Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 14 —

winkel naar het volle magazijn, 't Was overal vol gedroogde pruimen, kaas, teer, denneplanken en vochtige korenzakken, zooals 't in zulk een oud soliede koopmanshuis paste.

In den lagen, meer dan eenvoudigen winkel met de verschillende koopwaren, in de bestoven vensters uitgestald, golfde de rook in dikke wolken. De boeren stonden aan de toonbank en dronken een borrel uit glazen, die dadelijk weer voor een nieuwen klant gevuld werden. Zij spraken samen, er werden weddenschappen aangegaan en zonderlinge koopen gesloten; ze ontvouwden een soort saaie welbespraaktheid over politieke aangelegenheden en een groote slimheid in hun eigen zaken. Tusschen hen allen wipte de kleine koopman heen en weer, burgerlijk en zich op den achtergrond houdende en toch wist iedereen, dat hij door eigen bekwaamheid en spaarzaamheid meer dan honderdduizend blanke daalders had verdiend.

Maar als men van den winkel zich wendde naar het woonhuis, waar de vrouw regeerde, dan heerschte daar in tegenstelling met de drukte op de plaats, rust en stilte.

In de groote, lage voorkamer was de vloer gewreven, de ruitjes in 't venster waren klein en helder en 't rook er altijd naar was en terpentijn. Er was iets drukkends kleingeestigs, iets pijnlijks zindelijks over het geheel, dat Judith trof en hinderde. Zou ze nu haar heele leven in dat stadje moeten doorbrengen, in deze doodelijk vervelende huizen. Hoe eentonig, hoe hopeloos saai was toch het leven in een kleine stad.

Daar viel eensklaps haar oog op een nieuwen boerenhoed in den gang, een nieuwen hoed, die niet van den burgerlijken koopman was. Was hij van een handelsreiziger, die na afloop der zaken in het kantoor, in de kamer op een glas wijn werd getracteerd? Neen, dat kon toch niet. Ze wist, wie daar binnen was en haar hart klopte zwaar en snel toen zij op de deur klopte.

De drie aanwezigen stonden op toen zij binnenkwam. De huisvrouw ging haar tegemoet en heette haar welkom, maar ze hoorde niets, de ouderwetsche kamer met de bij de vensters verhoogde vloer, de bloemen in de vensterbank, de solide meubels met geknoopte overtrekken en sluimerrollen draaide voor haar oogen rond en verdween in een nevel; — ze zag niets dan een stijf man, van middelbare grootte, die beleefd voor haar boog.

«Mijnheer Banner,— juffrouw Fürste."

Was het mogelijk. Was dat nu de prins uit het sprookje?

Een man met scherpe trekken, dun haar, goed verzorgden donkeren ringbaard met lange neerhangende snor, die het gezicht een neerslachtige uitdrukking gaf en diepliggende donkere oogen, die haar een

oogenblik scherp monsterden om dadelijk daarna onverschillig voor zich uit te zien.

Judit had vergeten, dat hij drie-en-twintig jaar was, toen hij op reis ging, maar dat er elf lange, vermoeiende winters sinds dien tijd over zijn hoofd gingen. Zij hadden weinig jeugd en weinig haar achtergelaten. De eerste indruk was bepaald onaangenaam, maar bekeek men hem nader, dan zag men het regelmatige van zijn trekken, den edelen vorm van zijn hoofd en zijn slanke, buigzame figuur. Maar hoe vermoeid en onverschillig zag hij er uit. Nu en dan gleed een spottende glimlach over zijn gezicht, of kwam er een half koppige, half onbeschaamde uitdrukking in zijn oogen. Verder was zijn gezicht strak en koud. Zoo zag die beruchte man er dus uit. Zij kon zich niet begrijpen, dat de verhalen, die er van hein liepen waar konden zijn, dat die stijve, vormelijke man een vrolijk leventje zou geleid hebben, dat die rustige, onverschilige oogen, die van een hartstochtelijk onweerstaanbaar Don Juan zouden zijn.

Zij nam plaats en de gastvrouw bood haar een glas wijn aan, goede oude madera uit den kelder van den koopman.

De heeren zetten hun gesprek voort. Het liep over inkomende rechten en vrijen handel, toen over den uitvoer van koren en vee van het stadje en toen over het leven in die kleine maatschappij. Mikkelsen sprak zacht, met een zekere onderdanige voorzichtigheid; Banner antwoordde meestal met »ja" of sneen" soms ook alleen maar met een enkele handbeweging, maar over zijn geheele houding lag een tint van verachting, met nieuwsgierigheid vermengd, bij 't waarnemen van deze bizondere soort menschelijke schepsels, 't Kwam hem voor als waren ze levend begraven. Zonderling, dat ook hier menschelijke wezens vegeteerden, die de pretentie hadden belangstelling en opinies te hebben en plannen te maken. Ten minste Judith kreeg den indruk, alsof' hij zoo dacht.

Het ergerde haar ter wille van den braven koopman. Zij voelde geen lust te toonen, dat zij zelf zich dikwijls boven deze eenvoudige menschen verheven voelde. Zij mocht het stadje vervelend, triviaal en geestdoodend vinden — zijn verachting er voor irriteerde haar. Hij leek zóó weinig op den prins van haar droomen, hij had zóó plotseling al haar illussies vernield, dat ze alleen ergernis en bitterheid voor hem voelde.

Waarom behandelde hij den braven koopman zoo uit de hoogte! Die man had zich zelf opgewerkt, gespaard in plaats van te verkwisten ; hij was een nuttig een weldoend man. Hoe durfde Banner zóó op hem neer te zien.

Haar verlegenheid verdween en toen nu de koopman zich tot haar wendde met de woorden: ))Nu, juf-

Sluiten