is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 34, 20-08-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

433

M 34.

koeling tot de bruinwarmte gegloeid en na nogmalige afkoeling 1 mM. ingeschaafd. Uit deze figuur is reeds eene sterke

verbetering zichtbaar en kan, ofschoon eindelijk breuk volgde, van bepaalde broosheid niet meer gesproken worden.

Fig. 44

De proef no. 45, kersrood uitgegloeid, kon reeds geheel worden saamgebogen, zonder te breken. Uitgloeien biedt dus beveiliging aan, tegen eene, door ongunstige bewerking bij de kritische temperatuur opgetreden broosheid, wijl deze daardoor wordt opgeheven.

Nu is nog de vraag open, of bij buiging op de kritische temperatuur gedurende en door deze buiging zelve, gemakkelijker een scheuren kan ontstaan, dan wanneer de buiging in kouden staat plaats had.

_ Daartoe werden de volgende proefstrooken, na het gewone uitgloeien en afkoelen, niet meer aan een heen en weer buigen onderworpen, maar slechts aan ééne zijde 1 mM. ingeschaafd en dan getracht, bij de kritische temperatuur zelve, hen op de buigmachine te buigen.

Waren de strooken koud geweest, zoo hadden zij zich zoover laten buigen, als bij fig. 13 mogelijk was. In plaats daarvan, verkregen zij, bij de volgende kritische temperaturen, de onderstaande gedaanten:

Fig. 46. Bleek gele aanloopkleur. — Fig. 47. Koperkleurige aanloopkleur. — Fig. 48. Violette aanloopkleur. — Fig. 49. Blauwe aanloopkleur. — Fig. 50. Groene aanloopkleur.

Bij eene temperatuur, hooger dan de groene aanloopkleur, nam de strook de gedaante van fig. 51 aan; bij het buigen, onmiddellijk nadat het gloeien in een duister vertrek even waarneembaar was, daarentegen de gedaante van fig. 52.

Het buigen dezer kunstmatig beschadigde strooken 46—51 op de buigmachine, bracht dus, in tegenstelling met fig. 13, breking teweeg, terwijl het buigen bij een temperatuur, welke, zooals gezegd is, in het duister slechts even zichtbaar was — zooals fig. 52 aantoont ■— niet meer nadeelig op het beschadigde proefstuk werkte.

Gedurende het buigen dezer strooken, hoorde men voortdurend een knetterend geruisch, alsof vezel van vezel werd losgerukt.

Om te zien hoe de geaardheid van dergelijk behandeld materiaal, na het afkoelen is, werd proef no. 47, na volledige afkoeling, opnieuw op de buigmachine gebracht. Zij brak echter dadelijk glashard broos af, en de nu ontstane breuk vertoonde een wit fijnkorrelig glanzend oppervlak, in tegenstelling van de reeds voorhanden gedeeltelijke breukvlakte, welke een koperkleurige, dofmatte korrel aanwees. Na het afkoelen, was dus het materiaal glasaardig broos geworden, hetgeen in den toestand der kritische temperatuur volstrekt niet aan het licht was getreden.

Nu werden met het materiaal overeenkomstige proeven omtrent den weerstand tegen ponsen gemaakt; afwisselend werden zij in houden staat, of op de kritische temperatuur geponst. De proefstrooken werden in den niet, of wel in den kunstmatig beschadigden staat, met afgebraamde, of niet afgebraamde ponsranden gebogen. Ook hier trad een nadeeliger invloed op, als het ponsen in plaats van koud op de genoemde temperatuur plaats had; de uitkomsten waren intusschen niet zoo in het oog vallend en niet zoo regelmatig, zoodat zij hier achterwege blijven.

* *

*

Daarna werden proeven genomen met het oogenblikkelijk gewonnen vloeiijzer-fabrikaat, dat dezelfde resultaten opleverde. Verder zulke ingesteld met iets harder vloeiijzer van de vol-