Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 3 —

hem nooit svader". Toen Hinding niets vorderde met vriendelijkheid, beproefde hij met strengheid haar trots te breken.

Judith leed onbeschrijfelijk, maar ze boog zich niet voor hem. Zij klaagde niet tegen haar moeder. Zij wilde het alleen verdragen en ontdekte langzamerhand dat passieve weerstand haar beste wapen was.

Maar door dien strijd werd ze hard en ze leerde baten, voor zoover een kind haten kan.

Ook op Hindings stemming had deze onaangename verhouding invloed. Zij bracht er hem soms bijna toe over zijn huwelijk berouw te hebben; hij werd knorrig en opvliegend. En het werd nog erger toen een van zijn broeders, voor wien hij borg gebleven was, failliet ging en hij nog geldzorgen kreeg bovendien. Het werd er ook niet heler op toen hem een zoon geboren werd. Hij was wel heel gelukkig met zijn jongen, maar aan den anderen kant vergrootte dit Judith's smart niet weinig. Nu was ze geheel wanhopig over haar positie in het ouderlijk huis. Het was haar, alsof dit kindje haar 't laatste beetje moederlijke zorg en teerheid roofde, en zij vroeg naar Kopenhagen te mogen gaan om wat te leeren en in staat te zijn voor zich zelf te zorgen. Maar dat verzoek kwam Hinding heel ongelegen: zijn fmanties lieten hem op dat oogenblik werkelijk zulke uitgaven niet toe. Ook wilde hij niet dat Judith's vaderlijk erfdeel, een paar duizend, kronen, die in 't sOvervoogdijschap" l) waren gezet, hiervoor zouden gebruikt worden, want hij hoopte, die zelf te mogen gebruiken als Judith meerderjarig was en maakte haar daarom wijs, dat haar geld niet opgevraagd kon worden eer zij 18 jaar was. Zij wilde het niet gelooven en vroeg haar moeder of men haar werkelijk kon beletten iets te leeren, wat haar een onafhankelijke toekomst zou kunnen bezorgen.

Nu stond er Mevrouw Hinding wel iets van voor den geest, dat Judith er met haar voogd over spreken kon ; maar zij smeekte haar dochtertje om harentwil toch de zorgen en het slecht humeur van haar man niet te verergeren. Toen begreep Judith, dat zij aan twee kanten gebonden was: door haar afhankelijkheid van haar stiefvader en haar liefde voor baaimoeder. Zij voelde dat er toestanden in het leven waren, waarin men toegeven moest, ook al had men zedelijk het recht vol te houden. En die gedachte w-as gevaarlijk. Want haar kinderziel had door boeken den indruk gekregen, dat het slechte en onrechtvaardige wel een tijdlang kan zegevieren, maar dat hel goede toch altijd overwint. Maar hier voelde zij dat haar groot onrecht werd aangedaan en dat nog

l) Zoo noemt men een Commissie door de deensche Regeering aangesleld, die 't eigendom van minderjarigen en onmondigen beheert.

wel door wie haar 't naaste stonden, door haar eigen moeder, die haar toch liefhad en door alle anderen met wie zij iets te maken had. En dit maakte haar wantrouwend. Zij begon te onderzoeken of zooiets meer voorkwam, of de rechtvaardigheid misschien niet zoo almachtig was, als zij wel dacht, en of hij die het recht, dan wel hij die de macht had, de sterkste was. Zij ontdekte, egoïste, kleingeestige, tyrannieke handelingen en zonder de beweegredenen daartoe te kunnen beoordeelen of verzachtende omstandigheden te zien, oordeelde zij met de strengheid der jeugd, als de catechismus: dat de wereld uit den booze was en de menschen slecht en bedorven waren. Zij hield zich over het geheel in dien tijd aan den catechismus en den bijbel, omdat hun strenge blik op 't leven en de menschen met haar eigen indrukken overeenkwam. Zij werd een geloovige, maar geen kinderlijke aannemeling. Angstig- en ootmoedig beloofde zij al het booze te verzaken en bad God vurig om vergeving voor haar zonden. En zij nam zich voor haar hard lot te dragen als een beproeving van den Heer en er zich zonder morren in te schikken.

Zij bad intusschen geen gelegenheid haar kracht lang te beproeven; want Hinding, voor wie haar tegenwoordigheid een aanhoudende kwelling was, bezorgde haar kort na haar aanneming een betrekking als assistente in de huishouding, zonder honorarium.

Zij kende immers niets en mogt dus geen betalingverlangen.

In de pastorie, waar zij in betrekking kwam, ontwikkelde haar vroomheid zich met een bijna onrustbarende heftigheid. Zij geloofde hoe langer hoe vaster, dat de rechtvaardigheid, die in het aardsche leven ontbrak, bij God in het eeuwige leven moest te vinden zijn. En aan dat geloof klampte zij zich vast met heel haar zieke en dorstende ziel. Maar terwijl zij onverdroten haar plicht deed en zonder morren de kleingeestigheid om zich heen verdroeg, ontwaakten er ook allerlei gemoedsbezwaren en twijfel bij haar. Toen die haar te machtig werden, sprak zij er met den predikant over, een zeer geleerd, maar niet zeer geloovig theoloog. Hij zocht haar te calmeeren door verstandelijke overwegingen, die haar voorkwamen als steenen in plaats van brood voor haar ziel te zijn. Zij zou door haar gevoel te overtuigen geweest zijn; maar haar verstand kwam steeds meer in verzet. De predikant deed steeds meer moeite zijn jonge biechteling te overtuigen. Hij wandelde en sprak uren met haar, tot het gedrag van de dominésvrouw haar plotseling deed zien, hoe onvoorzichtig zij had gehandeld. De jonge vrouw was jaloersch. Of zij er reden toe had verkoos Judith niet te onderzoeken. Maar dat zulk een lage verdenking gemengd werd in een verhouding, die zij als heilig beschouwde, was voor haar

Sluiten