is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 4, 22-01-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

37

M 4.

te debiteeren, volgens de bekende formules 0.29 M. verval verlies absorbeeren.

De schutsluis (bedoeld sub l) waarvan de richting haaks op die van den stroomdraad of evenwijdig van de stuwkruin is aangenomen, komt vlak naast de inlaatsluis te liggen en dus hoogstens 50 M. van de stuwkruin en meer in het bijzonder van de twee onder m vermelde spui-openingen. De prauwen zullen dus een zeer gevaarlijken draai moeten maken en als deze laatste openstaan veel kans hebben in die spuiopeningen terecht te komen. Om dit te vermijden heeft men bij de Narorastuw (Bevl. pl. 17 fig. 7a) het scheepvaartkanaal een paar honderd meter stroomop laten beginnen. Ook bij de gegeven situatie pl. II fig. 4b van de Dehreestuw is dit het geval, terwijl blijkens de niet zeer duidelijke situatie der Godaverystuwen aldaar de onmiddellijke nabijheid van spui- en schutsluizen evenzeer vermeden schijnt te zijn.

De openingen der inlaatsluizen zijn 5.60 M. (k), die der spuisluizen 4 M. (ni) wijd, beide met Stoney's schuiven te sluiten. Voor eene goede regeling van het peil en bij onverhoopte bezwaren met een der deuren schijnen de eerste wel wat groot. In Britsch-Indië heeft men bij het Gangeskanaal juist de openingen van 20 voet tot de helft willen terugbrengen, bij het beneden-Gangeskanaal te Narora zijn 30 openingen van 7 voet, bij de Hemavutty-stuw (Bevl. bl. 218) zijn er 10 van 3^2 voet, enz. Ook in Italië (zie het rapport van Ing. Grinwis Plaat) heeft men bij het Villoresikanaal 30 openingen van slechts 1.50 M., bij het Casale-kanaal 8 openingen van 1.10 M. Het stelsel der Stoneyschuiyen, dat voor zoover ons bekend is nog nimmer op inlaatsluizen is toegepast, maakt in Engeland het onderwerp van een patent uit (volgens een advertentie zijn de makers Ransome & Rapier 32 Victoriastreet Londen S. W. en Waterside Works te Ipswich). Het is nog onzeker of de losse rolbeugels en de staven voor waterdichte sluiting in slibhoudend water zullen voldoen, zoodat het behalve om redenen van billijkheid, wel zaak schijnt zich voor eene gegarandeerde uitvoering tot de bezitters van het patent te wenden.

Het aantal en de grootte der spui-openingen komt onvoldoende voor om de geul- en bankvorming boven de stuw in bedwang te houden. Eene verdeeling over drie punten_ als bij de Soane (zie de situatie fig. 4b van pl. II) schijnt minstens noodig. Bij genoemd werk zijn de valdeuren, stelsel Foüracres toegepast (Bevl. bl. 304) en de wijdte der gezamenlijke spuiopeningen is daar ongeveer % van de stuwlengte. Naar dien maatstaf zouden de openingen bij 180 M. kruinlengte minstens te zamen 20 M. moeten wezen. Overweging verdient het maken van een doorgaand beweegbaar gedeelte op de kruin, omdat men dan tevens bij bandjir zoo belangrijk minder hoog stuwt. Als zoo iets mogelijk is bij de stuw _te Goulburn en elders, dan is het de vraag, waarom hier niet. De Solostuw, als sleutel van zulk een belangrijk irrigatiestelsel zal toch steeds onder uitnemend toezicht moeten staan. Bovendien is zulk een stelsel automatisch te maken (zie het systeem der omlaag glijdende schuiven van Reynold bij den Bhatgardam in Bückley's laatste werk).

Het aan eene zijde plaatsen der spui-openingen heeft nog een nadeel, waarop een oud-collega onze aandacht vestigde en dat bij een aantal Indische stuwen wordt opgemerkt, dat de stroom namelijk benedenstrooms gericht wordt op den oever, die toch reeds min of meer inscharend is en dat daar later kostbare voorzieningen noodig worden.

Volgens ons bescheiden inzien had bij het ontwerp voor de Solo-stuw eene uitvoering in de rivier zelf en niet in eene doorgraving op den voorgrond moeten staan, terwijl op het kunstwerk zelf de hierboven ontwikkelde aanmerkingen zijn te maken. Hoe het ontwerp in allen deele had behooren te zijn en op welke wijze van de tot dusver gevolgde werkwijze moet worden afgeweken, kan bij gemis aan meer kennis van het onderwerp dan het Verslag der B. O. W. oplevert, hier niet worden aangegeven, doch zal uit eene vergelijkende kostenberekening moeten blijken. Zoowel eene doorgaande a, fonds perdu gestorte helling van ruwe steen, als een gemetselde trapstuw kan vermoedelijk in aanmerking komen en als men nog veiliger gaan wil, dan verdient het misschien aanbeveling door een viertal geheel afzonderlijke stuwen op onderlingen afstand van een paar honderd meters het verval voorgoed te verdeelen op de wijze zooals de stuwen voor het Nira-kanaal zulks in twee trappen doen (Ind. afl. K. I. v. Ing. 1893/94, bladz. VI). Vooral bij een werk als dit zal men slechts met de uiterste

omzichtigheid van het gebruikelijke mogen afwijken, ter vermijding van de gebreken in de redeneeringen, waardoor een oogenschijnlijk goed ontwerp den toets der uitvoering niet blijkt te kunnen doorstaan. De blaam valt bij zulk een teleurstelling niet alleen terug op den ontwerper, maar op allen, die hadden kunnen medewerken om die gebreken te ontdekken.

Het is dan ook juist gezien van den heer Stuart Murray, die blijkens het bericht in „The Engineer" de voorrede zijner beschrijving van de Goulburn-stuw besloot met de mededeeling, dat hij dit stuk samenstelde o. a. „in order that the details of a work so important and costly may be subjected to the fullest and widest criticism".

Vooral waar die critiek nog zooveel mogelijk preventief kan werken, meenen wij dat zij ten volle gewettigd is.

Den Haag, 23 Nov. 1897. J. E. de Meijier.

Beschouwingen over de boombeplanting: langs wegen.

Voor wegen langs kanalen of vaarten, die veel door visvaartuigen worden bevaren, is alle houtbeplanting te ontraden.

Langs de zuidzijde van grind- of schulpwegen, wier ligging weinig boven den zomerwaterstand reikt, is boom beplanting niet gewenscht, omdat zon en lucht aan den weg worden ontnomen en daardoor het onderhoud moeielijker en duurder wordt. Wil men laatsten aan eene beplanting opofferen, dan moet zoo mogelijk gezorgd worden, dat de bermen tusschen de boomen niet hooger liggen dan de weg, zoodat al het op den weg vallende water, snel wordt afgevoerd.

Vruchtboomen maken te groote kruin en hebben te laag hangende takken en vorderen daardoor te veel breedte van weg en bermen, om voor Nederland, met zijne smalle wegen in het algemeen, in aanmerking te kunnen komen.

De keuze van boomsoorten moet rekening houden met de ligging en den bodem van den weg en zich bepalen tot die soorten, die, kan het zijn, eenigszins sieren en toch niet te langzaam groeien.

Hieruit volgt, dat langs of nabij zeekusten op den bodem en ook op den wind moet gerekend worden en dus daarvoor alleen die boomsoorten kunnen dienen, die veel wind verdragen kunnen zooals de populier, de esch en de eik.

Daar de wortelgroei zich nimmer tot beneden het laagste zomerwater uitstrekt, volgt mede als vanzelve, dat men den lindenboom en den eik met hunne meer diepere wortels geen plaats geve in zeer lage gronden.

In kleiachtige en zavelige gronden, mits vrij van steen- of krijtlagen, wil de abeel of witte populier, de esch, de eik, de iep, de beuk, de lindenboom en de grijswitte els zeer goed tieren'. De eik, de beuk en de els houden echter niet van zwaren kleigrond.

Zijn de wegen laag en dus meer vochtig, dan komen in aanmerking de wilg, de wilde kastanje, de zwarte els, de ahorn of eschdoorn en de zwarte populier.

De haagbeuk en de blanke berk groeien goed, al is de grond steen- en kalkachtig, doch dulden geen zware klei.

Op meer dorre zandgronden is slechts de aanpoot van berk en dennenboom aan te bevelen.

De onderlinge afstanden, waarop men in de lengtelijn der bermen, de boomen zal dienen te planten, kan zijn 5 M. voor dennen, berken en elzen, 8 M. voor de wilde kastanje en den lindenboom, terwijl voor de overige soorten 6 M. voldoende is.

De keuring van te leveren boomen moet zich als eerste voorwaarde stellen, eene rechte gave stam met zoo min mogelijk ontroofde takken en wortels en over 't geheel een krachtig en frisch aanzien.

Daarbij moet men zich niet laten wijsmaken, dat men niet alleen rechte stammen leveren kan, want het is een feit, dat men ze overvloedig kan aankweeken en dat de kromme en slechte kwaliteit geen innerlijke waarde hebben en de goede aankweek hinderlijk is, waarom ze door de boomkweekers dienden te worden afgemaakt, evenals de Spartanen zulks met hunne zwakke en gebrekkige kinderen deden.

Zoo ook behoeven de takken en wortels niet vóór delevering te worden gesnoeid of zoogenaamd verjongd

Dit moet op het terrein geschieden, en alleen in zooverre, als ze beschadigd zijn en voor overeenstemming van wortel en kruin noodig is.