is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 50, 10-12-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M SO.

616

8°. Mededeeling van den heer C. Schellenberg omtrent de installatie voor electrische krachtsoverbrenging van 250 P.K., aan de Ned. Fabriek van Werktuigen en Spoorweg-materieel, te Amsterdam.

Na afloop der vergadering zal een bezoek gebracht worden aan de sub 8° genoemde installatie.

De «Delftsche Ct.» verneemt dat de Regeering aan Professor J. Kraus te Delft de opdracht heeft gegeven als regeeringscommissaris naar Indië te vertrekken ten einde een onderzoek in te stellen naar de werken in de Solo-vallei. In Januari zal de hoogleeraar de reis reeds aanvaarden en ongeveer zeven maanden afwezig blijven, gedurende welken tijd zijne colleges zullen worden waargenomen door den ingenieur üe kl. bij den waterstaat W. K. Behrens, te 's-Hertogenbosch.

Op den 2<l™ dezer werd te Amsterdam de 47e Jaarlijksche Algemeene Vergadering gehouden van Aandeelhouders in de Nederlandsch Indische Tramweg-Maatschappij, onder voorzitterschap van den heer Mr. F. S. van Nierop.

Vertegenwoordigd aantal aandeelen 63 rechtgevende tot het uitbrengen van 14 stemmen.

De balans en de winst- en verliesrekening wordt goedgekeurd en den Raad van Beheer acquit en decharge verleend.

Het dividend over het boekjaar 1897/1898 wordt mitsdien vastgesteld op 7,1 pCt. of f71 per aandeel, betaalbaar van 3 December af bij de Amsterdamsche Bank.

De heer Mr. Taco Henny, periodiek aftredend lid van den Raad van Beheer, wordt herkozen.

In de beide vacatures in de Commissie van Toezicht te Batavia worden gekozen de heeren I. A. van Dei.den en J. Verdam.

Tot leden van de Commissie van Aandeelhouders voor de verificatie der Balans van het Boekjaar 1898/1899 werden gekozen de heeren

WURFBAIN, WlLKENS UlOTH.

Prijsvraag betreffende het reinhouden der openbare wateren.

Zooals wij reeds vroeger mededeelden, zijn op de door de commissie uit Ged. Staten van Friesland, belast met het beheer van het Bumalegaat voor de landbouwkunde, uitgeschreven prijsvraag naar de resultaten, die voor het reinhouden der openbare wateren en voor den landbouw zijn te verwachten van het bevloeien van landerijen met fabrieksafvalwater twee antwoorden ingekomen.

De jury is thans samengesteld uit de heeren dr. J. Ariöns Kappers, directeur der rijks hoogere burgerschool te Leeuwarden, H. J. Lovink, directeur der Ned. Heidemaatschappij te Utrecht, en F. A. Holleman, te Oisterwijk.

Het nijverheidsongeval in Nederland.

In de «Vragen des Tijds» vinden wij een belangrijk opstel van den heer Is. P. de Vooys over «Het Nijverheidsongeval in Nederland». Het bestaat ongeveer geheel uit cijfers, opgaven omtrent de ongelukken in onze nijverheid geschied, welke sedert 1890 verzameld zijn, zoodat een statistiek over eenige jaren thans mogelijk is, ook al blijft zij nog gebrekkig. Van deze statistiek een overzicht te geven, zoodat de wetgever, die een wetsontwerp tot verzekering van werklieden tegen de gevolgen van ongevallen in behandeling heeft, een denkbeeld kan krijgen van het belang der thans aan zijn oordeel onderworpen quaestie, was het doel van den schrijver.

De Velserbrug.

Door eenige burgemeesters en andere belanghebbenden in NoordHolland is eene vergadering gehouden op het stadhuis te Haarlem, ter bespreking van de Velserbrug.

Deze bijeenkomst was uitgegaan van den burgemeester van Haarlem, en werd ook door dezen geleid. Verschillende aanwezigen deden hunne opinie over de zaak kennen.

Dr. Schuijt van Beverwijk, voorzitter van de aldaar voor de quaestie gevestigde commissie, wees op het belang vooral voor Velsen, van het behoud eener brug voor rijtuigverkeer en voetgangers.

De burgemeester van Velsen deelde mede, dat hij een rechtskundig advies had ingewonnen en wel van Mr. H. Ph. de Kanter te Haarlem, over het contract, indertijd aangegaan tusschen de gemeente Velsen en de Amst. Kanaalmaatschappij. Onder art. XIII komt daarin voor, dat de maatschappij verplicht is er een brug te onderhouden (de voetbrug in quaestie), maar toen later de Staat in de plaats trad van de Kanaalmaatschappij, kwam die verplichting op losse schroeven te staan. "Wel meent de juridische adviseur dat de Staat moreel verplicht is tot nakoming van de overgenomen verplichtingen, doch raadt aan den anderen kant de gemeente Velsen aan, zich niet tegen het amoveeren van de brug te verzetten.

Algemeen was de indruk, dat de handel van Amsterdam onmogelijk kon worden geschaad door het blijven bestaan van de brug.

De heer Mr. Joh. Enschedé, voorzitter van de Haarlemsche Kamer van Koophandel, wees er op, dat in tien jaar (1885—1895) slechts 11 schepen door de brug schade hadden beloopen en daarvan slechts één aanzienlijk (f 30,000). Met nadruk werd er op gewezen, dat deze brug ook geenerlei vertraging in het scheepvaartverkeer teweeg brengt, daar zij voor elk vaartuig wordt opengedraaid. De heer Hoek, van Beverwijk, betoogde dat bij den nieuwen toe¬

stand dien de Regeering in haar wetsontwerp voorstelt, vermeerdering der scheepvaart toch niet te wachten is.

De heer Moens van daar bracht de verlegging van de brug ter sprake en de heer Krelage, voorzitter van de Alg. Vereen, voor Bloemb. Cultuur, voelde daar wel iets voor, omdat nu reeds alle wandelaars, fietsen en binnenkort het goederenvervoer door automobielen geschieden zal. De omweg zal dus weinig hinderlijk wezen.

Hiertegen kwam echter Jhr. Gevers op, die er de aandacht op vestigde, dat men zoodoende toch de gemeente Velsen- in twee stukken scheurde, waarvan het eene zeer bezwaarlijk communicatie met het andere zou kunnen onderhouden.

Tegen het behoud van de brug op de plaats waar die nu ligt, werd dit bezwaar geopperd, dat ze dan in elk geval 3 M. zou moeten worden verhoogd en de woningen in de kom van het dorp Velsen daardoor in een zak zouden komen te liggen.

Ter sprake kwam nog het denkbeeld, om een brug voor rijtuigen en voetgangers te leggen vlak naast de nieuwe ontworpen spoorbrug, die tegelijk met deze zou worden opengedraaid. Technische bezwaren bestonden daartegen niet, betoogde de heer Krelage op grond van ingewonnen informaties.

Door niemand werd een woord gezegd ten gunste der door de Regeering voorgestelde stoompont.

Dr. Schuijt wees er op, dat de bediening daarvan duurder zou zijn, dan die van een brug en dat het ijs zich er samen zou pakken. Met Mr, Tak van Poortvliet, afgevaardigde voor Beverwijk (die gemeld had tot zijn leedwezen niet tegenwoordig te kunnen zijn) had hij daarover gesproken en hoewel Mr. Tak verklaard had, dat de algemeene opinie over zulk een stoompont erroneus was, had Dr. Schuijt, meende hij, hem zijne argumenten uit de hand geslagen en constateerde hij bovendien, dat Mr. Tak ook nog geen ontwerp of teekening van een dergelijke stoompont had onder de oogen gehad.

Ten slotte besloot men, dat de vergadering zich wenden zou tot de Staten-Generaal met een adres, tot behoud van de brug zij het dan ook verbeterd. Een commissie van redactie daarvoor werd benoemd, bestaande uit de heeren Dr. J. W. Schuijt, C. G. A. Weerts. burgemeester van Velsen, en Mr. J. P. Kraakman, vertegenwoordigende den burgemeester van Alkmaar.

Water te Parijs.

Een belangrijk rapport is door den heer Renan aan den Parijschen gemeenteraad uitgebracht over de watervoorziening, volgens de grondslagen die de vergadering heeft goedgekeurd. Van de verschillende plannen is het grootsch ontwerp, om Parijs uit het meer van Genève door een reusachtige leiding van water te voorzien, onuitvoerbaar te achten, omdat gebleken is dat thans reeds te Genève niet altijd genoeg water in de Rhone is voor de hydraulische inrichting aldaar, en vermoedelijk Zwitserland ernstig bezwaar zou maken tegen de kolossale aftapping die noodig ware. Een ander plan, om het noodige water bij Parijs zelf diep uit den grond te halen, stuit af op de onzekerheid of het in voldoende zuiveren toestand te verkrijgen zou zijn.

Daarom blijft de keus bepaald tot twee andere plannen : Het eene ontleent het water aan de Loire boven Orleans, waar de rivier over een groote uitgestrektheid een ondergrondschen loop heeft, welke men meent dat 430,000 M». eiken dag zou kunnen leveren. Het andere berust op het ontleenen van water aan den bovenloop van Yonne, Aube en Seine.

Het rapport stelt voor, gedurende 2 dagen 150,000 francs beschikbaar te stellen voor een volledig onderzoek dier beide plannen en het maken van een definitief ontwerp. Vóór 1900 echter kan dan reeds de watertoevoer worden vermeerderd uit de riviertjes den Loing en den Lunain, wat met filtreerbassins en bijkomende werken 313/4 millioen francs 'zal kosten. De verdere uitbreiding, die tot 1930 loopt, zou volgens voorloopige raming nog 135 millioen vorderen.

De rapporteur raadt voorts de algemeene invoering aan van watermeters, om de verspilling van water tegen te gaan. Hij wijst er op, dat thans reeds 220 liter daags per hoofd der bevolking beschikbaar is, waarvan de helft bronwater, een bedrag dat hooger is dan voor dèn besten hygienischen toestand noodig wordt geacht. Maar minstens 10 millioen M3. worden vooral in openbare gebouwen enz. noodeloos gebruikt, en daardoor is men thans genoodzaakt in droge zomers Seine-water in de leidingen te brengen. Een goedkoope en geschikte meter, algemeen in gebruik gesteld, zou aan die verspilling een einde maken en de rapporteur beveelt een onderzoek aan naar zulk een meter, die in Amerika zou zijn uitgevonden.

De gemeenteraad heeft zich met de conclusies van het rapport vereenigd en tevens besloten een reservoir te laten maken, dat genoeg water kan bevatten om, in tijden van groote droogte, Parijs althans gedurende eenige dagen van drinkwater te voorzien.

Papieronderzoek.

In de ledenvergadering van het departement 's-Gravenhage der Maatsch. tot bev. van Nijverheid hield de heer F. C. de Charro gisteravond een voordracht over papieronderzoek. Spreker, die een der eersten is geweest die een speciale studie heeft gemaakt van het onderzoek, gaf een zeer belangwekkend overzicht van de papierfabricage en lichtte met verschillende proeven zijne voordracht toe.

Hij gaf een duidelijke schets zoowel van de handbewerking van het geschepte papier als van de machinale bereiding uit lompen, cellulose en houtslijp, om daarna in bijzonderheden aan te toonen, hoe het on-