Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 30 —

»Zij kunnen met iemand trouwen, dien ze liefhebben."

»En als een vrouw niemand liefheeft, maar niet in staat is haar eigen brood te verdienen, en als dan een man aanbiedt voor haar te zorgen, als ze met hem trouwen wil, wat dan? Moet ze dan toch den bittersten nood, de diepste vernedering kiezen? Ze kan immers om zich heen onder de huwelijken, die ze kent geen enkele ontdekken, die blijken geven van »in den hemel gesloten te zijn" en is het dan zoo vreeselijk als ze denkt: De kerk veroordeelt, het niet en de wereld ook niet, waarom zou ik het dan doen? En als ze nu voor de verzoeking bezwijkt, wie is dan het schuldigste, zij of de man, die gebruik maakt van haar hulpeloosheid?"

Judith had kalm en langzaam gesproken, hij voelde dat elk woord wel overlegd was en doelde op hem en hun verhouding.

Hij trok de schouders op en verliet de kamer, maar hij verheugde er zich bijna over, dat het tot een uitbarsting tusschen hen gekomen was, dat de drukkende verhouding voorbij en de oorlog verklaard was; want hij zag in, dat zijn tegenstander tegen hem opgewassen was en de geblaseerde man wachtte eenig genot van dezen strijd, die onbarmhartig gevoerd zou worden en niet eindigen, voor een van de partijen overwonnen had.

Door de keus van zijn wapen dwong hij haar hetzelfde te kiezen; want zijn wapen was spot. Een tweesnijdend zwaard, dat even vaak hem, die het gebruikt, wondt als den tegenstander; een vermoeiend, pijnlijk wapen, omdat hij die het voert nooit rusten mag, altijd aanvallend te werk moet gaan, om geen welkom doelwit voor den tegenstander te worden, een wapen dat zenuwachtig en gespannen maakt en toch naar rust doet verlangen, die men zich nooit gunnen kan. Banner maakte zijn vrouw door haar tot het gebruik van dit wapen te dwingen nog harder en koeler dan zij reeds was.

Zij wende zich te spotten en vond daar vermaak in. Zij leerden spoedig eikaars zwakke zijden kennen en troffen elkaar daar medoogenloos. De een dreef den ander voort en hun spot trof ook anderen ; zij maakten jacht op de zwakheden van hun medemenschen en maakten die belachelijk, soms maar met een blik of een glimlach. Maar ondertusschen lagen zij als 't ware op de pijnbank, en verlangden vurig naar wat rust, naar wat verdraagzaamheid, naar den mantel der liefde over al die vele zonden en tekortkomingen.

Een jaar na de bruiloft verzamelde Bestrup zijn moed om het jonge paar zijn eerste bezoek te brengen. Met zijn ongeoefende hand en een aantal spelfouten berichtte hij Banner, dat hij eenige zaken met hem

te doen had en dat hij deze gelegenheid waarnam om de jonge mevrouw een bezoek te brengen. Hij schreef niet, dat hij de eerste acht maanden iederen dag dit prijzenswaardig besluit had genomen, maar het steeds weer opgegeven had omdat hij er tegen opzag haar te ontmoeten.

Banner vroeg Judith of zij hun buurman wilde ontvangen.

»Waarom niet?"

»Zijn reputatie is heel slecht en zijn leven is niet veel beter."

»Ik wist niet, dat je zóó streng oordeelde."

»Er is hier geen sprake van mij maar van jou. Wil je hem ontvangen?"

»De wereld leert je wel liberaal zijn," antwoordde ze koel.

Het resultaat was dus, dat Bestrup na de zaken met Banner in orde te hebben gebracht, bij Judith werd gebracht, die in de tuinkamer voor de open deur zat. Er was een frischheid en bloemengeur in dit vertrek, die den ruwen man aangenaam aandeden en toch onrustig maakten. Hij was meer gewend aan tabaksrook, stal en wijnlucht. Maar hij hield zich goed, naderde langzaam de vrouw des huizes en maakte zijn eerbiedigste buiging. Toen hij haar het laatst zag, was ze een bescheiden, eenvoudig gekleed meisje en nu stond ze omringd met weelde en prachtig gekleed als een koningin. Een treurig gevoel kwam over hem bij de gedachte, dat een geluk als hij hier meende te zien, ook zijn deel had kunnen wezen. De bloemengeur, de zachte warmte, het gonzen van de bijen, de lichte rustige kamer herinnerde hem op onverklaarbare wijze aan zijn kindsheid, aan zijn lieve, zwakke moeder, aan een gelukkiger en beter tijd.

Hij stond Judith een oogenblik aan te zien, met een vriendelijke, bedroefde uitdrukking op zijn gezicht, toen trad hij terug en zette zich neer. Alles wat hij hier zag kwam hem zóó harmonisch voor, zoo volkomen schoon, dat het hem voorkwam alsof hij het recht niet had hier te zijn, dat hij de lucht besmette van haar tehuis. Hij voelde zich ook niet recht op zijn gemak in Banners gezelschap. Er was een tijd geweest, dat hij vond dat ze gelijken waren, even schuldig om zoo te zeggen; maar nu Banner getrouwd was, had hij 't gevoel dat Banner hoog boven hem stond en met medelijden en verachting op hem neer zag.

»U blijft zeker bij ons eten?" vroeg Judith.

»Ja, graag, ik dank u," antwoordde Bestrup dankbaar en ontroerd, alsof een onverdiende genade hem ten deel gevallen was.

»Ik zou wel eens willen weten," dacht Banner, «waarom Judith zoo vriendelijk tegen dien kerel is. Mij verveelt hij onuitsprekelijk."

Langzaam ging een uur voorbij. Het gesprek vlotte

Sluiten