Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 53 —

trots om zich Ie verzetten en te lijden. Wat een dwaas, wat een arm naar geluk smachtend mensch was zij niet geweest. Maar nu was de strijd voorhij, ook zij was langzamerhand op het zonnige, warme plekje gekomen, waar alle smart en strijd eindigde en zij kalm uit mocht rusten in het licht van het geluk. En op nieuw sliep zij in, om niet weer opgeschrikt te worden uit haar rust.

Den volgenden morgen kleedde zij zich zorgvuldig en hekeek zich in den spiegel. Begon zij nog niet oud en leelijk te worden? Neen, haar oogen waren nog helder en de smart had geen groeven op haar gezicht nagelaten, zij was nooit zoo blij met haar schoonheid geweest als nu. Zij liep de trappen af naar de eetkamer, zij neuriede zacht, terwijl zij koffie zette en brood roosterde. Een oogenblik werd zij bang, dat hij misschien op zijn kamer zou willen ontbijten en zij verlangde toch zoo hem te zien, hem te hooren spreken, al waren het ook maar een paar onverschillige woorden. Daar was hij. Zij durfde hem niet aanzien uit vrees haar ontroering te verraden. »Caat het goed?" vroeg hij, terwijl hij de kop aannam uit haar hand, die alleen reeds begon te beven, omdat hij bij haar was.

»Goed, dank je."

Hij dronk zwijgend zijn koffie en zij zocht naar een paar onverschillige woorden, zonder ze te kunnen vinden.

Zij reikte hem den broodbak; zijn hand raakte de hare aan en zij kleurde. Hoe dwaas! Vroeger hadden zijn liefkoozingen haar gekweld en nu — ach, hoe was het toch mogelijk geweest.

»Mag ik even zien wat de post gebracht heeft?" Hij keek haastig in de courant, toen kwam de beurt aan de brieven, die hij opende en vluchtig doorlas. Slechts één las hij met zichtbare belangstelling en glimlachte zelfs een paar maal onder het lezen.

Zij zag hein verwonderd aan.

»Dat is een brief van den componist Hellman, dien ik. vroeger in Rome en Parijs ontmoette. Ik heb je zeker wel van hem verteld. Later heb ik hem een paar maal verzocht eens bij mij te komen in den zomer, het laatst een paar jaar geleden, toen ik hem in Kopenhagen ontmoette. Hij beloofde het ook, maar kwam nooit. Nu schrijft hij dat hij mijn uitnoodiging wil aannemen en ons bezoeken, en — ja, hij is een wonderlijke snaak — hij schrijft daar, lees het zelf

maar."

Hij reikte haar den brief toe over de tafel. Zulk een wonderlijk schrift had zij nog nooit gezien: krab¬

bels en vlekken naast elkaar, met een ongelooflijke massa zand bestrooid, zoodat zij er uitzagen als kleine dieren vol stekels en wratten. Zij schoof den brief van zich af.

»Dat kan ik niet lezen."

»0 ja, dat is waar, Hellman gebruikt een veeren pen en zand, ik. herinner mij zijn billets doux wel. Hij schrijft ongeveer dit:

»Omdat je mij altijd verzocht hebt, je in den zomer eens op je landgoed te bezoeken kreeg ik den indruk, dat daar in den winter iets heel prettigs moet zijn wat je mij niet gunt. Daarom ben ik nu van plan, je buiten in de Kerstweek te inspecteeren. Ik hen erg mager geworden van onze ellendige stadskost en heb groot behoefte aan jelui gemeste kalven. Omdat ik het kapitaal van mijn visites zoolang heb opgespaard, krijg je nu behalve de hoofdsom, — dat ben ik, — ook de rente in den vorm van mijn jongen neef, dien ik meebreng. Hij zegt, dat hij een en ander van je oudheden wil uitteekenen in zijn qualiteit van architect en oudheidkenner; maar dat is maar een praatje. Hij wil de harten veroveren van de Juflandsche vrouwen en daarom verzoek ik je dringend alle mooie meisjes van je landgoed weg te sturen. Ik sluit hier mijn en zijn eerbiedige groeten,aan je jonge vrouw in, met wie het mij een groot genoegen zal zijn kennis te mogen maken. Als je ons niet hebben wilt, schrijf ons dan per ommegaande af, want wij gaan morgen op reis. Je toegenegene. . . . enz...."

»Hij bedoelt denk ik, dat zij morgen komen."

»Zijn de logeerkamers in orde?"

»Ja."

Het speet haar zoo, dat er juist nu gasten kwamen, zij was zoo graag met hem alleen gebleven, maar hij scheen zich zeer op dit bezoek te verheugen.

»Hellman zal leven en vroolijkheid meebrengen, dat is ook goed voor jou. Je hebt wel wat afleiding noodig."

»Och, waarom, ik ben heel tevreden zoo."

Hij keek haar haastig en eenigzins verbaasd aan. Zij wendde zich af.

»Dat is waar, het is van avond Kerstavond, je hebt er zeker niet tegen van avond met mij naar de kerk te gaan als gewoonlijk?"

Zij antwoordde haastig: »Neen," en verliet de kamer.

Het was het gebruik dat de grondeigenaar op Kerstavond in de kerk kwam; vroeger kwam de familie daar iederen Zondag; maar sinds Banner uit het buitenland teruggekomen was, kwam hij maar eens in

Sluiten