is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 50, 10-12-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 50.

612

ontstaan. Indien dat juist is, zou men gaarne vernemen, welke de ] oorzaak van dat verschijnsel is.

In de Memorie van Toelichting wordt gezegd, dat een gedeelte van het kanaal 's-Hertogenbosch—Drongelen bezwaarlijk tot uitvoering kan komen, zoolang de Baardwijksche overlaat nog moet werken. Gevraagd werd, wanneer tot de sluiting van dien overlaat overgegaan zal kunnen worden.

Art. 50 Verbetering Vecht in Overijssel. De afsnijding van betrekkelijke groote riviervakken ten behoeve van de normaliseering van de Vecht, gaf aanleiding tot de vraag, of er na de verbetering gedurende de zomermaanden wel een voldoende waterstand op die rivier zal behouden blijven. Ook zou men gaarne vernemen, of reeds bekend is, op welke plaatsen stuwen gebouwd zullen worden. Men achtte htt wenschelijk die plaatsen spoedig bekend te maken, opdat de afwatering der nabijgelegen landen later geen nadeel zou ondervinden, ook in verband met de afdamming en aanvulling van de afgesneden riviervakken.

Art. 55. Vluchthaven aan het Krammer. Ten vorigen jare wenschte de Minister zich zijn oordeel voor te behouden omtrent den aanleg van eene vluchthaven aan het Krammer, omdat de beslissing ten aanzien van de verbetering van den waterweg van Dordrecht naar zee ten deze van invloed kan zijn. Men vroeg, of de Minister thans omtrent deze zaak eenige nadere mededeelingen kan verstrekken.

Art. 56. Heldersche zeewering. Volgens de toelichting op dit artikel is de diepte tusschen het Noordduinshoofd en het Noorderhoofd reeds te groot geworden om tot het aanleggen van hoofden over te gaan. Men vroeg, waarom niet vroeger tot aanleg van hoofden besloten is. Is de voortgang der verdiening niet tijdig bemerkt? Dit werd ondenkbaar geacht, tenzij het gehouden toezicht geheel onvoldoende is geweest.

De thans gevraagde som van f 62,000 dient enkel tot eene eenvoudige verdediging van den onderzeeschen oever, waarmede, zooals de Memorie van Toelichting zegt, „in de allereerste behoefte" zal kunnen worden voorzien. Men vroeg of de Minister kon opgeven, welke maatregelen nader voor verbetering van deze zeewering noodig zullen zijn, en hoeveel daarvoor, naar globale raming, zal zijn uit te geven.

Art. 58. Scheepvaartgeul bij Veere. Gaarne zou men vernemen, welke thans de breedte en diepte is van de vaargeul door de zandplaat buiten den mond van het kanaal door Walcheren bij Veere. Is de Minister van oordeel, dat de hiervoor jaarlijks gedane uitgaven gewettigd zijn met het oog op de verkregen resultaten?

Art. 66. Haven bij Oosterend op Texel. Door eenige leden werd andermaal aangedrongen op het maken van eene haven bij Oosterend op Texel.

Art. 68. Havenwerken Stavoren. Eene som van f 11,900 wordt gevraagd voor het vullen van de Blokhuisgracht en het voltooien van de ophooging van het Schapenland te Stavoren met uit de haven gebaggerde specie. Blijkens de Memorie van Toelichting zullen daardoor de kosten van het baggerwerk in de haven met ongeveer f 3500 worden verhoogd.

Verscheidene leden hadden tegen deze aanvrage bezwaar. In de toelichting wordt gezegd, dat de Minister het werk van Rijkswege wenscht uit te voeren, aangezien de gemeente Stavoren onvermogend is de kosten der demping te dragen. Ten einde te kunnen nagaan, of inderdaad die gemeente onvermogend is deze kosten geheel of gedeeltelijk te dragen, werd op overlegging van een overzicht van de financiën dier gemeente aangedrongen.

Voorts werd opgemerkt, dat het onvermogen der gemeente geen voldoende reden is om het werk ten laste van het Rijk te nemen. Om dit te rechtvaardigen, dient te blijken, dat de zaak voor het Rijk van genoegzaam belang is. Bovendien mag gevergd worden, dat de provincie een deel drage in de kosten van verbetering eener haven, die den toegang vormt tot een provinciaal kanaal. Men meende, dat in het voorstel der Regeering ten onrechte afgeweken werd van het gezonde beginsel, dat de meer rechtstreeks belanghebbenden, namelijk de gemeente en de provincie, een deel der kosten voor hare rekening behooren te nemen en wenschte op deze afwijking met nadruk te wijzen, omdat, wanneer dat beginsel wordt losgelaten, groote opdrijving van uitgaven voor werken, die meer strekken in het belang van bepaalde streken des lands dan in dat van het Rijk, te wachten is.

Gevraagd werd, of door verkoop van de opgehoogde gronden als bouwterrein, een bedrag van eenige beteekenis in de schatkist zal kunnen terugvloeien.

Art. 71. Merwedekanaal. Door eenige leden werd de aandacht gevestigd op de zeer hooge kosten, welke jaarlijks voor het onderhoud van dit nieuwe kanaal worden aangevraagd. Worden deze veroorzaakt door een minder deugdelijken aanleg of wat is de reden hiervan?

Art. 75. Apeldoornsch kanaal. Opnieuw werd door eenige leden op verbetering van het kanaal Dieren—Hattem aangedrongen.

Art. 80. Haven- en sluiswerken te IJ muiden. Gaarne zouden sommige leden eene opgave ontvangen van de reeds ingevolge de wet van 31 Mei 1887 (Stbl. no. 98) gedane uitgaven. Ook vroeg men, hoeveel

voor de electrische beweging der sluisdeuren is uitgegeven; hoeveel daarvoor nog uitgegeven zal moeten worden ; op welk bedrag de kosten der electrische verlichting van de vischhal en de visschershaven geraamd zijn en welk gedeelte van dit bedrag begrepen is in de voor 1899 gevraagde som.

Naar de meening van een der leden zou de nieuwe vischhal blijken geheel onbruikbaar te zijn, omdat voor de samenstelling van het ontwerp gebruik is gemaakt van de op zich zelf veel goeds bevattende denkbeelden, dat op drie plaatsen in het buitenland toepassing vonden, maar die onmogelijk tot een geheel konden worden samengevoegd. Bovendien is niet in het oog gehouden, dat de omstandigheden en gebruiken elders geheel anders zijn dan hier te lande ; met de wenschen van de handelaars te IJmuiden en de behoeften van den handel werd niet genoeg rekening gehouden. Voorts zou de aangelegde waterleiding geheel onvoldoende zijn.

Art. 85. Kanaal Gent naar Ter-Neuzen. Gevraagd werd, waarom met de werken tot verbetering van het kanaal van Gent naar TerNeuzen nog niet is begonnen.

Art. 87. Kanaal door Zuid-Beveland. Gaarne zou men vernemen, of de verbetering der doorvaartopeningen der bruggen in dit kanaal na afloop van het werk, waarvoor thans f 16,000 wordt aangevraagd, voltooid zal zijn.

Art. 93. Veenhuizerkanaal. Eenige leden hadden met bevreemding gezien, dat gelden worden gevraagd voor vernieuwing van de houten schutsluis in dit kanaal. Deze sluis werd in 1876 gebouwd. Men begreep niet, hoe nu reeds vernieuwing noodig kan zijn, waar andere dergelijke sluizen in de veenkoloniën van veel ouderen datum nog in bruikbaren toestand verkeeren. Is de vernieuwing enkel voorgesteld om de laatste houten schutsluis door een steenen te vervangen?

Art. 94. Kanaal naar de W'eerdingervenen. Gevraagd werd, of de wederindiening van een voorstel tot het verleenen van subsidie voor den aanleg van een kanaal uit den zijtak van het Oranjekanaal bij Odoorn naar en in de Weerdingervenen thans spoedig kan worden verwacht.

Art. 97. Beheer der Rijkswegen. Vele leden hadden met verbazing kennis genomen van de houding, welke door den Minister was aangenomen ter gelegenheid van den vanwege de Automobile-club deFrance tusschen 8 en 13 Juli j.L gehouden wedstrijd met motorrijtuigen, van Parijs naar Amsterdam en terug.

Men begreep niet hoe de Minister, ten gerieve van eene Pransche club, zich geroepen had kunnen achten om het gebruik der Rijkswegen van Maastricht tot Amsterdam gedurende twee dagen te belemmeren. Die belemmering was niet gering, vooral in die streken, waar het passeeren der automobiles samenviel met den marktdag in eene naburige stad. De zaak is gelukkig zonder ongelukken afgeloopen, maar men hoopte dat de Minister zich voortaan van het geven van dergelijke vergunningen zou onthonden.

Ook werd de vraag gedaan, of niet behoort voorgeschreven te worden, dat bestuurders van automobiles openbare wegen niet mogen berijden dan nadat zij, door het afleggen van een examen, bewijzen hebben gegeven van hunne bedrevenheid in het gebruik der werktuigen.

Ook in verband met de voorgenomen afschaffing der Rijkstollen werd door eenige leden aangedrongen op vermindering van de uitgaven voor verbetering en onderhoud der Rijkswegen. Ten gevolge van den aanleg van vele spoorwegen en de ontwikkeling van het goederenverk er te water, is de aard van het verkeer over de wegen geheel veranderd. Er waren huns inziens dan ook verscheidene Rijkswegen, die niet meer noodig zijn voor het doel, waarmede zij oorspronkelijk zijn aangelegd. Voor wegen, waar het verkeer gering is, werd eene verharding met klinkers ter breedte van 4.20 M. onnoodig en verharding ter breedte van 3 M. voldoende geacht. Voorts werd ter vermindering van de kosten van onderhoud op voortzetting van de afgraving van hooge bermen aangedrongen.

Andere leden verklaarden, dat zij zich met besparing op de uitgaven voor de Rijkswegen zeer goed konden vereenigen, maar wenschten toch de bestaande breedte der verharding niet versmald te zien wegens het steeds toenemend verkeer met groote verhuiswagens en, in de toekomst, wellicht ook met automobiles. Afgraving van bermen diende huns inziens alleen te geschieden, wanneer dat mogelijk is zonder benadeeling van de langs den weg staande boomen, op het behoud waarvan men meer prijs stelde dan op eene geringe besparing van de onderhoudskosten.

Art. 109. Heemraadschap van den Amstel en Nieuwer-Amstel. In verband met de ten vorigen jare gevoerde schriftelijke gedachtenwisseling over de opheffing van dit heemraadschap werd gevraagd, of die opheffing thans spoedig te wachten is.

Art. 110. Weg van Vries naar Peize. Aangezien de behoefte aan harde wegen zich in alle deelen des lands doet gevoelen, achtten sommige leden het bedenkelijk daar, waar, gelijk in dit geval, de verharding als een zuiver plaatselijk belang moet worden beschouwd, uit 's Rijks kas subsidie te verstrekken. Wil men hier alle aanvragers op