is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 13, 26-03-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m

M 13.

Er zijn vijf commissarissen, belast met toezicht op de handelingen der directie. .

Zij worden uit de aandeelhouders door de algemeene vergadering benoemd en ontslagen. Zij benoemen uit hun midden een voorzitter, een secretaris en een gedelegeerde. De beide laatstgemelde betrekkingen kunnen vereenigd worden.

De gedelegeerde commissaris is bijzonderlijk belast met het dagelijksch toezicht op de handelingeu der directie. Hij verstrekt hun zijn raad waar zij dien behoeven. Hij geniet voor zijne diensten eene belooning. ..

Voor de eerste maal en voor zoolang hij commissaris zal zijn wordt daartoe benoemd de heer M. Sijmons.

Voor de eerste maal worden tot commissarissen benoemd de heeren W. J. Geertsema, J. M. Pijnacker Hordijk, Mr. B. C. J. Loder, Mr. J. C. Stoop en m'. Sijmons.

Bij den wedstrijd voor een reclamebiljet voor de Delftsche Lustrumfeesten is bekroond het ontwerp onder het motto «Poging», van den heer J. J. R. de Wetstein Pfister, werktuigkundig ingenieur, oud-lid van het Delftsch studentenkorps.

Technische Vakvereeniging, Afdeeling Amsterdam.

In de vergadering van 23 dezer hield de heer Th. Ligthart een voordracht over:

«Bijwerk, hoe te voorkomen 1 hoe te regelen?»

Bijwerk is volgens Spr., werk toegevoegd aan het in het bestek ©mschrevene; het is een gevolg van de aanbesteding. Deze aanbestedingen hebben gemaakt dat de «bouwkunst» geworden is een «bouwhandel».

Spr. wijst op onbillijkheden, b.v. de aannemer is verplicht maten op het terrein na te gaan; hij moet een werk in het bestek omschreven, dat niet op de teekening voorkomt, maken zoo ook het omgekeerde, staat het in geen van beiden dan wordt het geacht tot een goede uitvoering te behooren en moet het eveneens, zonder eenige bijbetaling gemaakt worden.

Veel bijwerk komt voort uit de zucht van den architect om de bouwsom laag te houden.

Bijwerk kan'zooveel mogelijk voorkomen worden door het opgeven en juiste omschrijven van hoeveelheden, een som voor bijzondere werken beschikbaar te stellen, de bestekken zoo duidelijk mogelijk te maken en alles vooraf te détailleeren, ook het opgeven van prijzen van sommige onderdeelen, waar men nu alleen vindt: ten genoegen van de Directie.

Als iedere architect niet schroomde den bouwheer te zeggen dat een bestek niet volmaakt is, dan kon ieder bijwerk met wederzijds goedvinden uitgevoerd worden en zou het niet voorkomen dat een architect somtijds op zijde geschoven wordt en er een soort vijandschap tusschen aannemer en architect ontstaat.

Een dankbaar gehoor volgde Spr. boeiende onderhoudende voordracht, ten slotte gaf het met een daverend applaus instemming met het gehoorde te kennen.

Verschillende sprekers traden met den heer Ligthart in debat.

Met een woord van dank aan den heer Ligthart en de andere sprekers sloot de Voorzitter, de heer Haver, de vergadering.

Tijdens de vergadering meldden zich twee der aanwezigen aan voor het donateurschap, en een voor het lidmaatschap der vereeniging.

De vergadering werd door een 60-tal personen bijgewoond.

Indische Mijnwet.

• Door den Minister van Koloniën is aan de Tweede Kamer een nieuwe mijnwet ingediend tot vaststelling eener regeling volgens welke voortaan in Nederlandsch-Indië delfstoffen kunnen opgespoord en het recht tot ontginning daarvan verkregen kan worden. De Minister verwijst naar de uitvoerige gedachtenwisseling over het door de vorige Regeering ingediende ontwerp, dat tot grondslag heeft gediend van zijn voorstel. De nieuwe principieele wijzigingen betreffen :

1°. De onttrekking van het recht van beschikking over de bij de wet aangegeven delfstoffen aan den rechthebbende op den bovengrond, alsook de toepasselijkheid der hieromtrent door den wetgever aan te nemen beginselen op zelfbesturende Staten, die het recht tot het verleenen van opsporingen en van concessies bij overeenkomst hebben overgedragen aan het gouvernement van Nederl.-Indië.

2". Nadere wettelijke voorschriften betreffende de vergunning tot het doen van opsporingen, ten doel hebbende:

a. Meer waarborgen bij de wet nopens de wijze van verkrijgen van vergunningen;

6. wettelijke vaststelling van den tijd waarvoor vergunningen kunnen worden verkregen of verlengd, zoomede van den termijn binnen welken met het doen van opsporingen een begin moet worden gemaakt;

c. opneming van het beginsel dat, ook zonder toestemming van den concessionaris, voor diens mijnveld aan anderen vergunning tot het hoen van opsporing en concessie kan worden verleend voor andere dan de reeds geconcedeerde delfstoffen ;

cl. opneming van een voorschrift ter voorkoming dat de opspoorder in de uitoefening van zijn bedrijf meer dan noodzakelijke vertraging ondervindt van rechtsgedingen nopens het bedrag der vooraf te betalen schadeloosstelling, dan wel nopens dat waarover vooraf zekerheid behoort te worden gesteld;

e. meer vrijheid in het bedrijf voor den opspoorder door de opheffing

van het verbod dat opsporingen niet in ontginning mogen overgaan, en in verband hiermede heffing van een laag recht van houders van vergunningen tot opsporing en van cijns naar de bruto-opbrengst, ook van de producten van opsporingen, boven zeker quantum;

f. wijziging en aanvulling van de voorschriften nopens het verlies der vergunning van rechtswege.

3°. Wijziging van de uit omschrijving van den aard van het, op grond van de akte van concessie, verkregen recht tot ontginning.

4°. Opheffing van de mogelijkheid van onnoodige inmenging in het bedrijf, on in de plaats daarvan vastelling van een voorschrift nopens de splitsing, verwisseling en vereeniging van concessieterreinen of gedeelten daarvan.

5°. Eene nadere omschrijving van het recht op en de verplichting tot vergoeding in geval van schade naar aanleiding van ontginning of opsporingen aan de rechthebbenden op of belanghebbenden bij den bovengrond met toebehooren veroorzaakt.

6°. Eenvoudiger regeling van de wijze waarop aanspraken op het recht tot het verkrijgen van eene concessie tot ontginning worden verkregen, zoomede aanvulling nopens de wijze waarop die aanspraken moeten worden geldend gemaakt, alsmede van de voorwaarden waarop het hierbedoelde recht kan overgaan.

7°. De heffing, behalve van een matig vast recht, van eene retributie, berekend over de bruto-opbrengst.

Ter toelichting van deze principieele wijzigingen zegt de Minister dat in de eerste plaats is tegemoetgekomen aan den eisch die aan een mijnwet gesteld mag worden, om duidelijk en onomwonden het beginsel uit te spreken waarop zij berust. Er behoort duidelijk in het licht te treden, dat niet zoozeer ontginning, maar de genoemde delfstoffen en het recht van beschikking daarover het onderwerp zijn van deze wet. Niet de aard der ontginningswerken, maar de aard der te winnen delfstoffen moet als maatstaf worden gebezigd.

Wat het verleenen van meer dan één concessie in hetzelfde veld betreft heeft de Minister gemeend de vroeger ingediende wetsontwerpen' niet te moeten volgen. Het uitsluitend recht op het reeds geconcedeerde mineraal handhaaft ook dit ontwerp. De Minister is tot de overtuiging gekomen dat hij niet anders kan voorstellen dan een cijns naar de bruto-opbrengst, en wel zonder extra-heffing. Als bruto-opbrengst is te beschouwen de gemiddelde handelswaarde op het concessieterrein van gedurende het afgeloopen halve kalenderjaar door de onteigening verkregen hoeveelheid al dan niet bewerkte verhandelbare producten.

Door Gedeputeerde Staten van Friesland is aan de Provinciale Staten voorgesteld aan het comité voor den aanleg van een locaal8poorweg Leeuwarden—Stiens—Ferwerd—Holwerd—Dokkum—Oostmahorn, met zijtak Stiens—St.-Jacobi Parochie, een prov. subsidie te verleenen van f 300 per kilometer gedurende twintig jaren.

BENOEMINGEN. VERPLAATSINGEN, ENZ.

Bij Kon. besluit van 23 Maart j.1. is, met ingang van 1 April 1898, aan C. Wielings, op zijn verzoek, eervol ontslag verleend als bureelambtenaar van den Rijkswaterstaat.

Bij beschikking van den Minister van Waterstaat, H. en N. is H. de Leeuwerk te Giesendam benoemd tot buitengewoon opzichter bij de kanaalverbreding en oeververdediging der ZuidWillemsvaart tusschen sluis n°. 6 en de Aarle-Rixtelsche brug.

De adjunct-ingenieur der Holl. IJzeren Spoorwegmaatschappij H. E. Hoekstra wordt met 1 Mei van Amersfoort naar Nijmegen overgeplaatst.

Bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen is benoemd tot opzichter 2<= kl., de opzichter 3« kl. J. v. Driesum te Rosendaal.

In Ned. - Indië. Bij den Waterstaat en 's Lands B. O. W. Benoemd: tot opzichter 3= kl., P. C. Wener, tijd. opzichter bij den waterstaat.

Afd Spoor- en Tramwegen en Stoomwezen van het Dep. van B. O. W.

Benoemd: tot hoofdingenieur, chef van den spoorwegdienst en tevens van den dienst der kolenontginning ter bumatra s Westkust, de hoofdingenieur bij den aanleg van staatsspoorwegen Th. F. A. Delprat, met bepaling, dat hij tevens werkzaam zal zijn als chef der exploitatie en van de tweede en vierde afdeeling van bedoelden spoorweg.

Bij den aanleg van Staatsspoorwegen op Java:

Belast: met het doen van eene opname voor een spoorweg Padalarang—Krawang, de ing. 1« kl. J. *. P. Richter.

Toegevoegd: aan den ing. J. 1. P. Richter voorn., de tijd.