Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 43 —

ging naar zijn eigen kamer en sloot de deur achter zich at'. Maar Judith had het gezicht in de dekens van het bed van haar man verborgen en daar lag zij nog toen de doktoren, na zich overtuigd te hebben dat het kind dood was, de kamer verlieten.

Banner zat dag en nacht alleen in zijn kamer, wilde niemand spreken en liet aan anderen de toebereidsels voor de begrafenis over. Zijn geheele ziel was als verscheurd. Het kind was aan hem verbonden geweest als met duizend draden, en dat alles was nu plotseling losgerukt. Al wat in hem was sidderde van pijn. Zijn geslacht was dus ter dood veroordeeld en het vreesiijkste was, dat hij zelf een deel van de schuld daaraan had. Het was wel niet uitgesproken, maar hij wist het toch en daarom wenschte hij zoo hartstochtelijk, niet dat de knaap was blijven leven, maar dat hij toch ten minste gestorven zou zijn door een natuurlijke besmetting en niet als een offer voor het geheele geslacht, vooral niet door zijn eigen schuld. Als die gedachte over hem kwam en die kwam ten allen tijde, dacht hij, dat hij krankzinnig' zou worden, en hij hoopte het bijna.

Hij zat meestal onbewegelijk op een stoel voor zich uit te staren, en wachtte of die onlijdelijke pijn niet op een of andere wijze zou aftrekken, al was het ook maar alleen, omdat hij het niet langer uithouden kon. En werkelijk kwam er nu en dan verzachting', oogenblikken waarin hij niet meer dacht en half versuft zich overgaf aan verwarde onsamenhangende herinneringen.

Maar dan kwam die gedachte weer: «Mijn kind is dood en het is mijn schuld." En op nieuw was hij ten prooi aan de felste smart. Soms wiegde hij zacht heen en weer en klopte met de vingers op de armen van den stoel, onwillekeurige regelmatige bewegingen, waarmee hij onbewust zijn pijn trachtte te verdooven. De overmaat van zijn lijden had zijn ziel verlamd en haar alle werkkracht ontnomen. Kleine smarten kunnen klagen, groote zijn stom.

De dag van de begrafenis kwam en men riep hem. Hij stond toen op en ging naar de kamer, waar de kist stond; dat was de groote, fraaie ridderzaal. Hij bleef staan en zag een oogenblik naar het gezicht van het kind, toen wendde hij zich snel om en gaf door ecn wenk te kennen, dat men de deksel op de kist zou schroeven.

In het aangrenzende vertrek wachtten de menschen die op de begrafenis gekomen waren, de notabelen uit de stad en den omtrek. Hij ging naar binnen,

boog voor hen op zijn gewone vormelijke manier, maar sprak niet; deze en gene traden vooruit en mompelden een paar woorden; hij reikte hun de hand, die stijf en koud. was en mat neerviel als zij haar loslieten. Het kind werd begraven uit de kapel van het landgoed, die behangen was met zwart laken en rouwfloers:

Het kerkhof was bijna te klein voor den stoet, de menschen waren toegestroomd van alle kanten, grondbezitters, boeren, eigenaars van hoeven en arbeiders waren gekomen. De smid en zijn vrouw waren er en voelden een grenzenlooze dankbaarheid, omdat zij hun vijf zieke kinderen hadden mogen behouden.

«Eigenlijk had het nog haast liever een van de onzen moeten zijn," zei de vrouw van de smid. «Wij hebben er elf en zij hadden maar dat eene, en hij zou al die heerlijkheid geërfd hebben."

Banner stond stijf en bleek bij het graf, hij zag niemand van de aanwezigen, hij hoorde de lijkrede niet, noch het vallen van de aarde op de kist. Het gezang, het klokkenluiden, het schreien om hem heen ging hem voorbij. Hij boog beleefd voor den predikant 'toen de plechtigheid voorbij was, groette den stoet en ging naar zijn wagen zonder een woord of een klacht, zonder een traan. Toen hij thuis kwam sloot hij zich weer in zijn studeerkamer op, hij vroeg niet naar Judith.

Zij zat aan het venster en zag uit over den weg, waarlangs de stoet voorttrok; zij zat er nog, toen later de wagens wegreden na de begrafenis. Zij dacht er aan hoe goed en gelukkig de dag zou zijn waarop men van haar begrafenis zou terugkomen, want zij wenschte te sterven. De smart had haar tot het uiterste gedreven.

Deze slag kwam haar voor, boven de grenzen van menschelijke draagkracht te gaan, en als het gejaagde door honden omringde hert, keerde zij zich tegen haar vervolger. Want het was als werd. zij vervolgd, een sterke hand. martelde en pijnigde haar!

Was dat misschien de rechtvaardige en wijze God, die haar tuchtigde om haar te bekeeren? Maar dat zou niet gelukken, haar geheele ziel kwam in opstand tegen deze tucht. Zij wilde dien onbarmhartigen Rechter trotseeren, zij wilde niet aan Hem gelooven, nu nog minder dan ooit te voren.

Maar als Hij niet bestond, dan stond zij immers tegen een blind noodlot, waar zij zich niet tegen verzetten kon, tot wien zij geen verwijten kon richten en dat zij niet verloochenen kon; een rots, waartegen zij in wilde vertwijfeling met bet hoofd kon slaan

Sluiten