is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 13, 1898, no 53, 31-12-1898

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M 53.

662

weer te geven van het geologisch onderzoek van den vaderlandschen bodem.

In 1826 heeft Koning Willem I deze zaak aangevat. Men is toen begonnen met Zuid-Nederland, omdat men zeer terecht meende, dat het onderzoek van dat gedeelte van het land met het oog op de mijnindustrie van grooter belang was, dan dat van het Noordelijk deel. Na 1830 heeft men door de toenmalige toestanden het onderzoek bij ons te lande gestaakt, terwijl onze zuidelijke naburen dit zeer terecht hebben voortgezet, zoodat. reeds in 1851 een kaart in België gereed was, de zoogenaamde geologische kaart van Dumont. Men begreep bij ons te lande evenwel dat men althans iets moest doen ter verkrijging van geologische kennis omtrent onzen bodem; zeer eigenaardig is er destijds, gelijk ook thans, op aangedrongen door het toenmalige landhuishoudkundig congres, alsmede door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs, waarvan toen de heer F. W. Conrad, oom van den tegenwoordigen heer Conrad, voorzitter was, als gevolg waarvan een post van f 10,000 op de begrooting werd gebracht om de zaak te onderzoeken.

Staring nam dezen arbeid op zich en het moet erkend worden, dat hij, in aanmerking genomen de tijdsomstandigheden, dien arbeid op voortreffelijke wijze heeft verricht. De arbeid moest voor een geringe som in korten tijd worden tot stand gebracht, en hij heeft er van gemaakt wat er van te maken was.

Maar Staring was zelf de eerste om te erkennen, dat het slechts een begin was en niets meer. Zijn kaart geeft slechts de geologische gesteldheid aan van de oppervlakte van den bodem, doch in bet algemeen niet wat daaronder aanwezig is. Men was dan ook reeds spoedig nadat die kaart tot stand was gekomen, overtuigd, dat alleen een nieuwe geologische opname aan de eischen door de wetenschap en den landbouw gesteld, kon voldoen.

De heer Krap releveerde dat reeds in 1887 door de Academie van Wetenschappen een ontwerp is opgemaakt, waarbij men kwam tot de conclusie, dat in 12 jaren voor f 20,000 per jaar de geologische toestand van ons land in kaart kon worden gebracht. Na vele pogingen heeft eindelijk het Aardrijkskundig Genootschap met het Koninklijk Instituut van Ingenieurs de zaak opnieuw ter hand genomen. Mijn ambtsvoorganger meende haar nauwkeurig te moeten laten onderzoeken, en noodigde twee bevoegde personen uit een reis te doen naar Duitschland en Denemarken, ten einde daar na te gaan wat ten aanzien van de geologie voor ons land zou behooren te geschieden. Naar aanleiding van dat onderzoek is bij de begrooting van 1897 door mijn ambtsvoorganger een voorstel gedaan tot het maken van een geologische kaart. Met alle bescheidenheid meen ik dat, zoowel bij de voorbereiding als bij het voorstel zelf twee belangrijke fouten begaan zijn. De eerste fout was dat men streefde naar volmaaktheid, de tweede dat het landbouwbelang bij de kaart overdreven werd voor- gesteld.

Men stelde zich voor de kaart voor ons land zoo voortreffelijk mogelijk te maken, wellicht nog beter dan de kaarten in het buitenland vervaardigd, daarbij over het hoofd ziende dat ons land op geologisch gebied niet zoo belangrijk is als de naburige landen. Ten andere wilde men wel iets voor den landbouw doen en bracht de kaart dan ook onder de afdeeling betreffende Landbouw op de begrooting. En de overdrijving schaadde hier, want de landbouw accepteerde dat voorstel niet, en mijns inziens volkomen terecht.

De loop dien dat voorstel heeft gehad is bekend. Het werd als zoodanig door mij zeiven als lid van de Commissie van Rapporteurs bestreden. Ik heb toen aangedrongen dat het zou worden herzien, en wel in dezen geest, dat het minder uitgebreid zou worden gemaakt, dat een meer practiscb voorstel zou worden gedaan. Het daaromtrent ingediend amendement werd met 75 tegen 5 stemmen aangenomen.

Maar wat merkwaardig is en niet uit het oog moet worden verloren, is dat, nadat het amendement was aangenomen, een der leden stemming vroeg over het aldus geamendeerde voorstel, dat nu ongeveer luidde : voorbereiding voor een geologische kaart van Nederland f 500. Daar lag dus in opgesloten de wensch dat de zaak verder voorbereid zou worden. Het artikel werd daarop gehandhaafd met 50 tegen 35 stemmen. De toenmalige Kamer heeft dus, zonder zich te binden, uitdrukkelijk den wensch te kennen gegeven dat zij niet afkeerig was van een geologische kaart, mits deze op practische wijze werd samengesteld.

En wat is nu geschied ? Sedert zijn de adviezen gevraagd van de Academie van Wetenschappen, van het Landbouw-Comité en van den Algemeenen dienst van den Waterstaat. En zijn nu de fouten die gemaakt waren thans vermeden? Het wil mij voorkomen dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

Volgens het voorstel van mijn geachten voorganger had men op het oog de geologische kaart aldus samen te stellen, dat men zou krijgen :

kennis der bouwaarde met hare physische eigenschappen, dikte, humusgehalte, verhouding der grovere en fijnere bestanddeelen, van het zand- en kleigehalte. Absorbeerend vermogen voor water en voor stikstofverbindingen ;

kennis van den humusvrijen, maagdelijken bodem, zijn dikte tot op den ondergrond;

kennis van den ondergrond, voor zooverre hij voor de plantenwortels bereikbaar is of door de schommelingen van den grondwaterspiegel aan hen nog nuttige bestanddeelen kan afgeven;

kennis van de grondwaterstanden en hun schommelingen;

onderscheiding der terreinen, die hij hevige regenbuien telken male afgespoeld, van zulke, die dan overgespoeld worden;

kennis van de betrekkelijk droge of vochtige ligging van terreinen ; opgave omtrent de wildgroeiende planten, de zoogenaamde „spontana flora" ;

kennis omtrent de aanwezigheid in den bodem en den ondergrond van voor den landbouw nuttige en schadelijke bestanddeelen, zoowel qualitatief als quantitatief.

Nu daarentegen wordt voorgesteld een geologische kaart samen te stellen volgens het advies van de Academie van Wetenschappen, en men zal dadelijk het onderscheid erkennen, wanneer men nagaat dat de aangegeven voorschriften der Academie aldus luiden : Op de kaart moeten :

1°. de gronden volgens wetenschappelijk standpunt ingedeeld en in hun onderlinge ligging van ouderdom en wijze van ontstaan worden aangeduid ;

2°. de afbakening der verschillende in de formatiën voorkomende grondsoorten en het onderzoek harer agronomische samenstelling in algemeene trekken geschieden.

Men had daarbij dus op het oog een kaart te maken, die slechts in zeer algemeene trekken de geologische gesteldheid van onzen bodem zou weergeven, het aan eiken landbouwer en industrieel overlatende aan te vullen en voor zich te onderzoeken datgene wat speciaal voor hem ten opzichte van zijn eigen terrein van nut zou zijn.

In dat standpunt stond de Academie van Wetenschappen niet alleen, want ook de heer Reinders, de bekende leeraar aan de Landbouwschool, schreef dezer dagen in een ingezonden stuk, voorkomende in de „Groninger Courant", het volgende :

„Waarop komt het dus aan? Dat men in verband met de geologische gesteldheid en kan het' zijn, in verband met de agronomische eigenschappen van den grond typen opspoort, ze nauwkeurig in alle bijzonderheden onderzoekt, de plaats van waar ze afkomstig zijn op de kaart aanwijst en in de beschrijving alle bijzonderheden, de wijze hoe die grond gecultiveerd wordt, de uitgestrektheid enz. zoover een en ander bekend is vermeldt. De grenzen van zoo'n type op een kaart aan te wijzen acht ik met den heer Smid onuitvoerbaar, maar ook onnoodig."

Dit is met andere woorden hetzelfde stelsel: niet het maken van een kaart, die nauwkeurig aangeeft alle grondsoorten, maar slechts de typen van de verschillende soorten.

Het belang van zulk een kaart is tweeërlei.

In hoofdzaak is dat belang van wetenschappelijk-technischen aard. Het is hetzelfde belang dat men heeft bij regen- en waterwaarnemingen, slibmetingen enz.

Op het oogenblik dat zulke waarnemingen gedaan worden, weet men niet altijd welk belang daarbij later betrokken kan zijn. Zij geschieden veelal niet met een bepaald vooropgesteld practisch doel.

Later blijkt echter gewoonlijk bet groote practisch belang dat aan zulke opnemingen verbonden is. Meermalen is men, bij gebrek aan dergelijke gegevens, niet in staat geweest om behoorlijke projecten op te maken. Iets dergelijks is o. a. ten duidelijkste gebleken bij de verbetering der kleine rivieren, waarbij groote teleurstellingen ondervonden zijn door het ontbreken van voldoende waterstaats- en andere waarnemingen.

Ik ben het eens met den geachten spreker, den heer Krap, dat de kaart voor den landbouw niet dat groote belang heeft, dat men daaraan indertijd heeft willen toekennen, maar dat de landbouw er in het geheel geen belang bij zou hebben, zooals wel beweerd is, meen ik op goede gronden ten stelligste te kunnen tegenspreken."

Hier volgen eenige aanhalingen uit geschriften van bekende landbouwkundigen, waarna de Minister als volgt besloot:

„Waar personen met den landbouw vertrouwd zóó spreken, daar kan toch stellig het belang van geologische opsporingen voor den landbouw niet worden ontkend. Ik herhaal echter dat wanneer een geologische kaart zoo duur zou moeten zijn als vroeger was voorgesteld, ik tot het doen vervaardigen er van geen voorstel zou durven doen. Maar juist om die kosten te leeren kennen is de thans voorgestelde proef noodzakelijk. Het is immers in de stukken duidelijk uiteengezet, dat het hier slechts betreft een op zich zelf staande geologische opneming, waarvan de resultaten zullen beslissen of het mogelijk en wenschelijk is om, evenals onze naburen, verder op die zaak in te gaan.

Voor het westen van ons land zal dit zeker in veel minder mate het geval zijn dan voor Limburg, Gelderland en Overijssel.

Nu de kosten. Hier wordt gevraagd, f 29,000, over 3 jaren te verdeelen. Waar nu aan elke Universiteit in ons land een hoogleeraar in de geologie is aangesteld, waar ieder van die Universiteiten een laboratorium bezit, te Groningen wordt er thans zelfs een gebouwd voor f 110,000, waar wij aan die verschillende Universiteiten ruim f 28,000 's jaars over hebben voor de studie der geologie, is het daar te veel gevraagd, als men een kleine som verlangt voor onderzoek van den bodem, met het oog op een practische toepassing aan die studie der geologie te geven?"

Ondanks deze verdediging en niettegenstaande eene redactiewijziging in de omschrijving van den post, waarmede de Minister den heer Van Alphen genoegen meende 'te doen, werd ook dit voorstel met groote meerderheid (44 tegen 25 stemmen) verworpen.

{Wordt vervolgd.) Th. Six.