Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 68 —

Jat zij hem toch liefhebben zou, hem haar liefde geven en waarom? Omdat het zaliger was te geven dan te ontvangen. Neen, dat wilde zij niet begrijpen.

»Ik zou naar hem toegaan, hem mijn liefde bekennen, zonder wederliefde te vragen; hem een liefde bekennen, ja aanbieden, die hij niet beantwoordt; mij verootmoedigen, alleen omdat bij aan liefde behoefte heeft? Neen dat. kan ik niet."

Maar weer steeg het beeld van het gedroomde, begeerde liefdesgeluk op in haar ziel en bracht haar in verzoeking.

»En als nu de anderen zich vergisten, als nu mijn groote liefde toch de zijne eens wekken kon! Is het dan zoo verschrikkelijk zich te verootmoedigen voor

hem dien men liefheeft? Als hij bij mij kwam

en het mij vroeg — ja, dan zou ik mij aan zijn voeten werpen. Maar zelf naar hem toe te gaan om misschien met zijn koelen, trofschen glimlach ontvangen te worden! Ik heb hein zelfs nooit laten vermoeden dat ik hein lief had. Hij zou misschien spotten met het dierbaarste geheim van mijn ziel, als ik het hem ontdekte. Laat dan liever alles blijven als vroeger. Ik zal wel berusten, tevreden zijn met hem te zien en te hooren. Laat hem dan maar gelooven dal hij niet bemind wordt, laat hem verdorsten naast de bron, laat het vergif hem in het gezicht droppelen, zonder dat iemand de hand uitstrekt om hem te helpen. . . . Ach neen, dat kan ik ook niet. O, wat kan, wat moet ik toch doen?"

Zij stond aan het venster, het voorhoofd tegen het kozijn gedrukt, het hoofd met de handen stijf vasthoudend, alsof zij bang was dat het springen zou en haar denkvermogen breken.

Van beneden klonken hoefslagen en Banner reed langzaam het hek in. De teugels hingen los om den hals van het paard, dat den kop liet hangen. Ook Banner zat gebogen, bijna in elkaar gezonken. Het gebiedende in zijn houding was op dit oogenblik geheel verdwenen, er was iets onuitsprekelijk gedrukts en vermoeids over hein.

Toen barstte zij plotseling uit: Ja, ik kan het wel. Ik kan ook mijn trots offeren voor dien vermoeiden, bedroefden, ongelukkigen man. Ik zal mij verootmoedigen en naar hem toegaan, al zou hij ook nooit, naar mij komen. Want ik heb hem lief. Ach zoo onuitsprekelijk, zoo onbegrijpelijk.

Er heerschte een gedrukte stemming aan tafel. Judith was te veel door één gedachte ingenomen om de anderen te kunnen bezighouden. Banner merkte het en zocht naar de oorzaak. Was nu die terughou¬

ding en dat zwijgen een gevolg van haar gekwetsten trots of van vrees voor ontdekking? Hel. kwam hem voor, dat er soms iets schuws en angstigs in haar blik was. Was zij hang? Hij werd gekweld door een pijnlijk knagend, verlangen om dit raadsel opgelost te zien. Ook August Ström was onrustig. Wat betcekende haar zwijgen? Was zij boos op hem? Vreesde zij haar gevoel te verraden, of was er iets voorgevallen tusschen haar en haar man? Banner's wonderlijk sarkastische manier van hem te behandelen, scheen hein aan te duiden dat de laatste gissing waarschijnlijk juist was.

Hellman alleen had oogen schijn lijk zijn joviale genoegelijkheid bewaard; maar een scherp opmerker zou gezien hebben, dat hij soms het eten en hef spreken vergat, om nu eens Banner, dan diens jonge vrouw aan te zien.

»Heb je nog haarpijn van gisteravond, Banner? Je ziet er uit, als of je een proces voor den Hoogen Raad verloren hadt."

Banner antwoordde niet. Dezelfde gedachte draaide om. en om in zijn hoofd. Had hij haar overrompeld? Was nu het oogenblik gekomen, waar hij eenmaal naar verlangde, dat hij haar kon vernederen? Die gedachte streelde zijn heerschzucht. Maar aan den anderen kant, als hij haar nu met zijn scherpzinnigheid had mat gezet en haar gedwongen haar liefde voor een ander te bekennen, wat was daar dan mee gewonnen? Neen, hij wilde haar verootmoedigen, zonder haar te verliezen, haar overwonnen zien, maar niet schuldig. Als zij hem maar op een of andere manier kon overtuigen dat hij zich vergist bad. Was hij dan jaloersch? Neen, maar hij wilde haar toch niet missen, Zij was het laatste, dat de leegte in zijn leven een beetje aanvulde, al was het ook soms op een pijnlijke manier.

Hij wilde nog eens zijn kracht met haar meten, in de hoop niet meer te kort te schieten.

Toen zij van tafel opstonden en zij hem de hand reikte met het gewone : »Wel moge het u bekomen" voelde hij, dat haar hand beefde en zag hij dat haar oogen met een vreemde, angstige uitdrukking op hem gevestigd, waren. Toen trok hij haar zacht naar zich toe en fluisterde, terwijl hij haar hand bleef vasthouden: »Ik wil nog eens met je spreken, van avond. Denk over wat je mij zeggen wilt."

Men zat weer in de huiskamer, maar het gesprek wilde niet vlotten. Toen de tijd voor Judith's bekentenis was vastgesteld, voelde zij zich beklemd ; — niet omdat zij berouw had van haar besluit. Het was de zenuwachtige angst, dien men voelt als een beslissende, ernstige stap gedaan moet worden en niet langer kan worden uitgesteld. Zijn woorden : sdenk over wat je mij zeggen wilt," klonken haar in

Sluiten