is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 42, 15-10-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 43.

524

van staking, voor het vervoer te zorgen, kan voor ondernemingen van de eenvoudigste klasse bezwarend blijken ;

Art. 25. Er zijn stoomtramwegen waarop geen stations en halten bestaan ;

Art. 26. De vaststelling van een dienstregeling door den Minister zal voor onderscheidene stoomtrammen achterwege kunnen blijven ;

Art. 28 en art. 29. Het zal niet altijd noodig zijn, goedkeuring der tarieven door den Minister te eischen. De openbare aankondiging der tarieven zal gehandhaafd moeten blijven ;

Art. 33a. Het gevaar voor uit de locomotief opstijgende vonken is minder groot bij tramweglocomotieven, wanneer door deze gelijk gewoonlijk geen zware treinen, maar slechts enkele rijtuigen worden getrokken;

Art. 45. Verplicht vervoer van militairen tegen den hal ven vrachtprijs zal voor ondernemingen van de laagste klasse te drukkend kunnen zijn. In den regel wordt in de concessie opgelegd zich met het Departement van Oorlog over het militair vervoer te verstaan ;

Art. 46. Vrij vervoer van de beambten van het openbaar gezag zal moeilijk kunnen geëischt worden van ondernemingen, welke om hare exploitatiekosten te kunnen dekken, geene baten kunnen missen.

Tweede lid. Ofschoon deze wet zich aankondigt als eene dispensatiewet, is zij feitelijk voor de bestaande stoomtramwegen eene wet welke in plaats van vrijheid te verleenen, de bestaande vrijheid beperkt. Wel zullen door de toepassing van de bevoegdheid, om van sommige artikelen der spoorwegwet afwijkende bepalingen te maken, de bezwaren, welke de nieuwe wet voor bestaande ondernemingen ten gevolge zal hebben, tot een minimum worden teruggebracht, maar zelfs wanneer van deze bevoegdheid een ruim gebruik wordt gemaakt, zou het misschien niet geheel te vermijden zijn, dat aan bedoelde ondernemingen door deze wet eenig geldelijk nadeel wordt berokkend.

Ten einde dit zooveel mogelijk te voorkomen, zou bij den maatregel van bestuur in dit artikel bedoeld, een mildere behandeling moeten worden gewaarborgd aan die ondernemingen, welke reeds bij het in werking treden van deze wet in exploitatie waren. Dit zou echter alleen geschieden voor zooveel de ondernemers ter wille van die minder strenge bepalingen, zich een geringere snelheid willen getroosten, welke de tegenwoordige maximum-snelheid der stoomtrammen niet overschrijdt. Zoodoende zal bedoelden ondernemers vrijstaan, hetzij hunne spoorwegen op den bestaanden voet te blijven exploiteeren, hetzij daaraan als middel van snel vervoer eene grootere beteekenis te geven, in welk laatste geval zij zich echter aan da algemeene bepalingen van het reglement zullen hebben te onderwerpen, tenzij daarvan door het bevoegde gezag in elk bijzonder geval ontheffing zal worden verleend. Eene soortgelijke bepaling werd voor bij het in werking treden der veiligheidswet reeds bestaande fabrieken en werkplaatsen opgenomen in art. 6, tweede lid, van die wet.

Derde lid. Door de voorgestelde regeling zal de bemoeiing van de lagere besturen met de tramwegen worden beperkt. Is deze beperking te verdedigen op grond van het belang dat bij eenheid van voorschriften voor middelen van snel vervoer betrokken is, zoo geldt deze overweging toch niet voor de veiligheidsmaatregelen uitsluitend door plaatselijke omstandigheden geboden, zooals bijv. het op gevaarlijke punten doen voorafgaan van den diensttrein door een man, met een bel of met een vlag. Er bestaat aanleiding in dit opzicht aan de gemeentebesturen eenige politie-bevoegdheid te laten voor zooveel nl. die gedeelten van den spoorweg betreft, welke op den openbaren weg zijn aangelegd. Er moet echter worden gewaakt tegen het ontstaan van conflicten met de van Regeeringswege gegeven voorschriften, weshalve de voorschriften der gemeentelijke autoriteit afhankelijk zullen moeten gesteld worden van de goedkeuring van het centraal gezag.

Soortgelijke overwegingen deden zich gelden bij de samenstelling der veiligheidswet. Art. 28 der wet kan daarom voor deze regeling tot voorbeeld dienen.

Artt. 3, 4 en 5.

Deze artikelen zijn gelijkluidend aan de artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 26 October 4889 [Stsbl. no. 146).

Art. 6.

Gelijk reeds bij art. I werd aangeteekend, ligt het in de bedoeling den overgang in den nieuwen rechtstoestand voor de bestaande ondernemingen te vergemakkelijken. Toch zal het geval zich kunnen voordoen, dat bij gelegenheid van het door een lager bestuur of door een particulier verleenen van een vergunning, een verplichting aan een ondernemer is opgelegd om bijv. niet na zonsondergang te rijden terwijl de van Regeeringswege vastgestelde dienstregeling avonddienst voorschrijft. In dit geval zal, indien de dienstregeling den ondernemer in strijd brengt met een bij eenige vergunning aanvaarde verplichting, de schade voor rekening van den Staat moeten komen.

Bij de overweging of het publiek belang het opleggen door het centraal gezag van een verplichting vordert strijdig met zoodanige aanvaarde verplichting, zal dus rekening zijn te houden met de gehoudenheid tot schadevergoeding welke daaruit voor den Staat kan voortvloeien.

"Voor zooveel bedoelde vergunningen na 1 October 1898 worden verleend door lagere besturen of particulieren, zullen omgekeerd deze met de beginselen dezer wet rekening hebben te houden.

Of de onderneming al of niet op het tijdstip van in werking treden

van deze wet reeds in exploitatie was, komt er voor een eventueele aanspraak op schadevergoeding niet op aan. De vraag is alleen of reeds vóór de indiening van deze wet een verplichting of voorwaarde door een ondernemer of aanstaanden ondernemer was aanvaard.

KLEINE MEDEDEELINGEN. Iets over Passerdoozen.

In onze eeuw van vooruitgang is het een opmerkelijk feit, dat terwijl op elk gebied uitvindingen en verbeteringen worden toegepast, onze passerdoozen betrekkelijk nog zoo gebrekkig en onpractisch gebleven zijn en men zich reeds zoo lang heeft moeten behelpen met het niet altijd voldoende afgewerkte en veelal onnauwkeurige gereedschap, dat gedurende 30 a 40 jaar bijna onveranderd — op enkele goede doch zeer kostbare soorten na — in den handel voorkomt.

Terwijl bij zeevaartkundige instrumenten en bij meetwerktuigen voor landmeters, evenals voor eiken bijzonderen tak van industrie in de laatste jaren de grootst mogelijke volkomenheid is bereikt, is het zoo zeer onontbeerlijke teeken-instrument, namelijk de passer, ofschoon het dagelijks gebruikt wordt zoowel door bouwkundigen als door machine-fabrikanten, scheepsbouwmeesters, enz. enz. bijna geheel vergeten geworden, en moesten de teekenaars zich maar blijven behelpen met. de hun aangeboden instrumenten van een onvoldoende samenstelling, en hebbende al sinds jaren dezelfde onvolkomenheden.

Toch zijn er goede passerdoozen, maar zij zijn nog te weinig bekend. Sedert eenigen tijd — echter lang genoeg om van behoorlijke ondervinding te spreken — brengt de heer B. J. Hesselink, Amsterdam, Keizersgracht 263, passerdoozen in den handel, die eene grootst mogelijke volmaking hebben bereikt en dan ook zoowel door zeer practische inrichting als door nauwkeurige en smaakvolle afwerking in nieuw zilver uitmunten.

Wij willen hier enkele voordeelen van eenige instrumenten opsommen.

De orleon heeft een dubbele stalen veer waaraan de trekpen is bevestigd, in plaats van aan een onbuigzame stang. Hoe wijd men dus het passertje ook stelt, de trekpen blijft steeds een verticalen stand behouden. De stalen punt blijft steeds onbeweeglijk op het papier — draait niet mede —, zoodat hierin geen gaten behoeven geboord te worden. Trouwens, driekante punten, welke als opruimers in het papier werken, zijn bij alle instrumenten vermeden.

Met dit instrumentje kunnen zeer zuivere cirkels getrokken worden, tot van 1j2 m.M. middellijn.

De meetpasser heeft losse stalen puntjes, zoodat bij het breken of onbruikbaar worden van een dezer, de passer niet korter behoeft afgeslepen te worden; men vervangt eenvoudig het onbruikbare puntje door een nieuw, waarvan er eenige aan de doos zijn toegevoegd.

Het verdeelpassertje heeft een rechtsche en een linksche draad, waardoor snelle beweging verkregen wordt. Het stelschroefje is in 't midden geplaatst, waardoor het passertje met ééne hand bediend kan worden; de omtrek van dit schroefje heeft een millimeter verdeeling, waarmede men op het papier millimeters kan afdrukken.

De trekpennen, naar verkiezing met of zonder scharnier, hebben een handvat van aluminium, waardoor het instrument zeer licht is. Het stelboutje is geheel onafhankelijk van de bekken, zoodat deze nooit scheef voor elkaar kunnen getrokken worden.

Het kokertje waarin de stalen passerpunten bewaard worden, is zoodanig ingericht, dat aan eene zijde, in een gleuf-, een trekpen of potloodstang van een passer gestoken kan worden om hiermede uit de hand te kunnen teekenen. De schroevendraaier dient tevens tot bewaarplaats van potloodstiftjes.

Een groote verbetering hebben de koppen der passers ondergaan. Deze koppen hebben in het draaipunt nokjes en het stelschroefje is buiten het draaipunt der passerbeenen geplaatst, zoodat dit met het heen en weer draaien der beenen nooit losser of vaster kan gaan zitten, noch ook zoogenaamd kan schrikken. Bovendien zijn de busjes waarin verlengstuk, trekpen of potloodhouder geplaatst moet kunnen worden, zoodanig ingericht, dat een groot aansluitingsvlak ontstaat en wankelen van het onderdeel geheel onmogelijk is.

Daar de passerdoozen hier te lande reeds bij vele groote industrieele inrichtingen gebruikt worden, kan wel worden aangenomen dat ze zeer voldoen. Zij zijn bovendien bereikbaar voor een ieder, daar de prijzen niet hooger zijn dan die van de meer ouderwetsche doozen. l_