling volkomen onvatbaar; en wat in de geheele vorige en in de eerste helft van deze eeuw op dit gebied gewerkt is beweegt zich steeds in dezelfde richting als de arbeid! van Bernouilli : dat wil zeggen, tracht uit de studie van, voorhanden, zoo talrijk mogelijke waarnemingen voor een bepaalde plaats het karakter der getij verschijnselen aldaar af te leiden en deze weer als uitgangspunt te nemen tot het vooruitberekenen van getijtafels, uit welke de zeelieden zien kunnen op welk uur zij in een bepaalde havenplaats het optreden van het hoogwater kunnen verwachten.

Dat de zoogenaamde evenwichtstheorie van Newton niet voldoende was voor een volledige verklaring der werkelijk waargenomen verschijnselen van eb en vloed, is het eerst door Laplace opgemerkt; doch deze onovertroffen wiskundige was evenmin in staat een betere', meer toepasselijke theorie in hare plaats te stellen. Dit laatste gelukte eerst aan den Engelschen sterrenkundige Sir Georgk Biddell Airt, nu 55 jaar geleden.

De moeielijkheden, die optreden wanneer men een wetenschappelijke beschouwing van het verschijnsel wil geven, schenen (en zoo is 't nog) in dezelfde mate toe te nemen, als men van steeds nieuwe kustplaatsen de waarnemingen, bestudeerde en de uitkomsten wilde verklaren. Hier golden blijkbaar geen regels meer ; alles scheen van plaats tot plaats te veranderen.

Vooreerst de vloedhoogte ('t verschil in waterstand bij hoog- en hij laagwater). Deze is op geïsoleerde eilanden in. den. Oceaan gering en blijft dikwijls minder dan een meter; zoo is de springvloedhoogte te Tahiti 40 cM., te Asoension 60, te St, Helena 90, in St. Georgië 80 cM.; maar op andere soortgelijk gelegen Oceanische eilanden komen twee- of driemaal zoo groote waarden voor: de Azoren hebben b.v. een. springvloedhoogte van 1.2 M. en Madeira zelfs 2.1 M.; de Marqueras-, Samba-, Tonga-, Gilbert- en Marsehalleilanden in de Stille Zuidzee 1.2 tot 2 M. tegen 80 cM. te Honolulu. Aan de kusten van het vasteland worden daarentegen vloedhoogten waargenomen niet slechts van 3.5 en 8 M., maar aan de Fransche Kanaal-kust en de baai van St. Miohel zelfs van 11 M., te Granville van 12,4 M. en de golf van Bristol van 13, ja enkele malen tot 16 M. bij springvloed. Doch zelfs deze cijfers worden in de schaduw gesteld door de beroemde reuzenvloeden der Fundybaai a&e die Amerikaansche kust tusschen N. Brunswijk en N. Schotland, waar de gewoïie springvloeden 14 M. hoog zijn, doch in de Codiac-rivier stijgen kunnen tot 20 M.

Andere zeeën, die niet of door een smalle opening met den Oceaan in verbinding staan, hebben bijna onmerkbare getijden : zoo b.v. de Middellandsche zee, waar de springvloedhoogte te Touloii slechts 14 cM., en in de Golf van Napels 34 oM. bedraagt; of de Oostzee, waar de vloedhoogte te Kiel 7 cM., te Memel 1 cM. groot

De Vereeniffins Tan Bnrgerlilke Ingenieurs stelt ziel in seenen deele verantwoordelijk voor Je denkbeelden in de onderscheidene bijdragen ontwikkeld of toegelicht.