Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 13 —

plaats nu eenmaal is. Hoe moeielijker 't is zooveel te meer voldoening heb je. Je bewondert Napoleon zoo, maar wat is hij tegenover den blinden mandenmaker Sören, die zeven kinders van zijn broer met zijn eigen kindren grootbracht en nooit klaagde."

«Ach ja, burgerlijke deugden — die benauwen me zoo. Ik beklaag Sören, maar ik bewonder hem niet."

«En ik beklaag jou! Je bouwt je heele toekomst op droomerij en je leeft in luchtkasteelen en hoopt op een of ander onverwacht geluk. Maar 't leven is prozaïsch.

Er is niet veel onoverkomelijke ellende, maar.— nog minder sprookjesachtig geluk. Er is een koude, onoverklimbare rots en die heet de werkelijheid. Daar slaat de damp van. je illusies tegen aan en valt als bittre tranen neer. Denk er liever over hoe je 't heden gebruiken kunt en verknoei dat niet met over een toekomst te droomen voor of na den dood, wat de geloovigen doen, — ten minste nu en dan, als ze niets anders hebben om over te denken."

Juffrouw Steenberg was niet godsdienstig; ze had van haar vader het scepticisme van de revolutie geërfd, en bij gebrek aan andre erfenis, had ze die zorgvuldig bewaard. «Maar", ging ze voort, «zich neer te leggen bij het heden en zijn vreugde te vinden in 't uitrichten van iets goeds en nuttigs, dat is natuurlijk 't vervelendste, wat je bedenken kunt, vooral voor jonge menschen." —

«Ach", barstte. Judith uit, »'t kan best zijn. Misschien moet ik ook schipbreuk lijden; maar nu wil ik alle zeilen bij zetten en er op los varen, want ik ben jong en ik verlang zoo om gelukkig te zijn."

't Was een morgen in Augustus. De zon scheen helder, de lucht was blauw, en er was in de atmosfeer iets opfrissen ends, dat tot vroolijk zingen stemde. Judith werd wakker, deed haar venster open en keek uit over 't groene, bedauwde veld. Gretig ademde ze den frisschen morgenlucht in en voelde die opgewektheid, die de Amerikanen doet zeggen, dat ze «chipper" zijn, dat is: geschikt om vroolijk en opgewekt aan hun werk te gaan.

Toen ze gekleed was ging ze naar beneden in den tuin. De koele, vochtige morgenlucht kwam haar tegemoet; het had sterk gedauwd, en de dauw hing nog laag en grijsachtig over 't veld. De boomen geurden, hun kleuren waren sterker dan vroeg in den zomer; enkele gele bladen vertoonden zich al, en hier en daar daalde er een langzaam neer voor haar voeten, 't Was alsof de natuur uit een verfrisschend bad opsteeg. Ze kreeg lust om te zingen en hard te loopen. En dat deed ze ook, tot ze plotseling bleet

staan voor eenige dennen, waar spinnen hun gelijkvormige, ronde netten over hadden uitgespreid, die nu met dauwdruppels als met paarlen bezaaid waren; en schitterden in het zonlicht. «Hoe prachtig!" riep ze uit. En toen, glimlachend: «hoe heerlijk jong te zijn!"

Ze ging naar de kant van den tuin van waar men de gele korenvelden kon zien. De oogst was in vollen gang.

Toen kwam een sterk gevoel van verwachting over haar. 't Was als voelde ze iets heerlijks komen. Alleen zij, die jong zijn kennen dat gevoel. Haar gedachten namen een bepaalde richting: «Over een jaar. .. Zou ik dan zulk een landschap het mijne kunnen noemen?"

Zij lachte om haar eigen gedachten, maar ging toch peinzend, naar huis terug. De voormiddag ging voorbij met het gewone werk in huis, maar in haar ziel voelde ze iets jubelen. En toch ook weer dat gevoel van wachten op iets heerlijks, dat komen zou. Dat. goot goudglans over al dat gewone dagelijksche werk.

Maar tegen den namiddag werd. ze onrustig en zenuwachtig. Zou de dag nu toch voorbijgaan, zonder dat er iets gebeurde? Zou bij dan nooit komen, de prins uit het sprookje, op zijn brieschend paard en

haar vóór zich in den zadel zetten? En zij was

zoo zeker van haar zaak, zoo vol hoop geweest.

Haar moeder vroeg haar een bezoek bij mevrouw Mikkelsen te brengen, de vrouw van den rijksten koopman uit 't stadje. Zij hadden daar al lang eens heen moeten gaan. Zou Judith dit nu eens willen doen?

Ze had er geen lust in, ze was bang, dat ze 't verwachte zou ontloopen; maar aan den anderen kant was dit zenuwachtige verlangen niet uit te houden. En ze beloofde 't bezoek te brengen en ging.

De heer Mikkelsen woonde in een oud huis aan de andere zijde van de straat, laag en onaanzienlijk, maar een met groote uitbouwsels op zij en naar achteren en ruime binnenplaats, altijd vol boerenwagens, leven en beweging.

Een wonderlijke oude binnenplaats, met allerlei verborgen hoekjes en gaatjes, omdat er telkens nieuwe magazijnen en pakhuizen gebouwd waren, zonder verband met de bestaande gebouwen.

Uit het woonhuis keek er een hoekvenster op uit. Dat was van hef kantoor van den koopman, vanwaar deze het geheel kon overzien. Tonnen en balen, zakken met koren en stapels planken zag men aan alle kanten. Het schuine kelderluik was aldoor in beweging, korenzakken werden opgeheschen en neergelaten; de paarden stampten, de boerenvrouwen klommen uit de wagens, schudden haar rokken en streken den halsdoek glad, de kinderen stonden om den wagen en knabbelden aan groote stukken wittebrood. Knechts en winkeljongens liepen heen en weer van den lagen

Sluiten