Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 58 —

dat moeten wij, gelukkigen, respecteeren. Die man heeft zooveel geleden, dat ik hem alleen daarom al zou liefhebben."

»Nu ja," antwoordde Ström, op wien Hellman's woorden toch eenigen indruk gemaakt hadden. »U is ook zijn vriend. En u stelt natuurlijk andere eischen dan een jonge vrouw!"

»Zij kan hem ook liefhebben, dat moet zij wel en zij zal gelukkig met hem kunnen zijn."

sMaar dat is zij niet. Hebt u niet gemerkt, dat uw scherts over haar huwelijksgeluk haar hinderde?"

Hellman was weer kalm geworden, hij was weer gaan zitten en antwoordde nu op zijn gewonen vroolijken toon: »Praatjes. Gekheid doet alle menschen goed, Banner ook. Ik weet zeker dat het hem opvroolijkt. Daarentegen kon jouw jeugdig gedweep licht kwaad doen, en ik verzoek je dus voorzichtig te zijn. Men moet niet met romanesk medelijden ingrijpen in een verhouding die men niet kent en begrijpt. Bat lijkt zoo onschuldig en kan toch veel onherstelbaar bederven. Een huwelijk is een zeer ingewikkelde compositie, waar men niet aan veranderen moet. Het zou zijn alsof een knoeier een meesterwerk wou corrigeeren en zeggen : shier is een disharmonie, dat moeten wij veranderen. Zoo verknoeit hij alles, omdat hij niet begrijpt, dat de dissonanten in het stuk hooren."

Nu was Hellman op zijn lievelingsthema gekomen, en hij ging voort, het hoofd achterover geleund en met half gesloten oogen :

sBanner hoort tot die composities, waar je aan wennen moet; hij is als een van de laatste sonaten van Beethoven, moeielijk te begrijpen, schijnbaar onharmonisch en afstootend, maar als men ze eerst door en door heeft leeren kennen, onbeschrijfelijk aantrekkelijk in al hun weemoed, hun smart, hun innerlijken tweestrijd. Men kan ze niet loslaten, men wil er steeds dieper in doordringen; wat men begrijpt doet

pijn, maar toch heeft men het lief Ja, nu luister

je heelemaal niet, maar dat doet er ook niet toe. Als je dit maar onthoudt dat als je hier den boel in de war stuurt, het tusschen ons tweeën uit is. Je verdient, dat je een vorstin krijgt, dat wil ik niet ontkennen. Je bent jong, levenslustig en geschapen om gelukkig te zijn, maar ga nu niet je zelf en anderen onnoodig zorg en verdriet op den hals halen. Maar nu ben ik moe van het praten en verlang naar mijn bed. Wees dus zoo goed en verdwijn, goeden nacht."

August Ström zag glimlachend op en zei: »Zeg nu eens oompje, op welke muziek lijkt zij?" »Och," zei Hellman lachend, terwijl hij zachtjes zijn neef de deur uitschoof, slaat ons maar zeggen een fuga van Bach. Is dat mooi genoeg?"

Nadat de eerste terughoudendheid en verlegenheid van Banner en de eerste gedwongen vroolijkheid van den componist voorbij waren, trokken deze twee verschillende naturen elkaar evenzeer aan als jaren geleden in het buitenland. De man uit het volk, die zich door zijn genie had opgewerkt, tot hij do gelijke van vorsten geworden was, maar toch de natuurlijkheid en het zelfvertrouwen bewaard had, dat meestal hen kenmerkt, die zich zelf gevormd hebben, werd onwillekeurig aangetrokken door den patriciër, wien rijkdom, en positie en beschaving' waren aangeboren, terwijl Banner aan den anderen kant werd aangetrokken door de bekwaamheid, de vroolijkheid en de beminnelijke oprechtheid van den kunstenaar. Toen dus de vervreemding, die een scheiding van acht jaren natuurlijk tusschen hen had doen ontstaan, vrij spoedig was verdwenen, scheen hun oude kameraadschap te herleven. Banner was opvallend veranderd, zijn levensgeesten schenen weer op te vlammen en hij werd weer zoo als hij in zijn jeugd was, zooals Judith hem nooit gekend had. Hij disputeerde met Hellman, dat het door de kamers klonk, zij frischten de herinneringen van hun jeugd op en lachten, dat de knechts verbaasd buiten de deur bleven staan luisteren.

Hellman bracht alles in de war, hij plaagde de groote honden op de plaats, sprak tegen de knecht aan tafel, kneep de dienstmeisjes in de wang als hij ze in de gang tegen kwam. Ja, hij gaf zelfs Banner zulke onbehoorlijke namen als: Ouwe jongen, Jesuiet, Sonbist, Mormoon, enz. Hij plaagde zijn neef op alle mogelijke manieren en stak den gek met Judith. Hij hoorde tot die menschen die alles kunnen zeggen en doen zonder iemand te kwetsen. En Ahnbjerghoevo was als het betooverde slot van Sneeuwwitje, dat uit den honderdjarigen slaap werd opgewekt. De ontwaakte prinses was Judith, want was de verandering groot in alles om haar heen, in haar zelf was d ie toch het grootst. Eindelijk had zij lief, eindelijk was het voorjaar, het leven en het geluk gekomen. En de vroolijkheid en do muziek om baar heen waren slechts de weerklank van haar eigen gevoelens, de uitdrukking voor wat haar zoo geheel vervulde. Zij kon glimlachend neerzitten en zich laten wiegen in blijde droomen op de tonen der muziek, en als de jonge architect tot haar sprak van zijn kunst, en zijn reizen, van al de heerlijkheid en het geluk in de wereld, was het als een nieuw accompagnement bij alles, wat zij droomde van het wonderlijke, dat komen zou.

August. Ström was niet bij machte geweest den raad van zijn oom te volgen. Hij liet zich van uur tot uur meer door zijn bewondering meesleepen: zijn jonge ziel gaf zich geheel aan die betoovering over. Hij had haar leeren kennen, juist op het oogenblik van haar gedaanteverwisseling, toen het pop-omhulsel

Sluiten