is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 22, 28-05-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M SS

286

kregen. Het besluit der Provinciale Staten van 29 Maart 1898 n°. III, strekt tot grondslag van de thans aangeboden wetsvoordracht. (1)

§ 3. Het gedeelte der Noordzeekust, welke verdediging volgens het hierboven in § 1 medegedeelde krachtens hunne grondwettelijke bevoegdheid door de Staten van Noordholland met name te regelen zou zijn, is dat, hetwelk zich van het punt, overeenkomende met het zuidelijk uiteinde van den Koegraszanddijk zuidwaarts tot aan de Pettener zeewering uitstrekt, met uitzondering van de zoogenoemde „zeewering van Callantsoog", welke krachtens het Koninklijk besluit van 1876 bij het Rijk in beheer en onderhoud is. Immers, wat bezuiden dat kustvak ligt, de Pettener zeewering, wordt door het Rijk onderhouden. En met betrekking tot het gedeelte der kust benoorden het zoo even omschrevene gelegen, valt ten eerste op te merken, dat de Koegraszanddijk in 1610 op kosten van den lande is gelegd. Wel is waar met het voornemen om daarvoor eene waterschapsregeling in het leven te roepen, doch zonder dat aan dit voornemen gevolg is gegeven. De dijk is Staatseigendom gebleven en als zoodanig, onder andere door helmbeplanting tegen verstuiving, onderhouden. Daarachter liggen de gronden van het Koegras, die in 1849 door den Staat zijn verkocht, wel met een beding, betreffende betaling voor de helmbeplanting van de vóórliggende duinen, maar niet onder voorwaarde van onderhoud van den die gronden als zeewering beschermenden zanddijk. Er zijn dus redenen om, nu de verdediging van dit gedeelte der kust ten gevolge van de werking der zee regeling behoeft, den Koegraszanddijk met de daarvoor opgestoven duinen als zeewering aan de krachtens het besluit van 1876 ten laste van het Rijk zijnde objecten toe te voegen.

Voor het deel dier kust tusschen het noordelijk uiteinde van den Koegraszanddijk en de Heldersche zeewering kunnen die redenen niet gelden. Intusschen zou de provinciale of waterschapszorg over dit deel, aangenomen dat ze hier door de Staten zou kunnen geregeld worden, de eenheid van beheer verbreken, weshalve wordt voorgesteld dit gedeelte der kust mede in het Rijksbeheer te nemen.

Daarentegen zou om de noodige eenheid in het beheer te brengen, de voorziening van de „zeewering van Callantsoog, welke is begrepen in het in den aanhef dezer paragraaf omschreven kustvak en welke buitendien nog uit twee van elkander gescheiden gedeelten bestaat, voortaan beter door de provincie kunnen geschieden.

De Staten, bereid om in de verdediging van dit meer omschreven kustvak te voorzien, behoudens Rijkshulp waar de daaruit voortvloeiende lasten de draagkracht der bij die verdediging onmiddellijk belanghebbende gronden te boven gaat, zien nochtans, om verschillende redenen, aan de vorming en ligging van deze streek ontleend, onoverkomelijke zwarigheden om die voorziening bij wijze van waterschapsvorming als anderszins zelve behoorlijk te regelen en hebben gemeend, dat eene regeling de voorkeur zou verdienen, waarbij het Rijk de verdediging van het kustvak geheel op zich neemt, doch met zeer aanzien- lijke bijdragen van de provincie en de belanghebbende gronden.

Dit denkbeeld heeft bij den ondergeteekende ingang gevonden. Evenals bij de Regeering staat bij de Staten op den voorgrond, dat de onmiddellijk belanghebbende gronden in de kustverdediging hebben bij te dragen, zooals billijk en mogelijk zal blijken. Op welke wijze dit te

(1) Dit besluit luidt als volgt:

De Staten der provincie Noordholland,

Gezien de voordracht van Gedeputeerde Staten ;

Overwegende, dat, blijkens ontvangen mededeelingen, de Regeering het voornemen heeft een wetsontwerp aanhangig te maken, waarbij de zorg voor het verdedigen van de Noordzeekust tusschen de Hondsbossche en de Heldersche zeewering — voorzooverre die niet geacht kan worden reeds op het Rijk te rusten — uitdrukkelijk ten laste van den Staat wordt gebracht, mits de provincie Noordholland zich verbinde tot eene overeengekomen bijdrage in de kosten dier verdediging ;

Overwegende, dat het ook in het provinciaal belang gewenscht is, dat het geschil dat in de laatste jaren is ontstaan over de vraag of de hiervoren genoemde zorg al dan niet als Rijkszaak tot de verplichtingen van den Staat behoort, voorgoed worde beëindigd ;

Besluiten :

I. de provincie Noordholland te verbinden, om in de kosten van aanleg en onderhoud der door het Rijk noodig geachte en uitgevoerde werken ter verdediging van het deel der Noordzeekust tusschen den 800sten Meter bezuiden strandpaal IX tot den 900sten Meter bezuiden strandpaal XVII, behalve jaarlijks eene vaste som van f 2500, twee derde gedeelten van hetgeen boven dat bedrag wordt uitgegeven, bij te dragen ;

II. de verbintenis te dezen opzichte tegenover het Rijk te doen ingaan op den dag van het in werking treden eener wet, waarbij, met uitbreiding en aanvulling voor zoover noodig van het Koninklijk besluit van 27 Mei 1876 (Stbl. no. 109), alle werken voor het verdedigen van de Noordzeekust tusschen de Heldersche zeewering en de Hondsbossche zeewering ten laste van het Rijk zullen zijn gebracht;

III. Gedeputeerde Staten op te dragen de noodige voorstellen in te dienen, teneinde de onmiddellijk belanghebbende gronden, voor zoover dit billijk en mogelijk zal blijken, te belasten met een deel der sub I bedoelde bijdrage.

regelen zij, moet aan de Staten worden overgelaten. Hooger evenwel dan met eene jaarlijksche bijdrage van f 2500 zullen zij niet kunnen worden belast. Dat bedrag zal jaarlijks door de provincie aan het Rijk worden uitgekeerd en staat vast, ook wanneer het door de bedoelde gronden niet in zijn geheel mocht kunnen worden opgebracht. Buitendien worden twee derde gedeelten van hetgeen boven het bedrag van f2500 door het Rijk wordt uitgegeven voor aanleg en onderhoud der werken, tot meergenoemd kustvak behoorende, door de provincie bijgedragen.

Aldus wordt behoorlijk rekening gehouden eensdeels met het feit, dat hier inderdaad de onmiddellijk belanghebbende gronden als calamiteus zijn te beschouwen ten opzichte eener doelmatige kustverdediging, anderdeels met het algemeen provinciaal belang, hetwelk daarbij betrokken is, en worden bezwaren opgelost, die, blijkens de geschiedenis der zaak, op andere wijze niet tot oplossing schenen te zullen komen.

Tot nadere adstructie van hetgeen zooeven is opgemerkt, moge nog het volgende strekken.

De duingronden langs het bij art. 2 van het wetsontwerp bedoeld gedeelte der kust zijn tot dusverre niet in eenig polderverband opgenomen ;

zij worden, wat hunne waarde betrett, m het algemeen gescnat op eene belastbare opbrengst van f 1 per hectare. De gronden, in den polder Callantsoog opgenomen, zijn thans reeds zwaar gedrukt en hebben weinig waarde. Ook die van den Zijpe- en Hazepolder hebben eene geringe waarde. Hetzelfde is het geval met de gronden van den polder het Koegras.

In het midden latende, hoever de grenzen zullen zijn te trekken van de gronden, die als belanghebbenden bij de kustverdediging in de bovengemelde uitkeeringen van de provincie aan het Rijk zullen moeten bijdragen, hetgeen ter beslissing staat van de Staten, bevat het hier medegedeelde reeds een genoegzamen maatstaf ter beslissing, eensdeels dat volgens de voorgestelde regeling van de onmiddellijk en ook meer verwijderd beschermde gronden zal worden gevorderd wat redelijkerwijs bij hunne reeds zwakke draagkracht van hen te verkrijgen is en anderdeels dat de provincie, als ware ze één groot waterschap, dat in de plaats treedt van de betrokken gronden voor zooveel die te zwaar zouden worden belast, zeer belangrijk zal bijdragen.

Op het bovenstaande rust de hiernevensgaande wetsvoordracht, welke, naar het voorkomt, geen verdere toelichting behoeft. Op het als bijlage 1 tot deze Memorie toegevoegd kaartje, overigens ontleend aan eene door Gedeputeerde Staten bij brief van 5 Juni 1895, no. 60, aan de Staten overgelegde kaart van de aangedijkte landen benoorden den Westfrieschen Omringdijk, zijn o. a. aangeduid de deelen der zeewering waarvan de kosten van aanleg en onderhoud zullen zijn voor het Rijk alleen en die waarvan de kosten door het Rijk en de provincie gezamenlijk zullen worden gedragen.

Welke werken in de eerste plaats zullen moeten worden gemaakt om in de behoefte aan voorziening der kustverdediging te voldoen, zal na

het tot stand komen dezer wet onmiddellijk worden overwogen, ue daartoe noodige voorstellen zullen dan achtereenvolgens, naar men meent te mogen vertrouwen, reeds bij de begrooting voor 1899, aan de Vertegenwoordiging kunnen worden onderworpen."

17 Mei 1898. Th\ Six.

Uit de Jaarverslagen der Spoor- en Tramwegmaatschappijen over 1897.

Stoomtram-Maatschappij Breskens— Maldeghem 1897.

Aan het door den directeur, den heer B. Nijzink uitgebracht verslag over 1897 ontleenen wij het onderstaande:

De navolgende vergunningen werden gevraagd en verkregen : 1°. van den Minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid voor het maken eener afheiing, het wegbaggeren van grond, het stellen van een Hunt's elevator, het in gebruik nemen van grond voor opslagplaats van grind en het leggen van sporen en wissels, een en ander in de haven en op het haventerrein te Breskens. Deze werken, met uitzondering van het leggen der sporen en wissels, werden tot stand gebracht door en voor rekening der Gebrs. Peters in liquidatie, in verband met hare grindlevering voor de havenwerken te Heijst, waarvoor het vervoer van af Breskens aan deze Maatschappij werd opgedragen.

Het dempen van een gedeelte bermsloot langs den Rijksweg nabij Oostburg en het aanleggen en gebruiken van een wisselspoor aldaar met de noodige verbindingen aan de hoofdlijn der Maatschappij.

Het maken van een los- en laadspoor langs den rechter kanaaldijk van het kanaal van Sluis naar Brugge en tot het rooien van eenige boomen staande langs genoemd kanaal.

2°. van Gedeputeerde Staten van Zeeland tot het aanleggen van een rangeer- of wisselspoor op de noordelijke baan van den provincialen weg van Sluis naar de Belgische grens en tot eene geringe verlegging van het tramspoor aan het begin van de Nieuwstraat te Sluis.

Blijkens het bovenmedegedeel le werd in 1897 aan deze Maatschappij het vervoer opgedragen van eene belangrijke hoeveelheid grind, waardoor eene aanzienlijke uitbreiding noodig was van de sporen en wissels op het emplacement Breskens, en het leggen van wisselsporen bij Oostburg en Sluis. Door het verlengen van het los- en laadspoor langs het kanaal te Sluis werd eene gewenschte verbetering gekregen, waarvan de voordeelen, tijdens het bieten vervoer, reeds in groote mate