is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 12, 1897, no 51, 18-12-1897

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M &l

606

hetgeen aan het volgende voertuig ten goede komt. Eene zoodanige werking plant zich tusschen twee voertuigen m V25 seconde voort en doorloopt de lengte van een 600 M. langen trein in circa 2 seconden. In de laatste jaren is echter voor treinen met met buitengewoon groote snelheid, zooals er thans in Amerika tusschen New-York en Buffalo en tusschen NewYork en Washington loopen, deze snelwerkende rem weder verbeterd. Ter verkrijging van de gunstigste werking is het

namelijk noodig, ae remnracni te vaneereu evcmcmg de snelheid van den trein. Daartoe werd bij deze Westinghouse-rem voor treinen met buitengewoon groote snelheden (high speed brake) de aanvangsdruk bij het remmen verhoogd, terwijl deze afneemt naarmate de snelheid vermindert. De inrichting waardoor dit bereikt wordt, bestaat uit de reeds geschetste Westinghouse-rem met versnelde werking, voorzien van eene automatische reductieklep. Deze reductieklep is met den remcilinder door een pijpje verbonden en blijft buiten werking, wanneer de druk in den remcilinder 4J/4 atm. (60 Eng. pond per vierk. Eng. duim) niet te boven gaat. Wordt echter de druk grooter dan dit bedrag, dan wordt door de klep deze toch op 4»/4 atm. teruggebracht, uitgezonderd voor eene zeer snelle stopping, wanneer de luchtdruk in den remcilinder zeer hoog is en niet kan dalen, voordat de trein aanmerkelijk aan snelheid heeft verloren. Bij deze rem is a„ Amïr ;n Aa t.T-oinlpirlinc pn de hnlnreservoirs van 5 atm.

op 73/4 atm. gebracht, zoodat bij een zeer snelle stopping men 6 atm. in de remcilinders krijgt. Daardoor wordt de remkracht van het gewone cijfer van 90 °/0 van het gewicht van het voertuig op 125 °/0 daarvan verhoogd en is dus ongeveer 40 °/0 grooter dan bij de snelwerkende rem.

Wegens den hoogen druk in de hulpreservoirs kan een gewone remming worden verkregen (waarbij er + 4V4 atm. in den remcilinder komt) en nog een druk van 7 atm. in de hulpreservoirs overblijven. Indien na lossing der remmen nog een tweede remming noodig is (zonder dat er tijd is geweest om de leiding en de reservoirs weder bij te vullen) dan kan zulks geschieden en zelfs nog een derde, terwijl er dan nog genoeg druk overblijft voor eene snelstopping gelijk aan die met de snelwerkende Westinghouse-rem verkregen.

Reeds 3 jaar geleden is deze rem bij de „Empire State Express"-treinen van de New-York & Hudson River Railroad ingevoerd en voldoet daar uitnemend. Gedurende dien tijd is er bij'daarmede geremde treinen geen enkel geval van platte plaatsen aan wielbanden voorgekomen.

In 1894 is eene reeks proeven met deze rem genomen op de „Pennsylvania Railroad" met een trein bestaande uit 6 rijtuigen. Deze proeven toonden aan, dat bij een snelheid van ruim 100 KM. per uur eene stopping op ongeveer 135 M. kleiner afstand kan geschieden dan met de snelwerkende Westinghouse-rem. Sinds dien tijd zijn ook de snelloopende

„Congressional Ldmitecr -tremen van ue jreimoyivaui» road tusschen New-York en Washington van die rem voorzien, over welke men zeer tevreden is. De op de figuren 1 tot en met 3 op schaal aangegeven diagrammen stellen het verschil in afstand van stoppen voor met de drie luchtremmen. Pig. 4 stelt eene verticale en fig. 5 eene horizontale doorsnede voor van de automatische reductieklep, welke door middel van eene flens X aan het voertuig is bevestigd.

De ruimte d is steeds in verbinding met den remcilinder en dus de zuiger 4 ook blootgesteld aan den daaraan heerschenden druk, terwijl van den anderen kant deze zuiger door de spiraalveer 11 wordt omhoog gedrukt. De weerstand van deze veer kan geregeld worden door de schroef 12.

Met zuiger 4 is stang 6 verbonden, waarop het schuifje 8 zich tusschen twee kragen bevindt. Dit schuifje 8 is in doorsnede in de fig. 6 tot en met 8 aangegeven en heeft eene driehoekige opening ft, welke steeds in verbinding met de ruimte d is, terwijl het stuk, waarover het heenglijdt, eene opening a heeft, welke steeds met de buitenlucht in verbinding staat. In de fig. 4 en 6 is het schuifje 8 geteekend in den stand, waarbij de druk in den remcilinder, en dus in d, 4'/4 atm. niet overschrijdt (door regeling van de schroef 12 verkregen). Alsdan is de opening b niet in verbinding met de sleuf a en wordt de druk van 4>/4 atm. in den remcilinder (voor eene gewone stopping) behouden. Wanneer echter de druk 4!/4 atm. te boven gaat, bij gewone remming, dan wordt zuiger 4 met het schuifje 8 naar beneden bewogen tot in den stand in fig. 7 aangegeven. Dan kan de lucht uit den remcilinder door de openingen b en a uitstroomen, totdat weder de druk op bovengenoemd bedrag is gedaald en het schuifje

8 door de veer weer in zijn vorigen stand is teruggebracht De stand van het schuifje in fig. 8 aangegeven, is die bij eene buitengewoon snelle remming. Dan wordt zuiger 4 plotseling naar beneden tot op de bedding bewogen en kan de hooge luchtdruk in den remcilinder thans door het uiterst kleine gedeelte der opening ft, hetwelk zich voor a bevindt, slechts zeer langzaam dalen en heeft de trein reeds aanmerkelijk in snelheid verloren, alvorens de druk tot op 4*/4 atm. gedaald is. Bij het teruggaan van den zuiger 4 met het schuifje 8 geschiedt de uitlaat van de lucht door de driehoekige opening b in snel aangroeiende mate.

De behandeling van deze rem door den machinist geschiedt geheel op dezelfde wijze als bij de snelwerkende Westinghouse-rem .

Utrecht, October 1897.

W. H. van Druten,

Ingenieur S.S.

INGEZONDEN STUKKEN. De afdeeling voor architecten aan de Polytechnische School.

In „De Ingenieur" van 11 December j.1. wordt in eene uitvoerige bijdrage behandeld het stichten van afdeelingen aan de Polytechnische School.

De schrijver zegt daarbij, onder meer, dat het bestuur eener thans op te richten bouwkundige afdeeling enkel zoude bestaan uit den Hoogleeraar voor schoone bouwkunst, en de leeraren voor decoratieve bouwkunst en boetseeren.

Hoewel nu m. i. in dat afdeelingsbestuur zeer goed plaats zou kunnen zijn, ongerekend voor andere docenten, voor den Hoogleeraar in de burgerlijke bouwkunde, en voor de leeraren in kunstgeschiedenis, figuui teekenen en kennis van bouwstoffen, waardoor die afdeeling een aantal bestuurders zoude bezitten, gelijk aan dat aan de door den schrijver geschetste chemische-mijnen afdeeling, beperkt hij in hoofdzaak de vakken der bouwkundige afdeeling tot die waarin aan de bouwkundigen een onderwijs wordt verstrekt, dat door de a. s. civiel-ingenieur niet wordt genoten.

Nochtans deelt de schrijver de _ architectuur afdeeling eenvoudig bij de waterbouwkundige in. .

Het wil mij voorkomen dat nierm ïexs uegenanyuigD m gelegen.

Worden toch de vakken der tegenwoordige B studie van het programma weggenomen dan verschilt de opleiding, die aan den architecten moet ten deel vallen, zoozeer van die, welke den civiel-ingenieurs toekomt, dat samengaan m een afdeeling weinig reden van bestaan heeft.

Elders zijn de studiën voor werktuigbouwers, scheepsbouwers en die voor technologen en mijnen-ingenieurs nog wel eens in eene afdeeling vereenigd, doch voor civiel-ingenieur en architecten zijn overal geheel gescheiden vakscholen mge-

St6Het is juist een tamelijk algemeen erkende fout van de inrichting der Polytechnische School dat de opleidingen tot civiel-ingenieur en tot architect te veel samengaan, en die fout is, met het oog op den bloei der school, zoo belangrijk, dat een der eerste maatregelen, die dienen genomen te worden moet zijn eene verbetering in deze richting, uit den aard der zaak ook door aanvulling van het docenten-corps.

Elke bestendiging van dien toestand is dan ook naar mijne inzichten bedenkelijk te achten. ,

En zulke bestendiging, ook maar tijdelijk, is niet noodig omdat het aan geen bezwaar onderhevig kan zijn dat eenzelfde docent in het bestuur van meer dan eene afdeeling

zitting neemt. „

Een Aechitect.

Afdeelingen aan de Polytechnische School.

Het artikel van R(ex), over bovengenoemd onderwerp, opgenomen in het nummer van dit blad van 11 December j.1., geeft mij aanleiding tot een paar opmerkingen. De schrijver houde mij deze ten goede. ,

R(ex) vermeent dat het noodig en wenschehjk is dat, alvorens eene nieuwe organisatie van het Technisch Hooger Onderwijs tot stand komt. een welgeordende overgangstoestand wordt in het leven geroepen. , „,„j„„

Juist dit moet m. 1., zoo het doenlijk is, worden vermeden.