Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 40 —

niet zooals zij het toch moest kunnen, met haar geheele hart, zonder egoisme, bereid tot offers, zichzelf vergetend.

Neen, noch haar moeder, noch haar man — zelfs haar kind niet, want dan zou zij tevreden geweest, zijn met het kleinste stukje van zijn hart. Zulk een liefde stelt immers geen eischen. Dat was het dus wat haar ontbrak, dat was de leegte, waaronder zij leed. Daarom werd zij bij den dag slechter, onverschilliger en harder. »Ach, zou het dan nooit komen, zou dan niemand haar liefhebben, zóó dat ook haar liefde gewekt werd? Zou zij dan nooit dat gevoel leeren kennen met al zijn vreugd, al zijn zonnig geluk, zooals het toch wel bestaan moest? Want het bestond immers in werkelijkheid, niet alleen in de boeken?

Ofschoon wie weet! Eigenlijk had zij nog

nooit zulk een liefde gezien, maar egoïsme, dat was er genoeg. Zij was in ieder geval niet de eenigste, die er door gedreven werd. Bij nader inzien was dat misschien do voornaamste drijfveer. Egoïsme was de beweegreden van haar moeder geweest, van haar stiefvader en haar eigen, ja, vooral haar eigen. Liefde was misschien maar een woord, een illusie die nergens te vinden was. Maar had Banner dan zijn kind niet lief? Neen, ook dat was egoïsme; hij had zichzelf lief, zijn vleesch en bloed, zijn eigen leven, zijn toekomst in den jongen, dat was alles. Zij vond er een treurige voldoening in, iedere verhouding die zij kende, te-ontleden en er egoïsme in te vinden als kern. Onder deze bezigheid overviel haar de slaap. Maar half slapend herinnerde zij zich kleine verhaaltjes uit haar leesboekjes op school, zooals: «Aandoenlijke vriendschap", «Bewijs van broederliefde", «Liefde van een negerkind voor zijne ouders", enz., en daarin mengden zich onduidelijk en verward, teksten en psalmversen uit dien zelfden tijd: «Al zoo lief had God de wereld", «Kinderen hebt elkander lief", «Ik hen liefde", «Liefde is de volheid der wet".

En half onbewust zuchtte zij: «Dat ik dat alles eens werkelijk geloofd heb!"

— Toen viel zij in slaap.

De tijd ging onbeschrijfelijk langzaam voorbij, zij had eindelijk nergens meer lust in of belangstellingvoor, zij had geen mensch om zich bij aan te sluiten, geen hoop, geen doel om voor te werken. Alles was immers zonder doel of beteekenis, waarom zou zij niet dat brandend verlangen naar een groote gedachte die haar leven vullen kon, opgeven en ophouden, zich te kwellen met het denkbeeld, dat iedere dag die voorbij ging, voor haar leven verloren was? Haar

karakter was niet zelfstandig genoeg- om haar op te houden, zij was uitgeput. Zij had gehoopt in haar moederliefde en haar verhouding' tot Erik een prikkel te vinden om te leven en te werken, maar toen zij ook die hoop moest opgeven, zonk zij ineen en werd dof. Zij voelde het wel, maar zij verweerde zich niet, zij ging langzaam achteruit en zij was te moe om er iets tegen te doen.

Maar Banner had sinds dien najaarsdag' zich geheel aan de opvoeding van zijn zoon gewijd. Hij had later geen aanleiding meer, hem te slaan; de herinnering aan die afstraffing had diepe sporen in het weeke gemoed van den jongen achtergelaten. Hij bleek een van die kinderen te zijn, die maar eens in hun leven gestraft behoeven te worden. Hij had na dien dag een lichten angst, een zekeren ootmoedigen eerbied voor zijn vader, die zoo mogelijk zijn liefde nog verhoogde.

Banner merkte, dat Erik's ziel als was in zijn handen was. Het was nu zaak baar te vormen tot een schoon en edel gereedschap en vooral haar voor de dwalingen te bewaren, waarvan zijn eigen ziel een offer geworden was. Hij verbood ten strengste aan de bedienden het kind op eenige manier te verwennen of onderdanig tegen den jongen te zijn; door zijn eigen ervaring geleerd, wilde hij zijn zoon allereerst tot een flink burger opleiden.

Hij moest volgens zijn plan op een openbare school gaan, sfudeeren en werken, en niet alleen op zijn erfdeel rekenen. Dan zou. hij toch wel eens aan de wereld zijn zoon kunnen geven als een edelman in den besten zin van het woord, een vrij, zelfstandig en bekwaam man, en zeggen: «Hier is goedgemaakt wat ik in mijn eigen leven bedorven heb."

Die gedachte verbond hen nog inniger aan elkaar. Er was eigenlijk bijna geen gevoel wat zij niet samen deelden, geen gedachte die zij niet op een of andere wijze aan elkander verschuldigd waren. Misschien was dit bij Banner een soort eigenliefde, maar als dit zoo was, hadden egoïsme en liefde elkaar aangevuld en waren geheel in elkaar opgegaan.

Toen zij in het voorjaar thuis kwamen van een reis in Italië, vertoonde zich Erik's zenuwachtigheid weer. Men schreef die aan overspanning op de reis toe; hij kreeg chinine en staal en zijn prikkelbaarheid nam af; maar in den loop van den zomer was het alsof zijn karakter veranderde: een wonderlijke zachtheid en slapheid kwam over hem, zijn levendigheid werd minder, zijn liefde voor zijn vader werd week en ziekelijk. Hij klaagde over voortdurende vermoeidheid en bracht het grootste deel van den dag op zijn vaders sofa door in een toestand van uitputting.

De zomer was buitengewoon warm; de dokter

Sluiten