is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 10, 05-03-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M lO.

122

een klein kanaaltje, gelegenheid in de linker buitenkamer der schuifkast te komen, op de achterzijde van den verdeelzuiger te werken en tracht dus dezen weder naar rechts te verplaatsen, m. a. w. den stoomtoelaat naar dit cylinderdeel langer geopend te houden, waardoor achter den zuiger van den stoomcylinder meer stoom zal toestroomen.

Het verdeeltoestel of de schuif bevindt zich hierdoor in een eenigszins zwevenden stand, welke afhankelijk is van de twee krachten: versche stoom, welke tracht den toevoer af te sluiten, en stoom uit den cylinder, welke tracht den toevoer geopend te houden.

In Fig. 3 en 4 geven wij de inrichting van het stoomverdeeltoestel weer, en stelt fig. 3 eene doorsnede van de stoomkast en fig. 4 de samenstelling van het stoomverdeeltoestel of de verdeelzuigers voor.

Om het stoomverdeeltoestel te kunnen aanbrengen of later, om de een of andere reden, te kunnen verwijderen, is dit

Fig. 3.

zoodanig ingericht, dat een der zuigertjes van de stang kan worden afgeschroefd. Zooals de afbeelding doet zien, wordt de stoomdichte afsluiting van het verdeeltoestel verkregen door een paar zuigerveertjes.

De automatische regeling wordt veroorzaakt door het verschil in oppervlak der voor- (binnen-) en achter- (buiten-) zijden der zuigers. De vlakken aan de binnenzijden zijn toch zooveel" kleiner dan die aan de buitenzijde, als het oppervlak van de verbindingsstang inneemt. Tegen de binnenzijde werkt de versche stoom, terwijl aan de buitenzijde afgewerkte stoom zijn druk doet gevoelen. De druk op het grootste zuiger¬

waardoor verschillende onderdeden schade lijden en de pomp binnenkort onklaar wordt, doch door het hierboven omschreven stoomverdeeltoestel zal de stoomtoevoer onmiddellijk verminderd of afgesloten worden, m. a. w. de werking der pomp onmiddellijk verminderen of geheel ophouden.

Het stoomverdeeltoestel behoeft nooit speciaal gesteld te worden, er is geen dood punt aanwezig en beweegt zich in de een' of andere richting zoodra door het openen van den afsluiter slechts stoom toegelaten wordt.

De op fig. 2 in de sluitdeksels van het verdeeltoestel afgebeelde stiften zijn zoogenaamde „starter pins" of aanzetpennen. Deze worden slechts gebruikt, als door het lange stilstaan der pomp door ophooping van vuil, roest, ketelsteen, aanzetsel of wat dan ook, het stoomverdeeltoestel niet terstond bij het binnenstroomen van den stoom werkt. Door een der „starter pins" naar binnen te drukken, wordt de schuif of het verdeeltoestel verplaatst en de pomp in beweging gebracht. Bij den teruggaanden slag van het verdeeltoestel wordt de aanzetter weder op zijn oorspronkelijken stand teruggebracht.

Thans willen wij nagaan, hoe het tegen of aan het eind van den zuigerslag gesteld is.

De zuiger in den stoomcylinder is, zooals in de afbeelding duidelijk te zien is, dubbel; hij heeft veel overeenkomst met een klos of spoel waarvan de beide einden of schijven door middel van metalen ringen een stoomdichte afsluiting tusschen cylinder en binnenzijde van den zuiger vormen.

De ruimte tusschen dezen, uit één stuk bestaanden dubbelen zuiger, vormt dus een soort reservoir, hetwelk steeds met versch'en stoom door een klein kanaaltje uit de stoomkast wordt gevuld. Aan de beide zijden van den cylinder bevinden zich overeenkomstige openingen of liever kanaaltjes, welke m verbinding staan met de buitenzijden der kast van het stoomverdeelingstoestel (zie boven) en welke thans dienen om door Aar, ^inV, a+onrls in het, Tincrvormiee reservoir be¬

vindenden verschen stoom de verdeelschuif aan het eind van den zuigerslag te verplaatsen, m. a. w. den stoomtoevoer naar het tegenovergestelde gedeelte van den stoomcylinder af te sluiten.

Fig. 4.

oppervlak tracht dus, zooals hierboven reeds werd gezegd, steeds den verdeelzuiger geopend te houden, terwijl de steeds toestroomende versche stoom, welke op het kleinste vlak werkt, de toevoeropening naar den cylinder tracht af te sluiten. Elke beweging wordt beperkt door het overwicht van de tegenovergestelde kracht. Indien de stoomzuiger gemakkelijk beweegt, dus weinig tegenstand ondervindt, dan kan uit den aard der zaak in den stoomcylinder niet veel druk zijn, daar de zuiger zich dan snel verplaatst, en daar nu de druk in den stoomcylinder en in het buitengedeelte der stoomkast, welke aan dezelfde zijde ligt, steeds gelijk is, zoo wordt op het grootste oppervlak van den verdeelzuiger ook dienovereenkomstig weinig kracht uitgeoefend om den toevoer geopend te houden. In het tegenovergestelde geval, d. i. als de stoomzuiger zich moeilijk beweegt of veel tegenstand ondervindt, stijgt de druk in den stoomcylinder dienovereenkomstig. De druk op het grootste oppervlak van den verdeelzuiger overwint alsdan gemakkelijk den tegendruk aan de kleinere zijde van den verdeelen houdt dus de toevoeropening langer open.

Het voordeel van deze constructie is dus duidelijk, daar de werking der pomp hierdoor om zoo te zeggen automatisch geregeld wordt. Zij kan nooit te snel loopen om aan te zuigen, m. a. w. als door het een of ander toeval de persleiding bij geopenden stoomtoevoer springt of eensklaps een groot aantal kranen in eene leiding geopend of gesloten worden, dan zal nimmer eenige beschadiging der bewegende deelen van de pomp hiervan het gevolg zijn. De pomp zal nooit, zooals bij andere constructiën mogelijk is, er zoogenaamd van door gaan,

Fig. 5-

Een ander eigenaardig onderdeel in de constructie dezer pompen is gelegen in den vorm der zuig- en perskleppen van den watercylinder (zie fig. 5). Deze kleppen bestaan uit een komvormige schijf met centrale geleidingsstift. Het middengedeelte der zitting of liever het geleidende gedeelte van de klep heeft een eenigszins grooteren diameter dan de binnenzijde of opening van deze. De vorm nu van dit middendeel der zitting bepaalt voor de vloeistof de uitstroomingsrichting en breekt daardoor bij de volle opening der klep den druk op dë klep, daar ze door den gebogen vorm van dit middengedeelte genoodzaakt wordt, eene overeenkomstige uit stroomingsrichting aan te nemen. Het gevolg hiervan is, dat de kleppen, onder welke omstandigheden ook, nooit hooger zullen lichten dan tot aan de onderzijde van het centrale gedeelte, d. i. de volle opening. Een aanslag voor de klep or veeren ter voorkoming van te groote hefhoogte zijn dus totaal

°VHet° sluiten der kleppen is geheel geruischloos, daar tusschen klep en centrale geleiding zich steeds vloeistof bevindt en deze bij het dalen der klep als een soort stootkussen werkt.

Uit het bovenstaande blijkt dus duidelijk, dat de bewegende deelen in deze pomp tot een minimum zijn teruggebracht, en geeft fig. 6 daarvan eene zeer duidelijke voorstelling.