is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 48, 26-11-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 48.

588

onder de moeilijkste omstandigheden binnen de grenzen der vooraf gemaakte ramingen zijn uitgevoerd, leveren het bewijs, dat de Indische ingenieur in deze voorzeker niet ten achter staat bij zijne collega's in het moederland, schrijft hij. Het gaat ook niet aan, om het geheele korps Indische waterstaats-ambtenaren verantwoordelijk te stellen voor een misgreep van een hunner, al zij het dat deze misgreep zeer ernstig is en in hooge mate van plichtverzuim getuigt.

De geschiedenis van den Nieuwen Waterweg in Holland heeft geleerd, dat bij technische zaken de meest eminente ingenieurs van meening kunnen verschillen. De uitgaven voor den bouw van dezen waterweg en voor dien van het Noordzeekanaal strekken ten bewijze, dat ramingen van groote werken menigmaal worden overschreden.

Al wordt toegegeven dat de overschrijding der raming van de Solo-werken exceptioneel is, zoo zou deze overschrijding op zich zelve beschouwd nog niet direct tot een ernstig verwijt aan den ontwerper mogen voeren, ware het niet dat groote tekortkomingen dezen ingenieur ten laste moeten gelegd worden ; hieruit °mag echter in geenen deele eene algemeene beschuldiging van het geheele korps ambtenaren volgen.

«De lijdensgeschiedenis der Solo-werken is voorzeker het gevolg van groote lichtzinnigheid en oppervlakkigheid, doch slechts enkele weinige personen dragen hiervan de verantwoordelijkheid. De toenmalige Minister van Koloniën was een man van illusiën. De wensch tot het behoud van het vaarwater naar Soerabaja, zoomede die om een groote landstreek in vruchtbare akkers te herscheppen, was een der idealen van dien Minister; hij meende door die werken aan het nageslacht een historisch monument van zijn bestuur te kunnen nalaten.

«De ingenieur, die met het maken der plannen en met de uitvoering belast is geweest, was een evenknie van dien Minister; ook hij is een groot idealist.

«In Holland en niet in Indië werden ten slotte de plannen en begrootingen door dien Minister met dezen ingenieur vastgesteld. In Nederland werd de eindbeslissing genomen.

«Bij de raming der kosten werd, al zij het dat te voren overleg met Indië had plaats gehad, geen rekening gehouden met de resultaten, welke bij andere groote werken verkregen waren. Het werk moest succes hebben, een bepaalde som mocht niet aanmerkelijk overschreden worden. De Minister en de ingenieur-ontwerper waren geheel ter goeder trouw. Zij bouwden luchtkasteelen op lichtzinnige wijze ; zonder rijp en goed overleg, werden de begrootingen vastgesteld en goedgekeurd, zoodra zij aan de bovengestelde wenschen beantwoordden.

«Aan den ontwerper werd de uitvoering opgedragen, tevens werd hem daarbij de meest mogelijke zelfstandigheid gegeven. De directie der openbare werken en de hoofdingenieur van den waterstaat in Indië stonden, behoudens de geldelijke verantwoording, buiten de uitvoering. De ingenieur, die met den bouw belast was, deed zich ook wederom hierbij als een illusionist kennen. De kostbaarste werktuigen werden uit Nederland ontboden, hoewel vele geen voldoend emplooi konden vinden of voor het doel ongeschikt waren. Op groote schaal, zonder voldoende rekening te houden met de kosten, werd gearbeid. Een juist overleg, een juist wikken en wegen werd verzuimd. De gevolgen van deze losbandigheid op technisch gebied waren te voorzien.

«Voorzeker is tot den directeur der openbare werken het verwijt te richten, dat hij niet tijdig de Regeering gewezen heeft op het roekeloos beheer. Het feit, dat de directeur geen technische verantwoordelijkheid voor den arbeid van de Solo-werken droeg, onthief hem niet ten volle van den plicht om de Regeering tijdig in te lichten omtrent de misslagen van den uitvoerder. De nadeelige gevolgen van deze fouten zouden in dat geval minder groot geweest zijn.

«Uit de omstandigheid, dat nagenoeg alle Indische ingenieurs de oorspronkelijke raming der werken vele millioenen te laag achtten, en uit de geringe stem, welke zij te voren in de zaak gehad hebben, volgt reeds dat de verantwoordelijkheid voor de begrooting niet ten laste van het geheele korps gebracht mag worden».

* *

Naar aanleiding van het bovenstaande merkt de «N. R. G.t> op, dat alles niet alleen door den ingenieur Pierson en zijne adsistenten ontworpen werd, maar, blijkens de Memorie van Antwoord van 1893, «onderzocht en goedgekeurd» door «den chef van het betrokken technisch bureau bij het departement der Burgerlijke Openbare Werken en door den Directeur.» Van

dien departementschef waren de goedkeurende adviezen, van den 19en April en den 23en Juni 1892, bij de stukken overgelegd.

«Het is, zegt het blad verder, niet moeielijk, Van Dedem's nagedachtenis te bezwaren: hij is er niet meer om zich te verdedigen. Wie echter den man gekend hebben, met zijne nobele nauwgezetheid van geweten, moeten met ons vragen: staat de heer De Gelder in voor hetgeen h'y zegt? Zijne bewering is vierkant in strijd met hetgeen de minister in de stukken van '93 heeft verklaard; zij is ook niet overeen te brengen met de behandeling, welke Indische voorstellen hier te lande onvermijdelijk en natuurlijk moeten ondergaan. De plannen met de Solo-rivier waren niet van één dag. Van 1852 af was men aan het overwegen, op welke wijze aan het periodiek onder water staan en uitdrogen van het Noordelijk deel der residentie Soerabaja een einde gemaakt kon worden. In 1881 was er een voor-ontwerp gemaakt, dat door dringerder werken op den achtergrond geschoven was. In 1889 waren de opnemingen onder leiding van den ingenieur Pierson, hervat en van dien arbeid was het ingediende ontwerp de vrucht, eene vrucht zóó rijp, dat de Minister in de Memorie van Toelichting de beslissing «volkomen voorbereid» kon noemen. Is het nu geoorloofd van dit alles te zeggen: de Minister en de ingenieur «bouwden luchtkasteelen op lichtzinnige wijze»? Indien er zulke kasteelen gebouwd zijn, dan is het niet geweest door deze twee alleen, maar hebben allen, die in Indië de plannen hebben helpen voorbereiden en goedkeuren er aan medegewerkt».

*

* *

Uitvoerig antwoordt de oud-hoofdingenieur J. A. de Gelder in de «N. R. C.» op de bedenkingen, die hare redactie had tegen het eerste schrijven van den heer De G. Wij ontleenen er het volgende aan:

Het avant-project, dat uit Indië gezonden was, werd in Nederland door den ingenieur Pierson uitgewerkt. Werd echter ooit de definitieve begrooting volledig gemaakt? Werden alle projecten der belangrijke kunstwerken te voren in Nederland vervaardigd ? Werd een werkplan opgesteld? Werd een volledig uitgewerkt geheel aan het oordeel van eene commissie van deskundigen onderworpen ? Was het aan te nemen, dat de ingenieur Pierson, in verband met diens verleden, berekend was voor zijne taak? Kon op goede gronden verwacht worden dat hij in staat zou zijn om den arbeid zelfstandig te leiden?

Op alle deze vragen moet, meent de heer De G., een ontkennend antwoord gegeven worden.

«Erkend zal moeten worden, dat deze verzuimen de oorzaak zijn van de lijdensgeschiedenis der Solo-werken. Beaamd zal moeten worden dat deze voorbereidende arbeid en nog veel meer onmisbaar is, zoowel om een groot werk tot stand te brengen als om eene eenigszins betrouwbare begrooting te kunnen samenstellen. Toegegeven zal moeten worden dat de ingenieur Pierson, onder goedkeuring van den Minister van koloniën zelfstandig, zonder bemoeienis der Indische autoriteiten, den gebrek kigen voorbereidenden arbeid in Nederland verricht heeft. Waar en bij wien ligt nu de schuld van den ondervonden tegenspoed ?

Voorzeker niet bij het corps Indische ingenieurs; dit corps staat geheel buiten de zaak, tenzij hun de eisch gesteld mocht worden dat zij den Minister onder het oog hadden behooren te brengen, dat deze bewindsman op lichtvaardige wijze ten opzichte der Solowerken handelde. Een dergelijke eisch is echter onbestaanbaar met het oog op de verhouding van het opperbestuur tot de Indische technici, bovendien ontbrak zelfs de mogelijkheid om aan dezen eisch te voldoen, daar in Indië de gebreken der voorbereiding eerst bekend werden, toen deze reeds een fait accompli was.

«Is het nu te verwonderen, dat de Indische ingenieurs nagenoeg eenstemmig de toekomst der Solo-werken donker inzagen? Volgt hieruit reeds niet dat zij voor dien arbeid niet verantwoordelijk gesteld mogen worden? Bewijzen de resultaten niet juist hun goed inzicht?»

Verder vertelt de heer de G. dat de groote aannemers in Holland in 1893 reeds den Minister gewezen hebben op de onjuiste raming, op de lage eenheidsprijzen. «Deze deskundigen, die meer dan eenig ingenieur in Nederland, ervaren moeten zijn in de berekening van kosten van eenig werk, zijn nimmer gehoord. Aan hunne mededeelingen werd nimmer eenig gewicht gehecht. Het is daarom aan te nemen dat de stem der Indische ingenieurs eveneens een roepstem in de woestijn zou geweest zijn. Wij kennen een ingenieur van toenmaals groot gezag, die jaren geleden vier verschillende groote werken in Indië afkeurde. Eenmaal heeft de Regeering zijn advies gevolgd, bij de drie