is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 1, 01-01-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

M f.

voet van 1845 tot 1897 gemiddeld 48 M. en beide zijn niet verdedigd teo-en het aeweld der stormvloeden.

Dan volgt de polder Callantsoog met de Rijks-en polderzeeweringen tusschen de palen 14 en 10 en benoorden Callantsoog het in 1819 bedijkte Koegras, dat van de Noordzee is afgesloten door den zanddijk van Oldenbarneveld, die in 1610 is gelegd. Voor dien dijk is eene smalle lage duinenrij aangestoven, die meermalen door de stormvloeden is aangetast en doorgebroken.

De quaestie betreft nu de zeewering van den polder Callantsoog en die van het Koegras, zijnde de dijk van Oldenbarneveld tijdelijk nog beschermd door eene smalle voorliggende duinenrij.

Al de zeeweringen, waarvan ik hier sprak, zoowel die welke dooide natuur als die welke door menschenhanden zijn gemaakt, bestaan uit zand en zijn niet tegen hevige stormvloeden bestand.

Uit de inlichtingen die de Minister heeft verstrekt naar aanleiding van het Voorloopig Verslag en het Eindverslag, blijkt, en dat is ook naar mijne opvatting het geval, dat die beide zeeweringen niet betrouwbaar zijn en dat, al behoeft er, volgens de overgelegde rapporten van den hoofdingenieur van 1 en 4 December 1897, geene vrees voor oogenblikkelijk gevaar te bestaan, de stormvloeden van 22 en 29 November 1897 bewezen hebben, dat wettelijke regeling van den onderhoudsplicht dezer beide zeeweringen urgent is. De Minister heeft in de Memorie van van Antwoord erkend, dat voorziening niet lang meer kan uitblijven; doch hij geeft in die Memorie den wensch te kennen nog voor korten tijd diligent te worden gehouden. Aan dezen wensch wil ik wel voldoen, maar met het oog op de groote belangen, die hier op het spel staan, vertrouw ik, dat binnen weinige maanden het vraagstuk in den eenen of anderen zin tot oplossing komt. Hoogstwaarschijnlijk, bijna zeker, zullen daarvan kostbare werken het gevolg zijn, maar als ik naga dat het door de stormvloeden aangevallen noorderstrand van het eiland Vlieland door den aanleg van 52 strandhoofden, die ongeveer f 20 000 per stuk kosten, over 9400 meter lengte, tegen verdere afneming beveiligd wordt, dan mag wel worden aangenomen, dat de verdediging van de Noordhollandsche zeewering tusschen de palen 18 en 13 over 15 000 meter lengte door samenwerking van alle belanghebbenden geen onoverkomelijk bezwaar zal zijn. En hierbij moet niet uit het oog worden verloren, dat wanneer met de strandverdediging gewacht wordt tot de buitenduinregel vernield is, de kosten van de kunstmatige verdediging van de zeewering, in groote mate toenemen.» _

In ongeveer gelijken zin sprak het nieuwgekozen lid, de heer Kool, die aan het slot zijner rede met klem de hoop uitsprak, dat de Minister «tijdig de 'hand aan den ploeg zal slaan en niet eerst zal uitmaken op wie de onderhoudsplicht der zeeweringen rust, maar, vóór

het werkelijk te laat is, de maatregelen zal doen nemen, uie incu uci oog op de onbekendheid met den dag van morgen, geen uitstel mogen lijden».

De Minister trachtte de heeren gerust te stellen.

«Toen ik als hoofd van dit Departement optrad, — sprak Z. E. — heb ik mij dadelijk persoonlijk overtuigd van den toestand der zeewering, en ik heb toen den indruk gekregen dat er geen onmiddellijk gevaar' bestond, maar toch tevens dat vrij spoedig eene regeling van deze aangelegenheid noodig zoude zijn.

Nu was het altijd . mijne meening, dat, afgescheiden van de vraag op wie de verplichting tot onderhoud dier zeewering rust, het tot de bevoegdheid der Staten van Noordholland behoorde daaromtrent eene regeling in het leven te roepen.

Ik heb mij voorts tot de Staten dier provincie gewend met een voorstel om tot eene scheiding der te onderhouden objecten te geraken, waardoor een gedeelte bij het Rijk kon worden gevoegd, een ander gedeelte bij den polder Callantsoog of wel bij de provincie. Gedeputeerde Staten hebben zich daarop onmiddellijk bereid verklaard eene waterschapsregeling te beproeven, maar het spreekt vanzelf dat zulk eene regeling niet binnen enkele maanden tot stand kan worden gebracht. Niettemin heb ik op spoed aangedrongen en aan de Gedeputeerde Staten medegedeeld, dat, indien de zaak met spoedig werd geregeld, ik mij verplicht zou zien een wetsontwerp bij de Vertegenwoordiging in te dienen, om de zaak langs wettelijken weg te regelen. Gedeputeerde Staten hebben zich evenwel niet alleen bereid verklaard de zaak zoo spoedig mogelijk ter hand te nemen, maar mij tevens medegedeeld dat zij genegen' blijven om maatregelen van voorziening te nemen, zoover die noodig blijken tusschen de Pettemer zeewering tot aan 350 M. benoorden strandpaal 10 (met uitzondering van de daarin begrepen «zeewering van Callantsoog»).

Waar uit deze mededeeling blijkt, dat de Staten zullen optreden indien er in den aanstaanden winter eenig gevaar mocht ontstaan, daar is mijnerzijds ook geen bezwaar om, in afwachting van het voorstel van de Staten van Noordholland, van de indiening van een wetsontwerp voorloopig af te zien, daar in die omstandigheden zonder bezwaar nog wel enkele maanden uitstel kan worden verleend.»

Niet geheel tevreden met dit antwoord toonde zich de heer Kethaan Macaré. Herinnerende aan het oude «deliberante Senatu penit feaguntum», vroeg hij den Minister pertinent of er geen mogelijkheid was om. hangende de onderhandelingen met Ged. Staten, de noodige werken op kosten van ongelijk te doen uitvoeren. .

Indien er oogenblikkelijk gevaar ontstaat — antwoordde de Minister — dan móet en zal er zoo gehandeld worden. Ged. Staten verklaarden zich daartoe bereid ten aanzien van het gedeelte der zeewering voor Callantsoog, waarvan het onderhoud niet tot het Rijk behoort en de Reo-eering zal zulks doen voor het gedeelte, waarvan naar s Ministers meening het Rijk den onderhoudsplicht behoort te dragen.

Een «blijvende» voorziening echter, een zaak van niet zoo eenvoudigen aard, kan — aldus besloot Z. E. — onmogelijk in korten tijd tot stand worden gebracht.

Wij hopen dat de Minister de voldoening zal mogen smaken deze lastige ingewikkelde zaak tot een goed eind te brengen.

Twee Friesche belangen kwamen vervolgens ter sprake.

De heer Schaafsma wees op de noodzakelijkheid eener betere communicatie tusschen Ameland en den vasten wal. Het liefst zou bij zien, dat de Regeering de Maatschappij tot Landaanwinning zoo afdoende hielp, dat de dam op deugdzame wijze hersteld kon worden maar vond de Regeering hiertoe geen vrijheid, dan pleitte hij voor aanleg van de noodige steigers en voor subsidieering van een stoomvaartverbinding.

De heer Bouwman vroeg, met volle waardeering van hetgeen door dezen Minister vroeger voor de Haven te Harlingen was gedaan, medewerking om tot opheffing van het gebrek aan plaatsruimte voor binnenschepen in de haven te geraken.

Beide heeren ontvingen een bevredigend antwoord.

Binnen de grenzen van het mogelijke, verklaarde de Minister zich tot hulp bereid. , , ,

Iets minder beslist liet Z. E. zich uit tegenover den heer van Bylandt, die met eenigen schroom zijn oude stokpaardje, de afwerking van het Apeldoornsch kanaal van stal haalde. Wel zou de Minister gaarne ook hier hulp verleenen, maar het hooge bedrag der kosten, 2M ton, is een groote belemmering.

Voor een sterker vuur zag de Minister zich geplaatst, toen bij art. 78 zijn voorstel tot het bouwen van een vischhal te IJmuiden aan de orde kwam De aanval geschiedde in hoofdzaak van twee zijden.

Ofschoon in beginsel niet tegen 's Ministers bedoeling, stelde de heer de Waal Malefijt met de heeren van de Velde, Mutsaers, van der Kun en de Boer bij amendement voor, het voor den bouw uitgetrokken bedrao- uit deze begrooting te lichten, teneinde den Minister in de trelegerTheid te stellen een, huns inziens, beter voorbereid voorstel bii afzonderlijk wetsontwerp aanhangig te kunnen maken. En aan dit amendement werd steun toegezegd door den heer L.eftinck, die de zaak aan het particulier initiatief wenschte te zien overgelaten.

Dat deze zeer uiteenloopende motieven een onzuivere stemming tengevolge zoude hebben, stelde de heer Tydeman helder inliet licht, doch noch deze opmerking, noch de wederlegging zijner bezwaren door den Minister en door verschillende sprekers, waaronder de heeren Conrad en Krap, die Z. E. krachtig ter zijde stonden, konden de voorstellers bewegen hun amendement terug te nemen.

Welke waren in hoofdzaak die bezwaren ?

J. . , j„ ..„,)„ „„„ Aar. haar Malefijt. de auaestie der

spoorverbinding. Spr. achtte de Regeering in dit opzicht te royaal tegenover de H. IJ. S. M. t . ,

Dan, de twijfel of de haven wel voldoende diep en groot is en de hal wel ruim genoeg ontworpen werd.

In de clerde plaats de misbruiken, die tegenwoordig bij den afslag van visch te IJmuiden schijnen plaats te hebben. _

EindeHjk de retributie-quaestie Terwijl J^^^J^ heffina van retributie voor het gebruik van de hal in bet midden liet en de Zister zijnerzijds zich in het debat ongeneigd betoonde om hiertoe over te gian, wilden de heeren Malefijt c. s gesteund door vèrXidene andfre leden, bij de voordracht uitgemaakt zien, dat wel

"HÏtmt' rfvoof daTt bestrijders van het amendement die bedenkingen grootendeels hebben zoeken te ontzenuwen

Wa de spoorverbinding voor rekening van het Rijk betreft - een zaak van niet zoo overwegend financieel belang nu de H. IJ. b. JM. bereid is de kosten der omlegging van den hoofdspoorweg en de bouw van een nieuw station te dragen - de Minister wees er op, dat een soort monopolie in het leven zou worden geroepen indien men de no en «op de haven en de hal, op Rijksterrein gelegen ,n handen Sf aan een particuliere maatschappij». Hetgeen van het Rijk is, zeide 7 F moet ten algemeenen nutte worden gebruikt en ook eventueel ten dienste staan van iedereen, die daarvan gebruik zou willen maken Omtrent de grootte en diepte der haven gaf de heer Conrad in de navolgende woorden een zeer geruststellende verklaring.

Toen men besloot te IJmuiden eene haven te maken werd men daarbij oorspronkelijk geleid door de behoefte om ^ene ligplaats te hebben voor de vele visschersschepen die in de haven te IJmuiden Wnnenvielen en die daar de groote scheepvaart erg belemmerden Du „ e aanleiding om voorde visschersschepen eene B^derkg llaats te maken. Daarvoor heeft men over eene zekere oppervlakteiden S"onteigend. Men is toen begonnen met de duinen af toP«™ en verder, tot zekere diepte, te ontgraven: het zand werI benuttigü tot het storten van den dam te Schellingwoude >n t IJ. Men 'elk^° daardoor nagenoeg voor hetzelfde geld dubbel• werk &fc^t™ °P

lengte en 145 breedte. Er bestaat dus gelegenheid om de haven op £&£ wij- y-S-a ïïSSlïo deSen1.61' gemeent6 U71? deX" St "llg^de bodem van de haven 510 M. onder A P Bii vloed rijst het water tot 0,71 boven en bij ebbe daalt het tot 0.92 M. onder A. P., zoodat men bij hoog water heeft eene diepte