is toegevoegd aan uw favorieten.

De ingenieur; weekblad gewijd aan de techniek en de economie van openbare werken en nijverheid jrg 2, 1887, no 6, 05-02-1887

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

40'

en waarom zou men dat in dit ondermaansche tranendal niet waardeeren, dat iedere oud-Minister zal kunnen aantoonen, dat onder zijn bestuur de lijn dezer uitgaven haar minimumpunt bereikt heeft. Om echter bij den heer Tak te blijven, zij nog opgemerkt, dat deze spreker vreesde voor spoedige stijging van gewone uitgaven, omdat de onderhoudsuitgaven van de in aanleg zijnde groote werken, onder de bouwkosten worden opgenomen (1), terwijl hij er tevens nog op wees dat de daling der prijzen bij het vergelijken van uitgaven ook in het oog moet worden gehouden. Tot zooverre behandelde de afgevaardigde van Noord-Holland zaken, maar de mededeeling in de M. v. T. over de normaliseering der rivieren, gaf hem aanleiding personen in het debat te brengen.

De spreker trachtte aan te toonen dat de kosten voor benedenrivieren onder het beheer van den Hoofdingenieur van Diesen 30 pCt. hooger zijn, dan onder dat van zijn voorganger en vestigde er daarom de aandacht op dat juist aan den duurderen ambtenaar het geheel rivierbeheer is opgedragen. De Minister weêrlegde deze personenwaardeering niet, wellicht achtte hij de plaats daarvoor minder geschikt. De vraag mag dan ook gesteld worden, of een bloote vergelijking van cijfers in dezen tot een juist resultaat kan leiden en of het in elk geval in het belang van den dienst is, dat ambtenaren op dergelijke wijze in de Kamer besproken worden. Lof zoowel als blaam moeten, zoo ze niet beter gefundeerd zijn, de betrokken personen onverschillig laten. En zou de Minister van W., H. en N. in 1878/79, bespreking van verplaatsing van ambtenaren, niet beantwoord hebben met de woorden: »De Minister alleen moet beoordeelen, hoe en waar hij zijn ambtenaren gebruiken wil". Doch niet alleen enkele personen, het geheele corps van . den Waterstaat zal, wanneer de heer Tak de teugels van het Departement weder mocht in handen nemen, kunnen uitroepen : «Heere heb erbarmen" — want niet tevreden met de in de M. v. A. voorkomende opgave van den werkkring der ingenieurs, verlangde de spreker een staat: «waarop voor elk der ambtenaren duidelijk stonden uitgedrukt de openbare werken, waarover hij beheer voert en den verderen arbeid, waarmede hij is belast". En van de openbaarmaking van zulk een staat, waarvan de opmaking ook voor den Minister nuttig zou zijn, verwachtte de heer Tak onmiddellijk de opheffing van meerdere inspectiën, districten en arrondissementen. Toch kon hij den Minister toegeven, dat een dergelijke personen-schoonmaak geen aangenaam werk is, doch hij wenschte hem daarvoor de noodige wilskracht toe. Aan de andere zijde stelde het ministerieele leven ook vele schoone oogenblikken, vooral waar het geldt bevordering van de belangen van handel en nijverheid. En zich verheffend boven bespreking van personen, nam de welsprekendheid van den redenaar een stoute vlucht. Slechts een paar keeren werd de aarde bereikt, waar hij den Minister, op ironische wijze, onbekendheid met de belangen der tabaksmarkt niet ten kwade duidde en waar hij te veel het licht liet vallen op pogingen in 1878/79 aangewend, om het Departement raad en hulp te verzekeren, van bevoegde zijden, in zaken van handel en nijverheid. Maar overigens kan men de uitdrukking «discours ministre" begrijpen en niet het minst, wanneer men het slot leest, nadat de spreker heeft aangedrongen op het inwinnen van raad buiten het Departement: «En daardoor zoude tevens de grondslag worden gelegd, om het Departement van Waterstaat te doen worden wat het — wil het aan zijne roeping beantwoorden — wezen moet, wellicht reeds had kunnen zijn, maar in elk geval moet worden, een brandpunt van kennis omtrent den toestand, de behoeften en de eischen van onze volkswelvaart".

J. W. C. T.

(Vervolg en slot in het volgend nummer.)

Technische tijdschriften. Verkorte inhoudsopgaaf.

Engineering, Jan. 21, 1887. Westelijk Australië, geïll. — De Amer. Maatsch. van Mech. Ingrs., geïll. — Kemp's Hooge en lage temperatuur Marineketels, geïll. — Straatbevloering in Parijs. — Uitbreiding van de Eastern en Midlands Spoorwegen tot Cromer, geïll. — Hydraulische kraan voor staalblokken, geïll. — Ontleding van gassen in de staaloven.

— Brandspuitbooten. — Lasch voor cylindervormige ketels, geïll. — Secondaire batterijen. — Het bestuur van de vloot. — Electrische verlichting van de koloniale tentoonstelling in Londen. — Gedrukte toestand van Handel en Nijverheid. — De Maatschappij van TelegraafIngenieurs. — Artillerie in de Vereenigde Staten. — Tafel om glazen platen te gieten, geïll. — Boormachine voor spoorweglaschplaten, geïll.

— Amerikaansche locomotieven, geïll. — Staal voor zwaar geschut.— Klok, voor telegrafen, met een naald, geïll.

Zeitschr. des Arch. u. Ing. Vereins zu Hannover, 1887, Heft I. Bouw eener zaal in het hotel Kasten Georgshalle te Hannover, door den arch. F. Gek. Korte mededeeling met drie platen. ■—■ Het scheepvaartverkeer op den Rijn bij de monding der Ruhr, door Reg.-Baum. Hirsch, met situatie der Ruhrhavens (Ruhrort, Duisburg). — Opgave van het goederenverkeer, de voornaamste invoerartikelen en den uitvoer van steenkolen in 1883 en 1884. — Uittreksels uit technische tijdschriften.

(1) De spreker wil aanbouw van wachters woningen ook onder uitgaven van onderhoud brengen.

Beoordeeling en aankondiging van technische werken.

Höhere Eisenbahnkunde, door M. Pollitzer, Weenen 1887, Spielhagen & Schurich; f3.25.

De veiligheid, de snelheid en de kostende prijs van het spoorwegtransport zijn in niet geringe mate afhankelijk van de keuze van het type van vast en rollend materieel en van de grondstof waarvan ■— en de wijze waarop dit materieel vervaardigd is. De sommen die jaarlijks aan onderhoud en vernieuwing van materieel besteed worden, zijn zóó belangrijk dat ieder spoorweg-ingenieur zich rekenschap behoorde te geven van de omstandigheden die op soliditeit en duur van het materieel van invloed zijn. De «höhere Eisenbahnkunde" werd geschreven met het doel meer kennis van spoorweg-materieel onder de technici te verspreiden ; de schrijver vond in dit «hooger doel" aanleidng tot de keuze van den ietwat opzienbarenden titel.

Het eerste deel dat dezer dagen te Weenen verscheen, behandelt «spoorweg-materieel van ijzer en staal". Als hoofdingenieur der Oostenrij ksch-Hongaarsche Staatsspoorweg-Maatschappij had Pollitzer gelegenheid de fabrikatie van allerlei materieel van nabij te leeren kennen en tevens na te gaan hoe datzelfde materieel zich later in de exploitatie hield. Dit dubbele standpunt maakt dat P.'s oordeel bizondere waarde voor de praktijk heeft; men heeft dan ook op dit gebied aan hem verscheidene belangrijke geschriften en menige nuttige verbetering te danken.

In het vóór ons liggende boek wordt in de eerste plaats de fabrikatie van het ijzer beschreven, het frisschen, puddelen, bessemeren, gloeien enz. Menigeen zal deze beschrijving welkom wezen, al was het maar om een goed begrip te krijgen van de wijze van vervaardiging en het wezen van al die grondstoffen, die men in de techniek dagelijks hoort noemen, als: Bessemer-, Thomas-, Kroes-, Martin-, Siemens-, Silicium-, Mangaan-, Cement-, Temper-staal, smeedbaar gietijzer (fonte malléable) enz., enz.

In verband met de vervaardiging van spoorstaven wordt de lezer ingewijd in de geheimen van het calibreeren der wals-cylinders, eene kunst die in vroegere tijden als familiegeheim van vader op zoon overging; dan volgt eene beschrijving van een gewoon, een trio- en een reverseer-walsinrichting, waarbij de voordeelen der nieuwere inrichtingen met het oog op de vervaardiging van lange rails worden besproken.

Wij missen hier de beschrijving van die verbeteringen in de walstechniek, die in de laatste jaren op zoo uitgebreide schaal bi] de vervaardiging van spoorweg-materieel toepassing vonden; als: lo. het walsen (in plaats van snijden) van de draad op schroefbouten, dooide Paris—Lyon—Mediterranée-Mij. voor hare tirefonds voorgeschreven; 2o. het walsen met periodiek kaliber waardoor in plaats van een prismatisch lichaam eene staaf van veranderlijk profil wordt verkregen, een procédé dat eene rationeele verdeeling der massa toelaat, b.v. : a. laschplaten met verdikking ter plaatse van den voeg (Hollandsche Spwg -Mij), 6. dwarsliggers met ingewalste versterking en helling (Nederlandsche, Belgische, Duitsche en Fransche Staatsspoorwegen), c. wielspaken met verdikte uiteinden, d. haakboutijzer met lokale verdikking, enz. Eindelijk: 3o. het nieuwe procédé voor het walsen van den groef in tramrails met zwaren kop (Berlijn i.

Bij de beschrijving der fabrikatie-methodes van wielbanden bespreekt P. uitvoerig de interessante methode van het walsen dier voorwerpen ; dan volgt de vervaardiging van assen voor locomotieven, tenders en wagens.

Zoowel voor spoorstaven als voor wielbanden en assen worden in het boek als bijlage model-voorschriften voor de levering gegeven, welke voorschriften meest gegrond zijn op de ervaring van het «Verein Deutscher Eisenbahn-Verwaltungen"; een tabel geeft een overzicht van de val-, buig- en trek-proeven die voor de levering van assen voor de Oostenrijksche, Duitsche en Fransche spoorwegen geëischt worden. Daarbij worden diverse wenken gegeven betreflénde het keuren van dat materieel.

In eenigszins gezwollen stijl wordt beschreven hoe de stalen rails zich in den weg houden; de schrijver amuseert zich hierbij met te doen wat men noemt «enfoncer des portes ouvertes", hij verkondigt waarheden «als koeien". Dat het ponsen der boutgaten en inkepingen in de spoorstaven schadelijk op het staal werkt en railbreuken ten gevolge heeft, wordt hier met lange tabellen, schetsen en beschouwingen bewezen, ofschoon niemand daaraan nog twijfelt. Voorts wordt een lans gebroken voor de raillengte van 9 M. en meer, wat ook tamelijk overbodig is nu sinds jaren elke geciviliseerde spoorweg die zich respecteert, van voorkomende gelegenheden partij trekt om de kortere raillengte door eene langere te vervangen. Dit gedeelte van het werk is in stijl het hoogdravendste maar imponeert het minst.

Het laatste hoofdstuk beschrijft met 75 figuren de verschillende soorten van wielbandbevestigingen, een onderwerp waarbij het niet aan afwisseling ontbreekt, maar dat juist daarom, evenals de quaestie der wagenkoppelingen, menigen uitvinder teleurstellingen gebaard heeft.

In het geheel genomen bevat P.'s werk, zonder op volledigheid of stelselmatige indeeling aanspraak te kunnen maken, veel interessants voor wie op het gebied der materieel-fabricatie ter orienteering een uitstapje wil doen. Voor deze categorie van lezers werd het trouwens geschreven.

De «höhere Eisenbahnkunde" van Pollitzer, Ie deel, is verschenen bij Spielhagen & Schurich te Weenen, telt 155 bladzijden, vele tabellen, 147 houtsneden en 10 teekeningen ; prijs f3.25.

Jules n.