is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 7, 12-02-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M »■

74

Beneden zal blijken, dat het inderdaad noodzakelijk was, verschillende wegen te volgen om het bewijs van het bestaan eener omzetting te leveren.

Wij laten hier in de eerste plaats eenige beschouwingen en proeven over de veel bestreden samenstelling van het gekristalliseerde cadmiumsulfaat voorafgaan.

1. Over de samenstelling van het Cadmiumsulfaat. Dit zout werd het eerst bereid door Stromeybe, den ontdekker van het Cadmium. (1) Hij vond, dat 100 dln. watervrij zout bij kamertemperatuur 34.2653 dln. kristalwater opnemen, zoodat 100 dln. gekristalliseerd hydraat 25,51 °/0 H2 O bevatten.

Op grond van deze analyse kende Steomeyer het zout de volgende formule toe:

CdSO,. 4H20

v. Hauer onderzocht het zout op nieuw in 1855 (2) en vond 18,86—19.05 procent kristalwater, zoodat hij er de formule

3CUS04. 8H20 aan toekent die 18,75 proc. kristalwater verlangt.

Toen Rammelsberg kort daarop het zout opnieuw analyseerde, vond hij 19.03—19.27 procent water en schreef op grond daarvan:

CdSOi.SH^O

Deze formule correspondeert echter met 20.64 proc. H20, hetgeen 1.37 a 1.61 pCt. van de gevonden hoeveelheden IJ2 O afwijkt. (3).

Later nam Rammelsberg de formule 8CdSOi.SH20 aan, die hij vroeger als onwaarschijnlijk had verworpen. (4)

Verder vinden wij in de literatuur een tweede onderzoek van von Hauer (5) die op grond der tegenstrijdigheden, het zout met groote zorgvuldigheid bereidde en bij drie bepalingen 19.004 ; 18.908; 18,878 pCt. gemiddeld 18.93 pCt. water vond, d. i. dus hetzelfde gehalte als bij zijn vroeger onderzoek, zoodat hij de formule

CdSOi. 8/37J20

handhaaft.

In een verhandeling van O. Follenius (6) over de quantitatieve bepaling van Cadmium vinden wij, dat ook deze auteur zijne aandacht speciaal op de samenstelling van het cadmiumsulfaat heeft gevestigd. Zijne waterbepalingen leveren 3CdS04. 8H20

Julius Thomsen kent in zijne „Thermochemische Untersuchungen", Bd. III, 180, eveneens deze formule aan het zout toe.

Bij zijne studiën over het isomorphisme heeft Retgers zich ook met dit zout beziggehouden. (7)

„Ich muss gestehen, dass mir diese komplizierte Formel (ZCdSOt. 8H20) für ein Salz, welches in so schonen, grossen und klaren Krystallen auftritt, immer zweifelhaft vorgekommen ist ... . Dies alles veranlasste mich .... nochmals den Krystallwassergehalt zu bestimmen." „Ausgesucht reine Krystalle vonungefahr Erbsengrösse wurden nach sorgfaltiger Abtrocknung in Leinwand gewogen und in einem Platintiegel schwach geglüht. Die Entwasserung ging, wenn die Erhitzung ganz schwach angefangen und erst allmahlich verstarkt wurde, ohne die geringste Dekrepitation ausserst scharf von statten.

So wurde in zwei Versuchen für den Krystallwassergehalt gefunden : 19.24 und 19.21 pCt. im Mittel 19.23 pCt."

Retgers zegt dan verder „ Auch hier findet sich also wiederum eine Zahl zwischen 22/3 H20 (18.75 pCt.) und 3 H20 (20.61 pCt.) Allerdings steht sie am dichtesten zu 23/4 H%0 (19.20 pCt.), ich glaube jedoch, dass eine Abrundung auf 3H20 wohl erlaubt ist. (Auch mit Rücksicht auf die noch ziemlich schwankende Atomgewichtszahl des Cadmiums 111.93 bis 112.36 nach Ostwald, Allgem. Chem. 1.61.1891.

(1) Schweiggers Journ. Bd. 22, 369 (4818).

(2) Wiener Akad. Bez. 4855. S. 25.

(3) Cf. v. Hauer, Wiener Akad. Ber. 25, 136 (1857).

(4) Handbuch der krist. Chemie Bd. 1. 345 (1881).

(5) 1. c.

(6) Zeitschrift für analyt. Chemie 43,272 (1874). De meeste handboeken over anorganische chemie, zoo ook Dammer citeeren deze verhandeling niet.

(7) Zeitschr. für phys. Chemie 16, 590(1895).

Ich habe mich in óbiger Berechnung der runden Zahl Cd = 112 bedient)."

Met het onderzoek van Retgers en zijne conclusie kunnen wij ons echter geenszins vereenigen, en wel op grond van een zeer groot aantal bepalingen, die wij zelf hebben uitgevoerd.

Toen wij in den beginne geheel volgens Retgers' voorschrift werkten, (1) d. w. z. de platinakroes gedurende het uitdrijven van het kristalwater onbedekt lieten, vonden wij : gew. kroes + zout 27.5484 gram.

24.6060 „

gew. zout 2.9424 gram. na 7 minuten verhitten : 26.9920 gram. „ 17 „ „ ■ 26.9914 „

„ 27 „ „ 26.9914 „

Hieruit vindt men voor het watergehalte 18,93 pCt., berekend 18,75 pCt. Wij nemen als atoomgewicht van Cd. 112.07, een waarde die door H. C. Jones (2) langs verschillende wegen is gevonden.

Bij een tweede proef (met een deel van het zout uit dezelfde massa als bij de eerste proef genomen) bedekten wij de kroes gedurende de verhitting met een horlogeglas: gew. kroes -f zout 25.8380 gram.

24.6034 „

gew. zout 1.2346 „

na verhitting gedurende 10 minuten 25.6068 gram.

„ 20 „ 25.6068 „ l „ „ 40 „ 25.6068 „'

Hieruit vindt men van het watergehalte :

18,71 pCt.

d. i. het theoretisch berekend (18.75 pCt.) gehalte.

Andere bepalingen met verschillende preparaten (die wij zelf uit metallisch cadmium en zwavelzuur) bereid hadden, gaven steeds, bij inachtneming der noodige voorzichtigheid 18,75 pCt. H20.

In tegenstelling tot hetgeen Retgers vond, constateerden wij steeds dekrepiteeren van het zout, ook wanneer de verhitting uiterst voorzichtig werd uitgevoerd. Op het horlogeglas, dat de kroes bedekte, vonden wij altijd kleine spatjes van CdS04.

Het hoogere watergehalte dat Retgers vond, is dus volgens onze ervaring aan verlies van CdSOi door dekrepitatie toe te schrijven. Hiermee verliest de door Retgers opgestelde formule :

CdSO^ 3H20

haar grond van bestaan en concludeeren wij, dat de samenstelling van het bedoelde zout inderdaad CdSOi. 8/3 H20 is.

In goede overeenstemming met onze resultaten zijn de onderzoekingen van Mylius en Funk, (3) die verschenen, toen wij onze bepalingen reeds hadden afgesloten.

Ook zij vinden voor het kristalwatergehalte 18.73 pCt., dat met de samenstelling Cd<S04. 8/3 H2 O correspondeert.

Ten slotte zij nog de mededeeling van N. Worobjew (4) genoemd, die eveneens vond, dat bij gewone temperatuur het zout met 8/3 H20 wordt gevormd.

2. Oplosbaarheidsbepalingen. Ondergaat een zout, dat zich in zijne verzadigde oplossing bevindt, eene verandering (kristalvormverandering, overgang in een ander hydraat) etc. dan gaat bij de temperatuur, bij welke die verandering intreedt, deze gepaard met eene plotselinge verandering in den temperatuurcoëfficient der oplosbaarheid van het zout (vergelijk § 4 op pag. 2). Het kwam er dus op aan nauwkeurige oplosbaarheidsbepalingen van het cadmiumsulfaat bij verschillende temperaturen uit te voeren en wel vooral in de buurt van die temperatuur, waar Jaeger en Wachsmuths onderzoek een verandering van het cadmiumsulfaat deed vermoeden.

(1) Cadmiumsulfaatpreparaat v. Merck uit Darmstadt, eenige malen bij ± 20° oragekristalliseerd. Zelfs sporen van verontreiniging konden niet worden aangetoond.

(2) Dissertatie, Baltimore 1892.

(3) Berichte der deutschen chem. Gesellschaft 30.824.

(4) Journ. russ. phys-chem. Gesellschaft (5) 8.452.