is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 30, 23-07-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 3©

390

zijn te verklaren, zich daaromtrent in het algemeen met de opmerkingen van den in de Nota bedoelden „bevoegden deskundige" te kunnen vereenigen.

Nochtans kan geenszins worden toegegeven dat de tweede overweging van het Statenbesluit van 29 Maart 1898 er op wijst, dat nu zal zijn uitgemaakt „dat de verdediging der Noordzeekust als Rijkszaak tot de verplichtingen van het Rijk behoort". In die overweging is dat volstrekt niet te lezen ; maar, met de Staten acht de Minister het wenschelijk het reeds zoo lang hangende verschil tot een einde te brengen, zonder evenwel de wijze waarop dit geschiedt, als een antecedent te willen doen gelden, omdat:

1°. waar het steeds erkende beginsel, dat de onmiddellijk belanghebbende gronden in de kustverdediging hebben bij te dragen, wordt behouden, tevens regel moet blijven dat de uitvoering der werken door hen, met medewerking van het bevoegde gezag, en niet door het Rijk geschiede, zij het dan ook met Rijkshulp, zoo noodig;

2°. in beginsel aan de oprichting van een waterschap, omvattende al de gronden die bij de kustverdediging belang hebben, de voorkeur moet worden gegeven ;

3°. de bij deze speciale regeling gemaakte repartitie der kosten geen maatstaf behoeft, noch behoort te zijn voor andere gevallen, waarin hulp van het Rijk en de provincie wordt ingeroepen.

In de gewisselde stukken is de afwijking van het beginsel reeds gemotiveerd. De zaak komt in het kort hierop neder.

In beginsel zou eene regeling, zooveel noodig en mogelijk, behooren uit te gaan van de Staten, en zouden het Rijk en de provincie hulp verkenen daar, waar belanghebbenden te kort schieten, met andere woorden er zou zorden in het leven geroepen eene calamiteuse polder- of waterschapsregeling. Nu is het bekend dat de Staten van Noordholland in het maken van zoodanige regeling in casu onoverkomelijke bezwaren zagen, althans niet konden komen tot eene waterschapsregeling die, naar het oordeel der Regeering, aan het vooropgestelde beginsel en het doel zoude beantwoorden.

In dien stand van zaken is gezocht naar eene regeling die, met eerbiediging van den regel „dat de belanghebbende gronden in de eerste plaats zouden moeten bijdragen", tot eene oplossing van de zoo lang hangende quaestie konde leiden.

Die regeling bestaat daarin dat de provincie voor dat gedeelte der kust dat niet ten laste is van het Rijk, optredende voor de belanghebbende gronden, in de eerste plaats de bijdragen van die gronden op zich neemt, met de bevoegdheid om ze op die gronden te verhalen, en vervolgens f deel der kosten draagt van de noodige werken, daarbij als het ware de provincie in haar geheel, in de plaats van een groot waterschap doende treden.

„Voor dat gedeelte der kust dat niet ten laste is van het Rijk", want men neme wel in aanmerking, dat van de Noordhollandsche kust belangrijke gedeelten, als de Heldersche zeewering, de Pettemer zeewering, en de zoogenaamde zeewering van Callantsoog, onbetwist ten laste van het Rijk liggen en sedert jaren hebben gelegen.

De Noordzeekust in Noordholland is, met betrekking tot de aanhangige quaestie, te verdeelen in twee wel te onderscheiden gedeelten, als :

1°. die gedeelten, welke gelijk boven gezegd, onbetwist ten laste van het Rijk zijn;

2°. die gedeelten, waarvan de Staten beweerden, dat de onderhoudslast op het Rijk zou rusten.

De aangeboden regeling nu betreft het deel sub 2°. voor zooveel zij de bijdragen van de belanghebbenden, het Rijk en de provincie bepaalt, terwijl het deel sub 1°. uitbreiding ondergaat met de kustvakken vóór de Grafelijkheidsduinen en den Koegraszanddijk.

Het in de Regeeringsstukken gestelde omtrent het brengen ten laste van het Rijk der kustvakken van de Grafelijksduinen en den Koegraszanddijk heeft, bij de ontleding daarvan in de Nota, ietwat geleden. Te recht wordt daar het alleen bekostigen door het Rijk van aanleg en onderhoud van het eerstgenoemde kustvak niet gemotiveerd geacht door het streven naar eenheid van beheer. Doch daarbij is, gelijk later in de Nota wordt erkend, bij deze transactie, gelijk de regeling min of meer te recht wordt genoemd, niet voorbij te zien, dat de voorziening van de zoogenaamde Rijkszeewering van Callantsoog, voortaan voor f voor rekening der provincie zal komen.

Ook ten opzichte van den Koegraszanddijk is in de Nota, door het ontleden der motieven, die in de Memorie van Toelichting zijn aangevoerd, het verband daarvan eenigszins miskend. Feitelijk is — het kan moeilijk worden ontkend — die dijk op kosten van den lande gelegd; van eene waterschapsregeling is niets gekomen en de diik is Staats¬

eigendom gebleven en als zoodanig onderhouden. Dat hij als zeewering door het Rijk zou zijn onderhouden, is niet gezegd; daarvan kon geen sprake zijn omdat de dijk, tengevolge van aanstuiving van duinen, reeds spoedig na zijn aanleg niet meer als zoodanig heeft behoeven dienst te doen.

Evenmin is medegedeeld dat het onderhouden van den dijk als zeewering het gevolg zou moeten zijn van het beplanten van den dijk met helm tegen verstuiving, of wel van 's Rijks recht van eigendom op den dijk. Maar, aan de door de Gedeputeerde Staten steeds aangevoerde

gronden voor de stelling dat het onderhoud van dezen dijk als zeewering bij het Rijk berust, is niet alle kracht te ontzeggen; zij worden nog versterkt door kennisneming van de wet van 28 Januari 1817 (Stbl. no. 8), betreffende de werken aan het Nieuwediep en de bedijking van het Koegras, en van de daaromtrent gewisselde stukken, en waar het nu noodig bleek tot oplossing der bestaande moeilijkheden de medewerking der Staten te verkrijgen, daar mochten de aangevoerde motieven, in onderling verband beschouwd, nu de verdediging van dat gedeelte der kust regeling behoefde, naar het schijnt wel mede in aanmerking komen om den dijk thans als zeewering ten laste van het Rijk te brengen.

De bijdrage van het Rijk voor ^ wordt voor het kustvak sub 2 ., gelijk in de Nota wordt gezegd, niet nader gemotiveerd.

Dit is juist; maar was het noodig? Op de geringe draagkracht der betrokken polders was gewezen, de vaste bijdrage aan het Rijk van f 2500 houdt daarmede verband. De bijdrage van de provncie ad § van hetgeen door het Rijk wordt uitgegeven, mag aanzienlijk heeten. Aldus kunnen de kosten van het Rijk ad gelijk in par. 1 door vele leden is erkend, niet te hoog worden geacht.

Voorts wordt in de Nota nadere verduidelijking gewenscht omtrent de voornemens der Regeering ter uitvoering van het wetsontwerp en nopens de daarmede, globaal berekend verbonden kosten.

De Regeering kan evenwel thans daaromtrent niet in bijzonderheden treden, hoofdzakelijk omdat het onmogelijk is thans reeds te bepalen over welke lengte en binnen hoeveel jaren de kust door strandhoofden zal moeten verededigd worden. De bedoeling is in de eerste plaats vóór den polder Callantsoog en voor het strandvak, onmiddellijk noordelijk daaraan grenzende, strandhoofden aan te leggen. Daarmede zal gepaard gaan het versterken en vervormen van de duinen van de Zeereep, waar zwakke plaatsen worden aangetroffen. De bestaande Rijks-zanddijken vóór Callantsoog zullen op voldoende breedte moeten worden gebracht en gehouden.

De strandhoofden, vormende de verdediging van het strand, zullen aanzienlijke kosten vorderen, terwijl de versterking der zwakke punten weinig kostbaar is. Daaronder zijn niet begrepen de Noorder- en Zuider-Schinkeldijken, noch de Vóórdijk, noch andere in de Nota genoemde dijken.

Omtrent de kosten der over een groot aantal jaren te verdeelen werken kan de Regeering thans geen nadere verklaringen geven dan reeds in de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer is gedaan.

Men neme wel in aanmerking dat in de kosten door het Rijk slechts voor £ wordt bijgedragen. Voorts is het duidelijk dat, waar in de aangehaalde Memorie van Antwoord, als terugslag op het Antwoord, in het Verslag zelf aan eenige leden gegeven over de vermoedelijke kosten, in de repartitie der kosten een krachtige waarborg tegen overdrijving en buitensporigheid is gevonden, daar alleen sprake kan zijn van de kosten van het kustvak, waaromtrent eene repartitie plaats heeft. Wat het door het Rijk te verdedigen kustvak aangaat, zoo valt op te merken dat het thans nog niet te voorzien is binnen hoeveel jaren de verdediging daarvan over de volle lengte noodig zal zijn. Uit den aard der zaak zal echter, wanneer daartoe eenmaal moet worden overgegaan, tegen buitensporigheid en overdrijving moeten gewaakt worden.

18 Juli 1898. Th. Sis.

Nederlandsche Maatschappij tot bevordering van Nijverheid.

(Vervolg van blz. 378.)

Na de rede van den voorzitter kreeg de heer Gr. Salomonson Hzn., eerelid der maatschappij en directeur van de kon. stoomweverij te Nij verdal, het woord over de ontwikkeling der textiel-industrie in Twenthe na 1872, ook in verband met het algemeen belang.

Spreker doet allereerst een beroep op de clementie der aanwezigen, wijl hij buiten zijn schuld niet in staat is het onderwerp volledig te behandelen. Daarvoor was de medewerking noodig van anderen, en die hulp is hem sleehts in beperkte mate verleend. Velen, die aan derden geen inlichtingen willen verschaffen omtrent hunne zaken, bleven het antwoord op de door hem gestelde vragen schuldig. Hij moet zich dus bepalen tot hem bekende gegevens en die welke hem verschaft zijn door de Kamers van koophandel en fabrieken.

Spreker wil vooral stil staan bij twee hoofdmomenten in de geschiedenis der textiel-nij verheid, n.1. de jaren 1811 en 1872.

In 1811 was onze handel geheel overvleugeld door die van Engeland. Daardoor ook moest de textiel-nij verheid kwijnen. In dien tijd werden in Engeland op dit gebied verschillende uitvindingen gedaan. Sedert die uitvindingen is den Engelschen het denkbeeld eigen gebleven, dat zij in de textiel-nijverheid vooraan staan en zij kunnen het inderdaad beweren.

Ook door het continentaal stelsel heeft de Engelsche nijverheid zich zeer ontwikkeld, daar de Engelschen zich toen genoodzaakt zagen, zich met kracht op verschillende industrieën toe te leggen. De Engelsche regeering heeft, door bescherming, waar de industrie nog niet rijp was voor vrije concurrentie, door het sluiten van gunstige handelsverdragen en door het openen van bronnen voor den afzet der artikelen, tot den bloei der industrie medegewerkt.

Toen in 1815 België met ons land vereenigd werd, gingen ook hier krachtige stemmen op, om bescherming. Toen werd voor de Indische markt grootendeels door Zuid-Nederland gewerkt. Na de scheiding be-