is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 21, 21-05-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

274

In Monster werden ingesteld als hoofdpunten: Berkheide, Botterdam en Goedereede, en als tusschenpunten : Teunisduin, 's-Gravenhage, Delft (Nieuwe kerk), Delft (Geodesie) en Brielle.

In Leiden (Sterrenwacht) werden ingesteld als hoofdpunten : Botterdam, Delft (Geodesie) en Teunisduin, en als tusschenpunten : Delft (Nieuwe kerk), Leiden (Stadhuis) en Leiden (Lodewijkskerk).

In Teunisduin werden ingesteld als hoofdpunten : Berkheide, Leiden (Sterrenwacht), Gouda, Botterdam, Delft (Geodesie) en Monster, en als tusschenpunten : Leiden (Stadhuis), Leiden (Lodewijkskerk), Delft (Nieuwe kerk) en 's-Gravenhage.

In Berkheide werden ingesteld als hoofdpunten : Brederode, Mijdrecht, Gouda, Botterdam, Delft (Geodesie), Monster, en als. tusschenpunten : Langeveld, Haarlem, Aalsmeer, Leiden (Stadhuis), Leiden (Lodewijkskerk), Hazerswoude, Delft (Nieuwe kerk), Teunisduin en 's-Gravenhage.

In Gouda werden ingesteld als hoofdpunten : Mijdrecht, Utrecht, Gorinchem, Dordrecht, Botterdam, Berkheide, Leiden (Stadhuis), Hazerswoude, en als tusschenpunten : Nieuwkoop, Woerden, Schoonhoven, Delft (Geodesie), Delft (Nieuwe kerk), Teunisduin en Leiden (Lodewijkskerk).

Op dit laatste station, waar niet alle hoofdrichtingen uit één punt vrij zijn, moesten de waarnemingen op twee pijlers geschieden.

Door deze ploeg werden centreeringsmetingen uitgevoerd op de waarnemingsstations, benevens op de hoekpunten Delft (Nieuwe kerk), 's-Gravenhage, Leiden (Stadhuis), Leiden (Lodewijkskerk), Kuilenburg, Woerden, Nieuwkoop, Mijdrecht, terwijl een vastleggingsbout werd aangebracht in den toren te Aalsmeer.

Op 5 September 1897 werd de Cuneratoren te Bhenen door den bliksem getroffen. Deze toren, welke een hoofddriehoekspunt vormt, brandde toen geheel uit.

Na den brand waren de pijler en steiger, welke op den bovensten omgang ten behoeve van de driehoeksmeting gesteld waren, nog aanwezig. Beide hadden door den brand zooveel geleden, dat de geheele afbraak er van noodig was. Van de vier in den toren aanwezige vastleggingsmerken bleven er drie ongeschonden, zoodat de ramp voor de driehoeksmeting geen bijzonder nadeelige gevolgen zal hebben.

De terreinwerkzaamheden voor de driehoeksmeting eindigden voor alle ploegen omstreeks 1 October.

De berekening der waarnemingen, waaraan te Delft de wintermaanden worden besteed, ving daarna aan.

(Wordt vervolgd.)

STATEN-GENERAAL.

Bevordering van den aanleg en regeling van de exploitatie van een iocaalspoorweg van Zwolle naar Delfzijl met zijtakken naar Almelo en naar Assen (Noordoosterlocaalspoorweg).

Aan het V. V. over bovenstaand wetsontwerp, uitgebracht dd. 12 Mei j.1. wordt het volgende ontleend :

§ 1. „Sommige leden bestreden de wenschelijkheid van den aanleg van den hierbedoelden Iocaalspoorweg. Eenigen hunner verklaarden niet zonder bevreemding kennis genomen te hebben van den inhoud der Memorie van Toelichting tot dit wetsontwerp. Waar, zoo merkten die leden op, van het Bijk ter bevordering van dien aanleg een belangrijk financieel offer wordt gevraagd, had men mogen verwachten, dat het nut en het belang van den spoorweg voor de betrokken streek, door de Begeering op overtuigende wijze ware aangetoond. Niet alleen echter bewaart de Memorie van Toelichting daaromtrent het stilzwijgen, doch zelfs wordt daarin medegedeeld, dat de beide Ministers wier onderteekening deze wetsvoordracht draagt, gemeend hebben „hetgeen door hunne ambtsvoorgangers was voorbereid om deze zaak tot een goed einde te brengen te moeten in stand houden, zooveel mogelijk en zoo noodig met terzijdestelling van eigen afwijkende inrichten". Hieruit valt dus op te maken dat, hetgeen thans wordt voorgesteld de volle instemming niet heeft van de Begeering zelve, wier houding in deze bij de hier aan het woord zijnde leden dan ook geen goedkeuring vond.

Deze leden waren in de eerste plaats van meening dat het volkomen overbodig is, naast den bestaanden grooten spoorweg van Zwolle ovei Meppel en Assen naar Groningen, nog een tweeden, daarmede nagenoeg evenwijdig loopenden spoorweg ten koste van zeer aanzienlijke uitgaven tot stand te brengen.

Doch ook afgezien hiervan werd de ontworpen Iocaalspoorweg onnoodig geacht. Stoomtramverbindingen beschouwde men als zeer voldoende communicatiemiddelen voor de fiierbedoelde streek. De daar reeds aanwezige stoomtramwegen, die ook, met name de Dedemsvaartsche tramweg, gebleken zijn rendabel te zijn, hebben dit bewezen. Zelfs meende men, dat de bloeiende veenkoloniën in Drenthe en Groningen, waar het landbouwbedrijf, ondanks de slechte tijden tot hoogen bloei is gekomen, veel meer gebaat zullen worden door zulke tramlijnen, die deze koloniën doorsnijden, dan door een Iocaalspoorweg, die er langs loopt en zich door de gemeenten Emmen, Odoorn, Borger en Gasselte uitstrekt over eene schrale en dorre vlakte, uitsluitend geschikt voor boschcultuur. De streek nu tusschen Zwolle en Coevorden wordt reeds doorsneden door genoemden Dedemsvaartschen stoomtramweg, die, naar men meende, tot Nieuw-Amsterdam zal worden verlengd. Ter Apel is met Stadskanaal en Zuidbroek verbonden door de Groninger paardentram, terwijl de stoomtramweg Oldambt—Pekela loopt tusschen Stadskanaal en Winschoten. Men behoeft dus nog slechts een stoomtramweg te maken tusschen Coevorden en Ter Apel, om een aangesloten geheel van verbin¬

dingslijnen te verkrijgen, zoodat met veel minder kosten in de behoeften van het verkeer kan worden voorzien.

Overigens was nog de vraag gerezen of door het exploiteeren van de ontworpen spoorlijn door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, die ook de lijn Zwolle—Meppel—Assen—Groningen, in exploitatie heeft, geen inbreuk zal worden gemaakt op een der hoofdbeginselen, die aan de spoorwegovereenkomsten van 1890 ten grondslag liggen, dat namelijk ter bevordering eener gezonde concurrentie, elk der beide groote spoorwegmaatschappijen, van twee wegen, die ongeveer in gelijke richting loopen of dezelfde eindpunten verbinden, er één over zijne geheele lengte zal exploiteeren.

Vele andere leden toonden zich zeer ingenomen met deze wetsvoordracht, die eene oplossing beoogt in den zin van de in de zitting van 6 Maart 1895 (1), door de Kamer aangenomen conclusie. Met die conclusie, waarbij werd uitgesproken, dat „de betrokken streken van Overijssel, Drenthe en Groningen alleen door den aanleg van een Iocaalspoorweg voldoende kunnen worden gebaat", heeft, nadat zij zeer in den breede was gemotiveerd, de Kamer zich met 57 tegen 27 stemmen, derhalve met groote meerderheid vereenigd. De Regeering mocht zich dus ontslagen rekenen van de verplichting om het groote belang van den spoorweg, in de Memorie van Toelichting tot dit wetsontwerp nogmaals uitvoerig uiteen te zetten. Dat, gelijk anderzijds uit eene zinsnede der Memorie van Toelichting werd afgeleid, de ministers, die het wetsontwerp onderteekend hebben, zeiven niet overtuigd zijn van de behoefte aan een Iocaalspoorweg, wordt gelogenstraft door de omstandigheid, dat zij reeds kort na hun eerste optreden aan het bewind in 1891, de wenschelijkheid van den aanslag hebben erkend en dan ook in eene missive van 3 Mei 1893 aan het Centraal Comité voor bedoelden spoorweg zich bereid hebben verklaard, de totstandkoming der lijn onder nader omschreven voorwaarden te bevorderen.

Dat met eene verlenging van den Dedemsvaartschen stoomtramweg tot Ter Apel zou kunnen worden volstaan werd door de voorstanders van den spoorweg beslist ontkend. Vooreerst zou het niet mogelijk zijn over het hooge veen een stoomtramweg aan te leggen, reden waarom ook de spoorweg niet door, maar langs de veenkoloniën is ontworpen; doch al ware dit ten koste van groote geldelijke offers mogelijk, dan toch zou in elk geval die lijn ook tot Zuidbroek moeten worden doorgetrokken, of wel de tusschen die plaats en Ter Apel bestaande paardentramweg voor stoomtramdienst behooren te worden ingericht. Wel zou dan eene doorloopende verbinding verkregen worden, doch slechts eene met smal spoor, ongeschikt voor het belangrijk goederenvervoer, waarop in de betrokken streek gerekend moet worden en met het oog waarop het noodig zal zijn, dat de goederenwagens van een gewonen spoorweg op de plaats van bestemming geladen en gelost kunnen worden. Het smal spoor der bestaande tramlijnen zou dus door spoor van normale wijdte behooren te worden vervangen. Doch dan ware men er nog niet. Zal over een traject van zoo groote uitgestrektheid, als waarvan hier sprake is, zoowel in het personen- als in het goederenverkeer op voldoende wijze kunnen worden voorzien, dan behoort met grooter snelheid gereden te kunnen worden dan op stoomtramwegen geoorloofd is. Om hieraan tegemoet te komen zouden dus een aantal partieele verbindingen moeten worden tot stand gebracht tusschen de stoomtramlijnen en den Staatsspoorweg van Zwolle naar Groningen. Het verkregen resultaat zou dan evenwel toch zeer gebrekkig zijn, aangezien het belangrijke gedeelte der provincie Groningen tusschen Zuidbroek en Delfzijl met de haven, benevens het geheele oostelijke gedeelte van Overijssel, van Zwolle naar Ommen, Hardenberg, Gramsbergen, den Ham, Vriezenveen en Almeloo, alsook geheel oostelijk Drenthe nog van snelle verkeerswegen verstoken zouden blijven. Voor zulk een plan zou bovendien geen steun te vinden zijn in de betrokken streek.

Op grond van het bovenstaande valt dus, meende men, niet te ontkennen, dat slechts door een lokaalspoorweg, als thans is ontworpen, het verkeer op afdoende wijze zal worden gebaat. Opmerkelijk is hierbij dat mede in de streken, die thans reeds door tramwegen worden doorsneden, het krachtigst op het tot standbrengen van den spoorweg wordt aangedrongen, terwijl het groote belang van dien verkeersweg ook duidelijk blijkt uit de omstandigheid, dat de betrokken streek voor de tot standkoming der lijn zeer aanzienlijke bijdragen over heeft. Wat den Dedemsvaartschen stoomtramweg betreft, deze is, men erkende het gaarne, van veel nut, doch hij loopt over den kanaaldijk, en voorziet hoofdzakelijk slechts in het personenverkeer. Het goederenvervoer van en naar de betrokken streek heeft voor verreweg het grootste gedeelte per scheepsgelegenheid plaats.

Tot staving van het hier opgemerkte omtrent het nut van den Iocaalspoorweg werd nog gewezen op het volgende. In geen enkele streek van ons vaderland wordt op zoo ruime schaal gebruik gemaakt van kunstmeststoffen als in de bloeiende veenkoloniën van Overijssel, Drenthe en Groningen, waar, zooals anderzijds reeds werd opgemerkt, het landbouwbedrijf een hoogen trap van bloei heeft bereikt. Die kunstmeststoffen worden met geheele wagenladingen uit Duitschland aangevoerd en moeten thans in schepen worden overgeladen, waardoor — hetgeen vooral ten aanzien van zaken van betrekkelijk geringe waarde, een niet gering nadeel is — de transportkosten aanmerkelijk worden verhoogd.

Een der beste middelen tot verbetering en ontginning van gronden, vooral van dalgronden, waarvan in Groningen, Drenthe en Overijssel nog zeer groote uitgestrektheden op ontginning wachten, is het bemesten met slik of klei, waarmede reeds uitstekende resultaten zijn verkregen en waarvan in de toekomst nog veel is te verwachten, wanneer

(1) Zie no. 12 van den jaargang 1885.