Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 38 —

«Waarom hebt u geen haar, Vader1?" vroeg Erik.

»Omdat ik het afgeplukt heb en aan jou gegeven."

» Geeft u mij dan alles, Vader?"

»Ja mijn jongen, alles wat ik heb krijg jij, als je goed en braaf wilt zijn en recht veel van me houden en een beter mensch worden als je vader geweest is."

Toen Erik Banner opgroeide, vertoonde zich bij hem een neiging tot zenuwachtige overspanning. Zijn lichaam was gezond, hoewel veel minder krachtig dan dat van even oude boerenjongens. Maar zijn levendige geest had aanleg tot prikkelbaarheid.

Als kind hinderden hem sterke geluiden en konden hem zelfs aan het schreien brengen, en later klaagde hij veel over hoofdpijn en vermoeidheid. Zijn uitgelaten vroolijkheid kon gevolgd worden door slapte en matheid, wat misschien niet opgemerkt zou zijn bij den zoon van een handwerksman, maar het gaf Banner groote zorg. De dokter, die geraadpleegd werd, was met Banner eens, dat het zenuwachtigheid was, die zich bij hem al zoo vroeg openbaarde, en die hij waarschijnlijk van zijn vader geërfd had. Maar de dokter nam het kalm op, schreef versterkend voedsel voor, veel beweging en baden, waar de knaap al aan gewend was en dan wat kinadroppels, die hij niet graag innam. Dit scheen te helpen, de verschijnselen verdwenen of mengden zich zoodanig met den heftigen aard van den jongen, dat men niet meer wist wat zenuwachtigheid en wat ondeugendheid was. Erik, die zeer verwend werd, was tamenlijk eigenzinnig en opvliegend. Niet dat hij dat ooit tegen zijn vader toonde, daarvoor had hij te veel ontzag voor hem; maar tegenover zijn moeder en de bedienden ontwikkelde zich dit op een onrustbarende wijze. Judith had weinig macht over hem, want nadat zij een paar keer met een tik zijn ondeugendheid bestraft had, leerde zij uit de verbittering, die hij haar nog lang daarna toonde, dat zij iedere poging op moest geven om hem te straffen, als zij iets van zijn liefde wilde behouden. En daar hij met den scherpen blik van een kind, in zulke gevallen, zijn macht over haar zag, was het gevolg', dat hij spoedig alle huisgenooten tiranniseerde, behalve zijn vader. Als Judith en Banner elkaar bij de opvoeding hadden geraden en gesteund, zouden zij gemakkelijk den jongen in toom hebben kunnen houden, maar haar voortdurend toenemende geslotenheid maakte dat Banner onwetend bleef van dezen trek van zijn kind, tot hij door een toeval ontdekte, dat hij de zaak ernstig ter harte moest nemen.

Het was een herfstdag na Erik's vierden verjaardag,

en hij zat bij zijn moeder met een prentenboek voor zich. Judith zat te lezen, maar legde geduldig haar boek weg om te antwoorden op wat hij haar vroeg. Toen greep de jongen haar boek, dat hij interessanter vond dan zijn eigen.

»Geef Moeder bet boek, mijn jongen."

»Neen, ik wil er in kijken."

Het was een kostbaar werk, dat gemakkelijk bedorven kon worden, en zij stond op om het hem af te nemen.

Maar Erik hield het vast en spartelde tegen.

sWees nu een zoete jongen, Erik."

Maar hij luisterde niet.

»Ik wil het hebben," schreeuwde hij.

Zij nam het hem af. Toen wierp hij zich achterover in een aanval van razernij.

»Geef hier, ik wil het hebben! ik wil, ik wil I"

Hij vloog op haar af en trok aan haar kleeren.

Zij verweerde zich, hield het boek boven haar hoofd en zei vriendelijk:

»Nu moet Erik zoet zijn."

Maar de jongen schreeuwde en stampvoette.

Zij was hier al aan gewend ; maar achter hen stond Banner in de open deur, sprakeloos van verbazing. Het was voor 't. eerst, dat hij het, kind zoo zag. Hij zou juist gaan rijden, kwam de gang door, toen hij den jongen zoo driftig hoorde schreeuwen, en stond daar nu ten hoogste verbaasd in de deur.

Maar het volgende oogenblik was er een ander, die verbaasd werd en dat was de kleine driftige tiran zelf, die werd aangepakt en opgelicht en voor het eerst van zijn leven een rijzweep te voelen kreeg. Hij schreeuwde, hij draaide en spartelde; hij dacht er niet aan, dat hij tegenover zijn vader stond, hij verweerde zich maar zoo goed hij kon. Maar te vergeefs, de rijzweep viel onverbiddelijk op hem neer en hij voelde de eene pijnlijke striem na de andere over zijn rug. Hij schreeuwde van pijn, maar het hielp niet. Judith zat in de sofa met bet boek in de hand, zij voelde wat, ieder andere moeder in zulk een geval voelen zou. Iedere slag trof haar even hard als den jongen, en zij was verontwaardigd over de smishandeling" die hij onderging. Zou dit dan nooit ophouden? — Maar dat was weer de gewone ruwheid van de mannen, die blij zijn als zij hun macht over een zwakkere voelen. Haar trots belette haar om tusschenbeide te komen, en Banner hield niet op met slaan, voor het. kleine lichaam slap werd onder zijn hand, voor het laatste spoor van weerstand verdwenen was, en hij voelde, dat de jongen gebogen was en beefde. Toen liet hij hem los en ging heen zonder een woord te zeggen.

In Judith's ziel mengde zich in het medelijden met het kind een bijna triomfantelijke hoop. Zij kende

Sluiten