is toegevoegd aan je favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 21, 21-05-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 81.

270

vloeiijzer m den regel met eene ruwijzerlading van slechts 2o pet. en eene schrootlading van 75 pet, wordt gewerkt, zal wel als uitzondering zijn te beschouwen. Deze charge is slechts dan mogelijk, als rein grofschroot wordt gebezigd en steeds zal het bad, na smelting, meer of minder zuurstof roodbreukig zijn. Een dus gewonnen materiaal staat volstrekt niet boven overblazen Thomasvloeiijzer. Dit overmatig week smelten gaat daarenboven met eene sterker ijzerafvloeiing gepaard. Dat de slak van dit proces, wegens het hooger ijzergehalte, voor den hoogoven meer waarde heeft, kan niet in beschouwing komen.

De gunstigste werkmethode zal wel bij eene ruwijzercharge van omstreeks 35 pet. en eene schrootlading van p. m. 65 pet. te vinden zijn (1), met eene geringe speelruimte, hooger of lager, tusschen beide getallen. Een matig nafrisschen met hamerslag of erts, zal evenmin op de qualiteit als op den duur van het proces nadeelig werken.

Dat men bij zeer slecht schroot, onder gelijke verhoudingen de ruwijzerlading zelfs tot pl. m. 60 pet. kan opvoeren, is te verklaren, als men de groote hoeveelheid roest, welke met dit schroot gesmolten wordt, als erts beschouwt. De nauwe verwantschap, tusschen schroot en erts bestaande, blijkt bij deze werkmethode, duidelijk uit de sterke ijzerafvloeiing, en uit de daarbij gewonnen geringe qualiteit, voornamelijk voor hardere staalsoorten. En wanneer ook bij de gewone proefnemingen geen opvallende contrasten optreden, toch openbaart zich de ware geaardheid al spoedig bij de verdere bewerking als constructie-materiaal.

Iets verder zien wij dat, volgens de ervaringen van bTEOMAYER, ook bij gebruik van ruwijzer met betrekkelijk gering silicium- en phosphorgehalte, een zeer week product werd gesmolten. Onder deze gegevens is het absoluut onverklaarbaar waarom voor harder materiaal (in dit geval tot oO KG. vastheid), niet direct op die vastheid werd gewerkt, daar toch een bepaalde toeslag van ferromangaan en spiegelïjzer, reeds voor de betere uitwalsing, moet worden bijgezet.

Hoe hoog het phosphorgehalte in ruwijzer (2) kan zijn, om eene voldoende ontphosphoring van de charge, gedurende de smelting te verkrijgen, hangt wel van bijzondere omstandigheden af.

Wanneer uitsluitend week

C) moet worden gewonnen, zullen, in dit geval, zelfs bij een hooger phosphorgehalte van het ruwmateriaal, nauwelijks noemenswaardige moeielijkheden optreden en behoeft het afnemen van de gesmolten slak slechts plaats te hebben, als een bijzonder goed product wordt verlangd. Bij hooger koolstofgehalte (p. m. 0.4 pet. C), zal men slechts dan direct op de verlangde vastheid kunnen werken, als het oorspronkelijk phosphorgehalte niet al te hoog is, (3) en reeds gedurende de smelting eene genoegzaam basische slak (4) (geen mengsel van slak en onverslakte kalk!) werd verkregen.

Bij nog hooger koolstofgehalte van het gewenschte staal (U.b pet. O. en daarboven), eveneens in het geval dat eene zoo volledig mogelijke verdrijving van phosphor ook reeds bij U.4 pet. C., noodzakelijk wordt, of wèl in het geval dat met een hooger phosphorgehalte in het ruwijzer valt te rekenen, is een afnemen der slak wel niet te vermijden

Dat voorts de verhouding van het haardoppervlak tot het chargegewicht een bijzonderen invloed op de ontphosphoring uitoefent, ziet men bij de gemakkelijker verslakking van deh kalktoeslag bij grootere haarden. Komt op 1 ton lading 1 M2 haardvlakte, dan zal men, ook bij phosphorrijk ruwijzer, nog met ruwe kalksteen (korrels van ongeveer 100 mM grootte) kunnen werken, en moet, eerst bij sterker belasting van de haardoppervlakte, tot het gebruik van gebrande kalk worden overgegaan.

Dat erts- en hamerslagtoezetting niet enkel ter bespoediging van het fnsschen maar ook ter bespoediging van de kalkverslakking wordt bijgevoegd, is algemeen bekend. Bij snelverloopende processen (werken met vloeibaar schroot uit convertors of yoorfrischovens) zijn deze toeslagen onvoorwaardelijk noodig, om bij de snellere verslakking

(1) Het is duidelijk dat ook hier de chemische samenstelling van het ruwijzer in aanmerking komt. Bij gebrek aan ruwijzer heeft men in sommige ijzerhutten direct cokes meegeladen.

bevat Aange"0men' het schroot niet meer dan °-10 Pct- phosphor <3) Beneden 0.5 pct. phosphor in de lading. (4) Meermalen moeten schepproeven worden genomen.

van de hier wel immer in gebranden toestand gebezigde kalk, een voor de ontphosphoring noodwendig krachtige reactie te verkrijgen. Op dwaling berust het echter, het ijzergehalte van dezen toeslag niet in rekening te brengen, omdat m dit geval meestal zeer ijzerrijke, dus ook dure ijzersoorten moeten worden gebezigd.

De mededeeling, dat „Thomaswerken, bij weinig opdracht, blokken in den Martinoven versmelten", vroeger een paar malen uitgesproken, heeft slechts weinig, of alleen academische waarde.

Ten opzichte van het gebruik van mechanische laadinrichtingen, komt het mij volstrekt onnoodig voor, de volle charge 200 snel mogelijk in te zetten. Einde 1896 zag ik te Riesa een dergelijk door electriciteit bewogen apparaat in werking, terwijl geen nadeelige invloed op de ovenhitte was waar te nemen. Bij de lading, hetzij mechanisch of niet, moet de oven steeds onder druk blijven, om bij het openen der deuren, het intrekken van koude luchtstroomen te beletten.

Een eenvoudige inrichting, welke nergens moest ontbreken, hoofdzakelijk dienende tot het laden van zware stukken (coquillen, wrakke ingots, versleten walscilinders), bestaat uit een loopkraan met katrollen, ketting enz. De geleidbaan zal wel aan de dakconstructie te bevestigen zijn. (1)

De kleine zure convertors (3 ton?), welke Steomayer in Witkowitz tot voorfrisschen (2) in werking zag, moesten spoedig voor 6 tons plaats maken, terwijl thans met 10 tons retorten wordt gewerkt.

Tegenwoordig blaast men voor een Martinoven slechts twee convertorladingen, terwijl vroeger driemaal, oorspronkelijk zelfs zesmaal moest worden geblazen. Als de Martinoven behalve de ruwijzercharge niet ten volle met vloeibaar convertormetaal geladen wordt, dan zet men vast schroot toe.

In Trzynietz werkt men met 6 tons-convertors. Behalve ruwijzer en convertormetaal, wordt steeds vast schroot toegezet.

Beide werken converteeren direct uit den hoogoven en te Witkowitz zijn slechts bij uitzonderina fhooffovenrenarn.tie of

buitengewoon groote opdrachten) ook nog koepelovens tot omsmelten in gebruik.

De Gleiwitzer buizenwerken (Huldschinsky) hebben sedert het voorjaar, tot het voorfrisschen een convertoraanleg voor het basisch Martinwerk in vlam, terwijl het verder benoodigde ruwijzer in den koepeloven wordt omgesmolten.

Het polen van een Martinbad, zag schrijver voor het eerst in 1889 te Graz, waar het door een ingenieur van Cockerill te Seraing zou zijn ingevoerd; een jaar later ook te Seraing. In Boven-Sileziën en Russisch-Polen wordt op eenige Martinwerken gepoold.

Het door het polen verwekte nogmaals krachtig opkoken van het bad, mag wellicht van voordeel zijn. Daar het polen echter onmiddellijk voor het afsteken wordt verricht, in welke periode de beste menging van het bad plaats heeft, is echter ook het doel van het polen niet recht duidelijk. (3)

Voor wederlegging vatbaar is Stromayee's meening, dat een met houtskool opgekoold staal Jiardbaarder zal zijn, dan een met ferromangaan teruggekoold materiaal, omdat dit laatste ontwijfelbaar een hooger mangaangehalte moet bevatten, en dit, zooals bekend is, de hardbaarheid verhoogt.

Waarom het basisch staal in elk geval zuurstofhoudender moet zijn dan het zure is eveneens van grond ontbloot. Bij gebruik van mangaanarm ruw ijzer treedt, ook bij den zuren oven, dikwerf reeds bij 0.7 pCt. koolstofgehalte, zuurstofroodbreuk op. Daarom is het, zoowel bij het zure, als bij het basisch proces gebruikelijk, bij het bezigen van dergelijk ruw ijzer, (coquillen, gieterij-draaispanen) spiegelijzer mede in te smelten.

Wat het overbrengen van basisch staal in den zuren Martinoven aangaat, moge hier aan het Neuberger raffineerstaal worden gedacht. In Neuberg werd allereerst Bessemerstaal in den zuren Martinoven geraffineerd en, na invoering van den

(1) Aan een groot Martinwerk alhier, is men met het ontwerpen van een electrische laadinrichting op dit oogenblik bezig.

(2) Dit voorfrisschen in den convertor wordt juister schrootblazen genoemd, omdat het 't bezigen van vast schroot vervangt.

(3) In Donawitz was jarenlang een roerinrichting werkzaam waardoor het gereed zijnde vloeiijzer in de pan nogmaals werd vermengd. Ook hier was echter, door de gewone proeven, eenige verbetering van het materiaal niet te constateeren.