Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

_ 34 —

hun lust hadden botgevierd en naar hun eigen zin geleefd.

En toen kwamen alle kostbare of waardelooze zaken die Restrup verzameld had, onder den hamer. De hoeve met toebehooren werd door een rijken boer voor zijn zoon ingekocht. Het landgoed werd hij gedeelten aan de omwonende hoeren verkocht. De luxepaarden, een gedeelte van het zilver, de beste wijn en de kunstvoorwerpen, die waarde hadden, werden aan Banner's gemachtigde toegewezen.

Op Banner had de dood van zijn buurman geen bizonderen indruk gemaakt. Ten minste hij toonde het niet.

Toen hij het hoorde, ging hij naar zijn vrouw en zei: »Onze huurman heeft zich doodgeschoten. Dat is nog het verstandigste wat hij in zijn leven gedaan heeft."

Maar op haar maakte dit bericht een sterken indruk en zij antwoordde verontwaardigd:

«Anderen, die minder edel en braaf zijn als hij, leven voort in hun eigengerechtigheid, alleen omdat het hun meer meèliep dan hem. Bestrup had een beter lot verdiend."

Haar man trok de schouders op en ging heen.

Toen hij weg was, barstte ze in tranen uit. Ze wist zelf nauwelijks waarom.

Dat waren de eenigste tranen, die bij Bestrups dood geschreid werden.

Zij lag op haar chaise longue. Zij herinnerde zich hoe zij als jong meisje dit landgoed bezocht had en toen zulk een chaise longue met zijde overtrokken, had begeerd. Die zou daar op deze plaats moeten staan, van waar zij het uitzicht had over den tuin, de wallen en de velden daarachter, allen het eigendom van haar en haar man. Maar hoe weinig voelde zij nu van 't genot, dat de rijkdom en de macht haar brengen zouden volgens haar jongemeisjesdroomen.

Zij had gelezen, 't Was een hoek, dat in de voorrede aan sterke hoofden en harten werd aanbevolen; de titel was: «Brieven uit de hel". Zij had het uit de bibliotheek van haar man genomen en er in gebladerd. Maar ze was dat fantastische moe geworden en lag nu onverschillig voor zich uit te staren.

»De hel," zei ze eindelijk in gedachten, «wat een onzin. We hebben waarlijk geen hel noodig na den dood. De hel is er al hier op aarde en ik ben er in. Om me heen is 't ijskoud en leeg; onverschilligheid en een leven zonder inhoud, alles even doelloos en zinledig — is dat niet een hel'? En in mij een voortdurend smachten naar iets — ik weet niet wat, en

een gevoel van brandend berouw over iets, wat ik verspeelde — maar wat dat is weet ik ook niet. — «Die worm sterft niet en dat vuur wordt niet uitgebluscht," staat er geschreven. Ja, binnen in me knaagt een worm, die me nooit, met rust laat. Waar verlang ik toch naar? Ik meende; naar rust en onafhankelijkheid, naar weelde en rijkdom; ik bracht mij zelf ten offer om dat te bereiken en ben nog even ver. Neen, ik ben nu niet gelukkiger dan vroeger. Ik joeg een schaduw na, die verdween. Ik heb me verkocht en er niets bij gewonnen."

Een gloeiende blos van schaamte steeg op naar haar wangen en ze wendde het hoofd naar den muur terwijl ze de handen in machtelooze ergernis wrong. »Mij verkocht heb ik! Niet alleen mijn lichaam, maar ook mijn ziel. Heb ik niet lijdelijk toegelaten, dat hij ze verstijven deed, haar even hard en koud maakte, als hij zelf is. Ja, dat heb ik! Ik word hoe langer hoe minder waard, 't wordt hoe langer hoe erger. Er was toch een tijd, toen ik opzag naar wat groot en goed was, toen ik liefhebben kon en wat voor anderen over had — nu is dat voorbij; 't is alsof alles in me verdord is, alles — behalve dat, groote verlangen, wat ik zelf niet begrijp. — Wat is toch 't leven ellendig en hoe ongelukkig zijn de menschen."

Zij lag op de chaise longue, met de kostbaarste Ghineesche zijde overtrokken; alles om haar heen behoorde haar toe, ieder van haar wenschen was een gebod voor haar omgeving en toch zij was wanhopend over haar eigen ellende en die van de wereld.

Een groote gebeurtenis was aanstaande. Op Anhjerghoeve werd een erfgenaam gewacht. Toch werden de bewoners er niet gelukkiger door; blijde hoop bezielde hen niet. Judith was gedrukt en angstig voor wat haar te wachten stond en Banner waagde niet zich in 't vooruitzicht te verheugen. Hij was al zoo dikwijls teleurgesteld en dan ook — dit geluk kwam hem te groot voor om er aan te gelooven. Hoe meer de tijd naderde, hoe meer hij door een pijnlijk voorgevoel leed, en dan kwam hier nog de. verschrikkelijke gedachte bij: hoe was zijn vorig leven geweest? Mocht hij op gezonde, krachtige kinderen hopen? En hij bereidde zich op het ergste voor, opdat de teleurstelling niet al te vreeslijk zou zijn.

De zenuwachtige bezorgdheid, die hij voor zijn vrouw toonde, verergerde haar gedrukte gespannenheid nog. Voor zijn eigen geruststelling liet hij bijna dagelijks den dokter halen en deed hem dikwijls de onredelijkste vragen. Op zekeren dag gaf hij hierdoor den waardigen

Sluiten