Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t9i9. No. 43 NIEUWSBLAD VOOR

DEN BOEKHANDEL

561

«Het zou niet aangaan Barbusse voor te stellen als de onnoozelheid zelve en den procureur-generaal als een benepen, antiartistiek en onzedelijk persoon, die gemeenheid ziet, waar enkel Kunst en Waarheid Worden gediend. Het probleem is zeer veel ingewikkelder.

Maar wel moet ik toch opmerken, dat hier de landgenoot er weer eens veel slechter aan toe is dan de vreemdeling. L'enfer is al maanden en maanden lang door den Nederlandschen Boekhandel ingevoerd en aan gegadigden geleverd. Ik denk dat menigeen het gekocht heeft na de lectuur van le Feu en ik hoop dan ook dat wij zullen vernemen hoeveel exemplaren van het oorspronkelijke er hier zijn verspreid. Mr. Ernst Polak, de advocaat van den Nederlandschen uitgever, zal dit misschien wel te weten kunnen komen.

Door niets werd Querido gewaarschuwd dat het parket eenig bezwaar had tegen den inhoud van L'enfer. Wel kon hij weten en heeft hij geweten dat de, ook hier te lande zoo hooggeschatte Anatole France en de hier in nog breeder kring gewaardeerde Maurice Maeterlinck den roman hebben geprezen. Laatstgenoem de schrijver getuigde ervan: «m en voelt in dit boek de grootsche aanwezigheid van het genie». En nu ziet Querido de exemplaren van de vertaling in beslag genomen en kan hij vreezen dat zijn naam van hoogst fatsoenlijk uitgever door deze noodlottige gebeurtenis lijden zal, zoo hem niet, bovendien, nog een veroordeeling treft.

Ik voel hierin iets heel onrechtvaardigs, dat mijn rechtsgevoel diep kwetst en vind dat men er niet mee uit kan door te beweren dat een boek in 't Nederlandsch in handen komt van lezers, die erger aan moreel bederf onderhevig zijn dan zij, die ook Fransch verstaan».

In het .Weekblad van het recht' schrijft Wr. H. Landberg:

«Zooals bekend, stelt art. 240 W. v. S. strafbaar het ter verspreiding in voorraad hebben van een geschrift, waarvan men den inhoud kent en dat aanstootelijk is voor de eerbaarheid.

De bedoeling is - aldus Simons' Leerboek, dl- II, tweede druk, bl. 160 - het op het sexueele leven betrekkelijke schaamtegevoel tegen kwetsing te beveiligen; bescherming

te verkenen tegen wat de algemeene zedelijkheid in gevaar kan brengen.

Voor de strafbaarheid is m. i. vereischt, dat het geschrift in zijn geheel aanstootelijk is; niet voldoende is dat er enkele passages in voorkomen, die het schaamtegevoel kunnen kwetsen, indien de totaal-indruk van het geschrift die uitwerking niet heeft. Ook zal men zich bij de toepassing van art. 240 W. v. S. moeten stellen op het standpunt van een normaal, gezond persoon, en niet vragen, of een zeer gevoelig, of op zedelijk gebied gauw «gechoqueerd» iemand misschien aanstoot neemt aan het geschrift. Een en ander meen ik te moeten aannemen op grond van de duidelijk» bewoordingen van het artikel en van het feit, dat een strafsanctie een uiterst hulpmiddel is, waartoe men slechts zijn toevlucht mag nemen in geval van ernstige bedreiging van een rechtsbelang.

Verder zal men moeten nagaan, of het bepaalde geschrift moet worden beschouwd als te zijn «inter pares» zij het ook als «primus», dan wel, of het geheel alleen staat, een gansch bijzondere plaats inneemt. Dit immers is noodig om te weten, of het wel aanstootelijk is voor de eerbaarheid, d. i. wat men algemeen onder aanstootelijk voor de eerbaarheid verstaat.

Ten slotte moet nog worden gelet op de bedoeling, waarmee het is geschreven, n.1. of het opzet gericht is op kwetsen, dan wel of het bedoeld is hetzij als kunstuiting, hetzij als leering, hetzij eindelijk als wetenschappelijk werk (verg. Simons t.a.p. bl. 163).

Is men het met het bovenstaande in het algemeen eens, dan is m.i. twijfel gewettigd omtrent de gerechtvaardigheid van de inbeslagneming van bovengenoemd werk van Barbusse, afgezien nog van den twijfel omtrent de doeltreffendheid. Wie, toch, het boek geheel leest, en niet slechts de z.g. «onzedelijke» passages, zal moeilijk kunnen volhouden, dat het werk in zijn geheel genomen aanstoot geeft, al is het dan geen boek voor kleine kinderen. Wie, ook maar een beetje thuis is in de hedendaagsche letterkunde weet zeer goed dat het ook geen «vreemde eend in de bijt» is. Trouwens èn op maatschappelijk, èn op litterair gebied breekt zich de overtuiging baan, dat, ook in het sexueele.de sluier der geheimzinnigheid moet worden opgeheven. Men moge deze opvatting afkeuren, men moet er rekening mee houden.

Sluiten