is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 29, 16-07-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

375

M 3».

der verbonden edelen binnen Brussel op 3 April 1566, waaraan een zestigtal studenten deelnamen. De optocht bestond uit 7 groepen te paard en 4 te voet, benevens een draagkoets, waarin Jacques de Bailleul gezeten was. De prachtige costumes der Edelen met hunne schitterende kleuren en harnassen vormden een fraai gezicht.

Des avonds had bij eene fraaie illluminatie eene herhaling plaats, waarbij door het schitterend licht de kleuren der costumes nog meer uitkwamen.

De illuminatie zelve was allerfraaist. Over de grachten hingen guirlandes en kronen van licht, die door de weerkaatsing in het water een heerlijk effect maakten. Maar vooral verrassend was de aanblik, dien de Polytechnische School bood toen de electrische verlichting ontstoken was en guirlandes van honderden lichtbollen in verschillende tinten het gebouw in een zee van licht omhulde.

Den volgenden dag had tegen 3 uur in de feesttent de aanbieding van het smeekschrift plaats. Hendrik van Brederode, omringd door de Edelen, hield in de Fransche taal eene toespraak tot de landvoogdes.

Na eenig bedenken sprak de landvoogdes: „Je prendrai votre requête en considération sérieuse et demain je vous ferai parvenir ma réponse."

De landvoogdes, omringd door hare hofdames, was gekleed in de kleeding, die zij het liefst droeg: een onderkleed van goud-brocaat, waarover een prachtig üuweelen overkleed met ballonmouwen, het fluweelen met goud bewerkte kapje op het hoofd.

De feesten werden 's avonds voortgezet met een soirée musicale, gevolgd door bal.

Na afloop van den tweeden dans verkondigde een heraut dat zijne Hoogheid Hendrik van Brederode met zijn gevolg was aangekomen. Een breed pad werd voor hem geopend en statig begaf zijne Hoogheid zich naar de receptiezaal, waar een troon voor hem was opgericht.

Daarna werd door den heraut aangekondigd de komst van zijne Hoogheid Graaf Lodewijk van Nassau, die zich eveneens naar de receptiezaal begaf en links van den troon plaats nam; het orkest speelde inmiddels het Wilhelmus (oude toonzetting). Velen die aan den optocht hadden deelgenomen, maakten hunne opwachting bij Hunne Hoogheden.

Het bal werd daarna door Hunne Hoogheden heropend en duurde voort tot in den vroegen ochtendstond.

Terwijl wij dit verslag schrijven zijn de feesten nog in vollen gang en zullen eerst Zaterdagavond eindigen met een groot vuurwerk.

Alvorens dit verslag te eindigen wenschen wij nog melding te maken van de ingekomen geschenken en vele uitgaven die ter eere van het D. S. C. het licht hebben gezien.

Des Zaterdags vóór de feesten ontving de president van den senaat de heer F. s'Jacob Jr. een eenvoudig lederen étui, waarin een verguld zilveren beker met het volgend begeleidend schrijven :

„Aangeboden door eene dame, eenige overgeblevene in Delft die bij de inwijding der akademie in 1848 is tegenwoordig geweest. Met den wensch, dat die akademie steeds in bloei moge toenemen, opdat het verre nageslacht den roem hunner vaderen, die aan die akademie hunne opleiding hebben genoten, nog lang zullen mogen hooren verkondigen."

Op den beker, die ruim 20 c.M. hoog en mat verguld is, is aan de voorzijde gegraveerd: Aan het corps Delftsche studenten 1848—1898 ; aan de achterzijde staat het Delftsche wapen, terwijl op den fraai bewerkten voet drie lauwerkransen zijn aangebracht. Het geheel is een fraai stuk werk.

Begrijpelijk is het, dat dit geschenk op zeer hoogen prijs wordt gesteld; gedurende de feesten was het ter bezichtiging gesteld in het zaaltje waar de tentoonstelling van den heer Waltman gehouden wordt.

Hoewel het voor Delvenaars vermoedelijk niet lastig zal vallen den naam der Delftsche geefster te raden, verbiedt de bescheidenheid (de opdracht is ongeteekend) hiernaar te gissen.

Tegen drie ure in den namiddag vereenigden zich Zondag in de receptiekamer van het feestgebouw een aantal personen om getuigen te zijn van eene andere huldebetoon]ng, die aan het Delftsch Studentencorps zou worden gebracht. Aanwezig waren de heeren H. J. Verhellouw, de schrijver van het reeds vroeger aangekondigde gedenkboek. „De geschiedenis van het Delftsche Studentencorps van 1848—1898," J. H.

Kremer en A. BlomhIïrt vertegenwoordigende de commissie tot redactie voor den almanak voor 1898; J. C. Loman, de schrijver van het geschiedkundig overzicht der maskerade, F. A. Brandt en J. J. Canter Cremers, respectievelijk componist en teekenaar van den omslag van den feestmarsch, J. Gratama en H. Strick van Linschoten, namens oud-redacteuren van het Alg. Ned. Stud. Weekbl. „Minerva", Th. van der Waersen en G. M. van Valkenburg vertegenwoordigende de redactie van het studenten tijdschrift „In den Nevel", W. Waltman uitgever, en verschillende leden der feest-maskerade en bouwcommissie.

Nadat de Senaat was binnengetreden, nam het eerst de heer H. J. Verhellouw het woord. Herinnerende aan de oprichting van het corps, herdacht hij hoe gunstig de toestand op dit oogenblik is.

Het lidmaatschap van het Corps is een band die niet alleen leden doch ook oud-leden verbindt en opwekding geeft in moeilijke oogenblikken. Bij de bespreking van het ontstaan van zijn werk, deelde spr. mede dat hij niet aarzelde zijn medewerking te verleenen toen hem bleek dat de uitgever er een prachtwerk van wilde maken dat het werkelijk tot een hulde stempelde. Hoogst aangenaam was het spr. dan ook tot deze feestgave te hebben kunnen samenwerken met een uitgever, die reeds zoo lange jaren met het Corps is verbonden geweest.

Hierna bood de heer Verhellouw een prachtexemplaar van zijn werk aan.

De heer W. Waltman, chef der firma J. Waltman Jr., deelde hierna mede hoe hij bij de toebereidselen tot dat feest, gemeend had iets aan het Corps te moeten geven als bewijs zijner achting; moeielijk was de keuze geweest, doch in overeenstemming met den Senaat was deze gevallen op een nieuw Corpsbeeld. Een ontwerper daarvoor te vinden was niet moeielijk, de aangewezen persoon was natuurlijk de heer E. Lacomblé, leeraar aan de P. S., die dan ook onmiddellijk bereid was de opdracht te aanvaarden. Eene ongesteldheid verhinderde den heer Lacomblé echter zijn werk af te hebben en daarom bood de heer Waltman nu een fotografische afbeelding van het beeld aan, nogmaals zijne sympathie betuigend voor het welzijn en den bloei van het corps.

De componist van den bekroonden feestmarsch sprak vervolgens eenige woorden ter begeleiding van een fraai gebonden exemplaar.

Namens de commissie van redactie van den almanak voor 1898 nam hierna de heer .1. H. Kremer het woord. Hij herinnerde hoe op initiatief van den heer Waltman de bloemlezing over de jaren 1876—1898 werd samengesteld, hoe deze zou kunnen bijdragen tot de wetenschap dat de toekomstige ingenieur, die in zijn werkkring gewoonlijk met ruim werk zal te doen hebben, toch ook nog gelegenheid vindt fijne kunst te beoefenen.

De heer B. Veth bood namens de bouwcommissie een album met gezichten op en in het feestgebouw aan. Vervolgens was het' de heer Gratama die sprekende namens drie oud-redacteuren va,n het studenten-weekblad „Minerva", (door een kwestie met de hoofdredactie, hebben de Delftsche redacteuren bedankt) een feestblad van hun hand aanbood.

Ten slotte sprak de heer Th. van der Waerden namens de redactie van het studenten-tijdschrift „In den Nevel",en bood hij het zomernummer aan vergezeld van eene teekening van den artiest Jan Toorop.

Hiermede was de aanbieding van geschenken afgeloopen en de heer F. s' Jacob Jr., president van den Senaat, dankte vervolgens allen die tot deze hulde hadden bijgedragen, inzonderheid echter de heeren Verhellouw en Waltman voor hunne medewerking aan het gedenkboek en den heer Waltman in het bijzonder voor de aanbieding van het corpsbeeld, dat hij een zeer belangrijk geschenk noemde.

INGEZONDEN STUKKEN.

Mijnheer de Redacteur!

Naar aanleiding van het ingezonden stuk van den heer E. in No. 26 van uw blad, wenschte ik op te merken:

dat mijn beweren van «gewone wijze van werken met waterpasse lagen» aan de praktijk is ontleend.

Ik heb hier voor mij een paar Voorwaarden, waarin de ophoogingen over de lengte met «waterpas» en die over de breedte in de eene niet en in de andere slechts met «eenigszins» is beschreven, doch dit «eenigszins» kan ten opzichte van de af-