Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 46 —

en ontoerekenbaar geweest was; maar hoe moest zij dat doen.

Zij bleef heen en weer wandelen onder de suizende boomen; het werd donkerder en kouder, maar zij voelde het niet. Voor het eerst en sinds langen tijd schreide zij zacht en zonder bitterheid, schreide zij over baaizwakheid, haar tekortkomingen en haar zonden.

Zij wachtte heel den volgenden dag, zij luisterde naar iedere deur, die open ging, naar iedere voetstap in de leege gangen; maar hij kwam niet. Zij was zoo graag naar hem toegegaan zoo als hij hij haar was gekomen, maar zij durfde niet. Zij dwaalde zenuwachtig en onrustig rond in het groote huis, ging voorbij zijn deur, maar waagde niet binnen te gaan en keerde telkens bedroefder naar haar kamer terug. Zij belde en liet de knecht de kachel opstoken: zij kon haar zenuwachtige rillingen niet bedwingen.

»Is mijnheer alleen op zijn kamer."

«Neen mevrouw, de advocaat is bij hem."

De knecht ging heen, zij kroop dichter bij het vuur, zette de voeten op het hekje van den haard en rilde van de kou. Voorover gebogen staarde zij in de vlammen, die spelend heen en weer flikkerden en haar blikken boeiden, terwijl haar gedachten ver weggleden, altijd om het zelfde punt draaiende.

Hoe graag had zij gelukkig willen zijn! En hoe weinig was zij het geweest! Was dat alleen zijn schuld?

De advocaat was bij hem, waarom? Maakte hij misschien zijn testament, dacht hij aan zijn dood? Als hij nu stierf! De deur ging open, zij richtte zich haastig op en wendde het hoofd om, hij was het. Zij beefde over haar geheele lichaam. O, was het mogelijk, kwam hij weer, was het nog niet te laat?

«Mag ik je een oogenblik storen?"

Zijn stem klonk beleefd, vriendelijk zelfs, maar zij voelde het wel, niet zooals zij verwacht had.

»Het is alleen maar even over zaken."

Zij boog het hoofd.

»De advocaat is bij mij. Ik wil mijn testament maken. Ik heb eenige beschikkingen gemaakt, terwijl Erik leefde, maar die gelden nu niet meer. Ik weet niet hoe lang ik nog leven zal, of hoe plotseling ik sterven kan, en ik wil je ons goed in eigendom verzekeren. Maar wat ik je vragen wilde is wat anders. Ik zou zoo graag een hypotheek van 100,000 gulden op ons landgoed nemen: zooveel zou wel ongeveer Erik's opvoeding gekost hebben. Zullen wij daarvan een legaat oprichten, dat de naam van onzen jongen dragen kan? Ik zou niet graag willen, dat hij spoorloos uit het leven zou gaan — zooals ik."

»Ja, ja," fluisterde zij. Zij kon geen woord meer uitbrengen, zij beproefde het te vergeefs.

»Wij kunnen er later verder over spreken, nu moet

alleen de hypotheek in orde gebracht worden. Je excuseert mij, de advocaat wacht."

Zij was weer alleen. Hoe klein voelde zij zich tegenover die zorg, die mildheid. Hij wilde haar zijn bezittingen verzekeren, in hun geheel, tegen mogelijke eischen van familieleden. Hij was bang te sterven zonder voor haar gezorgd te hebben en wat had zij voor hem gedaan? Zij had van het begin af hem als een tegenstander behandeld, zij had hein aangeklaagd alsof hij haar onrecht gedaan had. Was misschien het meeste onrecht aan haar zijde geweest? Van een arm meisje had hij haar tot zijn vrouw gemaakt en nu wilde hij haar alles geven wat hij bezat, haar, die hem nooit een vriendelijk woord gegeven had. En dat deed hij, als iets dat van zelf sprak.

»Hij wist niet hoe lang hij nog leven zou ? Hetzelfde herinnerde zij zich, had Restrup gezegd, kort voor hij zich van kant maakte. Zou het mogelijk zijn, dacht hij aan zelfmoord? Ach wat had hij geleden; hij had misschien ook geen gelukkig oogenblik gehad in zijn geheele leven. Hij zei het immers — was het niet vreeselijk? — «Spoorloos uit het leven gaan, zooals ik."

Spoorloos uit het leven! Hij kon het niet verdragen dat zijn kindje vergeefs geleefd zou hebben, hoewel het maar vijf jaar geworden was. Maar zij dan? Welk spoor zou zij nalaten? Wie zou haar met droefheid herdenken, of haar missen als zij stierf? Zij was nooit iets geweest voor iemand in deze wereld! En plotseling stond het voor haar in zijn geheele verschrikkelijke waarheid: »het was uw eigen schuld, alleen uw eigen. Aan u zelf hebt gij de leegte en het ongeluk te danken, dat uw leven drukte. Dat alles wortelt alleen in uw eigen grenzeloos egoïsme."

Had zij ooit met ernst beproefd iets uit te richten? Zij had het wel gewild, het gewenscht zoo in het onbepaalde, maar nooit had zij iets ernstig aangegrepen. Niet eens zulk een kleinigheid als een bezoek aan haar moeder, kon zij zonder tegenzin doen, hoewel zij wist welk een genot dat voor de oude vrouw was. Zij stond op en liep hevig bewogen de kamer op en neer. Als uit een droom ontwaakt zag zij haar leven achter zich liggen, een leven van verbeuzelde dagen en waardelooze handelingen. Maar misschien was het nog tijd! En zij beloofde zich zelf zich aan te grijpen met alle kracht.

Nu volgden er dagen, waarin zij met vurigen ijver de plichten zocht en vond, die zij tot nu toe verzuimd had, en zij vervulde ze met een koortsachtigen angst, nog meer kostbare oogenblikken te verbeuzelen of te verliezen. Maar één ding was er waar zij niet toe

Sluiten