Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 49 —

geknakt. Zij zag rond naar al die mannen-gezichten, waarvan ieder mijlen ver afweek van het schoonheidsideaal; die gebaarde koppen met plompe trekken, dikke lippen, starende of doffe oogen, gezichten, die iemand in verzoeking konden brengen te gelooven, dat Moeder Nat uur ze had. voortgebracht uit ondeugenden lust om caricaturen te maken, en die nu nog gezwollen en verhit waren door den wijn, het eten, de warmte en al dat praten. En toen bleef haar oog rusten op een hoofd, dat maar met een dunnen krans grijs haar omgeven was, maar van een opvallend edelen vorm met een scherpen, rechten neus, diep liggende, ernstige oogen en een fraaien, fijnen, spottenden mond ; een gezicht, dat zich door zijn rust en bleekheid van al die anderen onderscheidde, die zoo heet en zoo rood waren — een God tusschen een Iroep Faunen. Hij sprak zeer weinig, hij scheen niet levendig en niet geestig' te zijn, en toch benijdde zij plotseling zijn dame. Ach, als zij haar plaats had gehad, zij zou beproefd hebben hem te doen glimlachen of misschien als verscholen in al het gedruisch om zich heen den moed vinden hem te zeggen ja wat?

Iets vriendelijks, iets om het misverstand weg te nemen en zich te verontschuldigen. Ja, als zij maar een vreemde was en van voren af aan beginnen kon, op een andere en betere manier!

Men stond van tafel op, de heeren trokken zich terug om te rooken, billard, hoinbre of misschien wel een hazardspel te spelen.

De dames bleven alleen.

Toen kwam Bauner's dame, een mooie, gezette blondine op Judith toe en zeide rnet een levendigheid en vertrouwelijkheid, die haar gedeeltelijk aangeboren was en gedeeltelijk verhoogd door den wijn en de algemeene vroolijkheid: »Het was uw man die aan tafel naast mij zat, nietwaar? Ik kon nauwelijks mijn ooren gelooven toen hij zeide, dat u zijn vrouw waart en dat u al zeven jaar getrouwd waart; u ziet er zoo jong uit."

Judith glimlachte flauw, voor het eerst voelde zij zich door zulk een gezegde gevleid: »Ik was pas negentien jaar toen ik trouwde," en zij zocht naar haar woorden, «en mijn man is vijftien jaar ouder dan ik."

«Zooveel? Ik ben zeker zoowat even oud als u, maar ben eerst voor een paar maanden getrouwd; mijn man en ik zijn even oud. Hebt u hem niet aan tafel gezien, dien mooien, blonden man die een paar plaatsen van mij afzat?"

Judith wilde niet bekennen, dat zij eigenlijk maar op één man gelet had.

»U moet er niet om geven, dat hij er in het begin wat knorrig uitzag, hij is altijd uit zijn humeur als wij uit moeten, omdat hij dan niets aan mij heeft, zegt hij: hij is nog zoo verliefd."

Bijlage van »Woord en Beeld" 1899. Afl. 6.

Het jonge vrouwtje bloosde toen zij dit halfcoquet, half naief bekende en zij zocht sympathie in Judith's gezicht, maar vond niets dan een treurige uitdrukking. Toen sloeg zij haar arm om Judith heen, zoo als dames doen als zij lust hebben vertrouwelijk te zijn, en ging voort: »U moet dikwijls bij ons komen, wij hebben het zoo gezellig en zijn zoo gelukkig, wij hebben zoo graag gasten, maar wij willen liefst thuis blijven, want we zijn immers nog in de wittebroodsdagen?"

Deze vriendelijkheid, deze vertrouwelijkheid deed Judith wonderlijk aan. Vroeger zou zij die spottend afgewezen hebben omdat die haar hinderde, maar op dit oogenblik, nu de jonge vrouw haar zoo natuurlijk, zoo hartelijk tegemoet kwam, voelde zij plotseling lust zich aan haar toe te vertrouwen en haar van zichzelf en van haar vroeger droevig leven te vertellen; haar te zeggen dat zij niet langer hopeloos en bitter was als vroeger, dat zij niet meer geloofde, dat egoïsme de eenige drijfveer in het leven was, — kortom te spreken over heel die wonderlijke verandering, die zij in zich voelde gebeuren. Zij meende dat die weerklank moest kunnen vinden bij deze jonge levenslustige vrouw, maar toen zij beproefde te spreken, werd zij verlegen en zei niet anders dan: «Dan moet u ook eens bij ons komen, tenminste als uw wittebroodsweken voorbij zijn."

«Ach ja, dat wil ik graag, u hebt zulk een beelderig huis, zegt men, en u maakt het er zoo gezellig. Vindt u het ook niet heerlijk zoo van allerlei in huis te doen, de bloemen water te geven of aandoenlijke melodiën- te spelen voor zoo'n besten man, die je op alle manieren verwent. Eigenlijk maakt alles wat je doet je even gelukkig."

Judith beproefde opnieuw te spreken, te vertellen dat zij iets van dat alles had leeren kennen, maar eerst kort geleden; maar eer zij spreken kon, legde het jonge vrouwtje haar warme, zachte wang tegen de hare, en fluisterde: «Wij zullen goede vrienden worden, nietwaar?"

Was het werkelijk de koele, teruggetrokken Judith die fluisterend antwoordde: »Ja."

«Zie nu eens naar al die vervelende oude dames. Is het toch niet verschrikkelijk, een heelen avond, hij haar te moeten zijn en zich naar alle regelen van dé kunst te vervelen? Weet u waar ik mij altijd mee troost op zulk een partij?"

«Neen."

«Met de gedachte, dat ik alleen met Theodoor naar huis mag rijden. Vindt u het ook niet heerlijk met uw man naar huis te rijden?"

Hier werd het gesprek afgebroken doordat er koffie gepresenteerd werd en zij hadden geen gelegenheid het voort te zetten. Judith verlangde er naar alleen

Sluiten