Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 45 —

de koetsier en tiet dienstmeisje, dat voor mijn zoon zorgde, kun je ieder bij den rentmeester vijfhonderd laten uitbetalen — van mijn kleinen jongen."

Hij ging heen en de knecht bleef staan zonder een woord te kunnen uitbrengen. Banner was aan de deur gekomen van de kamer, waai' zijn vrouw zich gewoonlijk ophield, hij opende die na eenig aarzelen, liet was er licht, op het kleine tafeltje bij de sofa in den hoek van de kamer brandde een lamp. Judith zat op de sofa met naaiwerk in de hand; zij naaide anders zelden, maar nu had zij behoefte aan iets, dat haar handen en gedachten bezighield. Zij zag nauwelijks op toen hij binnenkwam : zij was in haar eigen droevige gedachten verdiept. Zij zag niet, dat zijn dunne haar grijs geworden was en dat er lichte plekken in zijn donkeren baard gekomen waren; zij zag niet, dat zijn gezicht een slappere en tegelijk zachtere uitdrukking gekregen had, dat zijn houding minder stijf en als die van een herstellenden zieke geworden was. Zij streed haar wanhopenden strijd in eenzame vertwijfeling. Zij verwachtte van hem geen hulp, de laatste band tusschen hen was immers gebroken; zij voelde niet anders dan onverschilligheid en haat voor hem. Toen kwam hij. En haar zieke ziel wendde zich af, zij kon niet verdragen hem te zien.

Hij ging zitten en zij begon weer te naaien. Geen geluid werd gehoord, behalve hun eigen ademhaling; zij zaten daar zwijgend, als waren zij levenloos. Zijn oogen rustten onafgebroken op haar, half gedachtenloos en half omdat hij in haar gezicht gelijkenis vond met het kind. Zij voelde zijn blik, het was alsof die haar brandde; zij zat als betooverd in de doodstille kamer met die strakke oogen op zich gevestigd. Toen was het alsof haar oogen verward werden; een zenuwachtige angst kwam over haar, zij durfde niet blijven zitten, zij kon dit niet uithouden. En zij stond op, zij verzocht hem met een handbeweging om haar voorbij te laten gaan, zij wilde weg, het was haar als had ze nachtmerrie. Toen stak hij de handen naar haar uit en zei smeekend : »Neen, blijf hier."

Maar zij begreep hem niet, zij was bang, opgewonden en ziek, zij hield afwerend de handen voor zich uit, als om zich te verdedigen en stamelde: »Ga heen. . . laat mij met rust, ik kan het niet verdragen, ik kan je niet zien !"

Toen stond hij op en ging heen.

Zij liep in den tuin, zij herinnerde zich nauwelijks hoe zij daar gekomen was; maar zij was er en liep heen en weer in de lange lindenlaan.

Het was een scherpe koude najaarsdag; de roode

en gele bladen zwierden neer van de boomen en krulden zich om voor haar voeten. Donker en treurig was de herfsthemel met wolken, welke zwaar en laag als rook werden voortgedreven door den wind, die door de hooge boomen suisde en ritselde in de hoopen opeen gewaaide bladen. Dat wonderlijke ruischen door de boomtoppen, dat eerst zwak uit de verte aankwam, dan naderde tot het dof heen bruischte over haar hoofd en dan langzaam wegstierf als met een zucht. En daar tusschen in hoorde men die verre wonderlijke klagende geluiden, die het najaar meebrengt en waarvan men niet weet van waar zij komen. Het was als ging de natuur met gebogen hoofd haar ontbinding tegemoet. Zij bleef staan en staarde voor zich uit over de eenzame velden.

Hoog in de lucht trokken de wilde ganzen weg in een scheeven onregelmatigen driehoek en hun geschreeuw drong flauw tot haar door. Haar opgewondenheid was voorbij ; hel was alsof haar smart het hoogtepunt had bereikt en de reactie was ingetreden. Zij was nu stil en treurig gestemd, zij voelde geen haat of trots meer, alleen een droef verlangen om heen te gaan, om. ineen te smelten met de stervende natuur, te vergaan met het verdorde loof, opgenomen te worden in de zware donkere wolken boven haar hoofd.

Telkens weer keerden haar gedachten naar haaiman terug, zij kon aan niets anders denken. Zij begreep nu waarom hij bij haar gekomen was én terwijl haar eigen smart stil werd als de zee na den storm, begon zij de zijne te begrijpen. Ach, wat moest hij geleden hebben! Haar hart werd steeds zachter. Als zij reeds zoo bitter bedroefd was geweest, hoeveel

te meer hij dan, voor wien het kind alles was

Langzaam en onduidelijk kwam haar de veranderingvoor den geest, die zijn geheele persoonlijkheid en uiterlijk hadden ondergaan. Hij was dus tot haar. gekomen, om troost te vragen. Ja, nu herinnerde zij het zich: hij had de armen naar haar uitgestrekt en haar gesmeekt te blijven. En wat had zij gedaan?

Diepe schaamte en berouw grepen haar aan: zij had hein afgestooten. Ja, toen was zij ziek, waanzinnig, buiten zich zelf. Hij was tot haar gekomen, tot haar. ff ad zij dat verdiend?

Hij had niemand anders gehad, tot wien hij zich wenden kon en hij was uit zich zelf gekomen, hij had spot en toorn en bitterheid vergeten en hij was gekomen om haar te vragen met hem te treuren — en zij had hem afgestooten. Duizend vriendelijke handelingen zouden haar niet zoo week hebben kunnen maken als deze gedachte, dat zij hem onrecht gedaan had. Zij voelde zich zoo beschaamd, zoo klein, zoo ellendig en zij voelde een pijnlijk verlangen haar onrecht weer goed te maken, hem te zeggen dat zij ziek

Sluiten