Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 39 —

Erik en wist, dat hij deze vernedering niet zoo gauw weer vergeten zou. Die zou de liefde voor zijn vader verkoelen, en dan — dan kon zij daar misschien iets van winnen, zij had zoo'n onuitsprekelijke behoefte aan liefde.

Zij boog zich over hem heen, terwijl hij daar op den grond lag. »Arm klein ventje," fluisterde zij zacht. Toen barstte hij in zulk hartstochtelijk schreien uit, dat zij er van schrikte. Hij schreide het meest uit medelijden met zich zelf. Zij suste hem, veegde zijn oogen af met haar eigen zakdoek en streek het vochtige haar van zijn voorhoofd. «Schrei niet Erik, Moeder houdt van je, Moeder zal goed voor je zijn." Toen kreeg hij nog meer medelijden met zich zelf. Maar langzamerhand bedaarde zijn schreien; toen tilde zij hem op en droeg hem naar de sofa; dat deed hem blijkbaar pijn en hij begon weer te snikken.

»Doet het erg pijn, zal moeder je baden'? Moeder zal je niet slaan." Hij drukte zijn hoofdje tegen haar aan. »Zal je altijd veel van Moeder houden'?" »Ja," snikte hij. »Dan zal Moeder ook wel goed voor je zijn."

Hij antwoordde niet, hij was klaarblijkelijk te moe om boos of dankbaar te zijn. Na een lange pauze, terwijl zij hij hem geknield lag, zei hij plotseling: swaar is Vader?"

sWees maar kalm ventje, Vader is weg en komt zoo gauw niet terug, ik zal wel op je passen." Hij lag nog een poosje te kreunen.

»Komt Vader gauw?" vroeg hij toen weer.

»Neen, dat duurt nog lang, wees maar niet bang." Hij ging rustig liggen en zij vertelde hem verhaaltjes. Eens keerde hij zich om en zei: »Je bent lief" en stak haar zijn mondje toe voor een kus. Wat een gelukkig oogenblik voor haar eenzaam hart.

Maar toen merkte zij, dat hij weer begon te beven.

))Wat is er?"

»Daar komt Vader aan, ik kan het hooren, dat is Emir."

Zij luisterde ingespannen, maar kon eerst na eenige oogenblikken de hoefslagen van een paard onderscheiden.

»Wees maar kalm, Vader zal je niet meer slaan."

Erik ging overeind zitten. »Nu komen zij het hek door, nu springt Vader van het paard, nu gaat hij de trap op, en.. .. en. .. . nu komt hij door de gang!"

»Wees maar niet bang, mijn jongen."

Erik's gezichtje was vuurrood geworden. De deur ging open, hij glipte uit zijn moeders handen. Zij meende, dat hij wilde wegloopen en wilde hem terughouden, maar hij rukte zich los en eer Banner drie stappen de kamer in gedaan had, had het kind zijn handen gegrepen, klemde zich aan hem vast en stamelde:

»Ik zal nooit meer stout zijn, nooit meer." En toen begon bij weer te schreien.

Dit tooneel deed Judith zoo'n pijn, dat zij het bijna niet verdragen kon.

Banner nam het kind op en kuste hem: »Vader is nu niet boos meer; maar nu ben je moe en je hebt slaap. Zeg nu goeden nacht en ga naar bed."

Het was pas zes uur. maar Erik sprak niet tegen, hij ging naar zijn moeder, die bleek en zwijgend op de sofa zat.

»Nacht Moeder."

Maar zij duwde hem van zich af, zonder hem te kussen. Hij keek haar verbaasd aan, bleef een oogenblik aarzelend staan en ging toen naar zijn vader, en kuste hem. Toen ging hij gedwee de kamer uit om naar bed te gaan.

Toen hij weg was zei Judith met een harde, bijna onherkenbare stem: »Ik geloof, dat kinderen als honden zijn, zij likken de hand, die ze mishandeld heeft."

»Ik geloof," antwoordde haar man droog, »dat de jongen zijn ongelijk inzag, daarom boog bij zich gewillig."

)>Hij moet dan toch een wonderlijken aard hebben, dat hij zich kan buigen voor een mishandeling."

»Ik mishandelde hem niet, maar ik weet hoe ver ongetemde trots en koppigheid gaan kan. Ik wil den jongen buigen nu het nog tijd is."

»Er zijn menschen, die te trotsch zijn om zich ooit te buigen."

Hij nam het boek op en sloeg het open en achter het boek antwoordde hij : »Er zijn menschen, vermoed ik, die nooit iemand hebben lief gehad en die nooit iemand heeft lief gehad. Daarom kost het hun zoo'n moeite zich te buigen."

Zij zweeg en verliet de kamer.

Dien avond kon zij niet in slaap komen, zij wierp zich rusteloos heen en weer op haar bed, door treurige gedachten gepijnigd: versmaad, afgestooten door haar eigen kind! Niet in staat zich meer dan een ondergeschikte plaats in zijn hart te veroveren. Zij herinnerde zich de langdurige verbittering, die het kind getoond had, toen zij het eens gestraft had. De jongen gaf waarschijnlijk in het geheel niet om haar. Banner had het immers gezegd: »Menschen die nooit iemand hebben lief gehad en die niemand heeft lief gehad." Was zij zulk een mensch?

Ja, ja, ja. Niemand had haar ooit lief gehad, niet zooals zij er behoefte aan had, warm en vol. En zij had ook nooit lief gehad. Neen, ook niet! Tenminste

Sluiten