Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 69 —

de ooren en zij beproefde bet, maar zij kon niet denken. Hellman deed het onmogelijke om het gezelschap te amuseeren. Zijn middelen waren juist niet altijd de fijnste, hij kreeg onder anderen den inval, zijn neef als een klein kind te behandelen. Banner lachte er om en scheen een boosaardig genoegen te vinden in den spot, dien de jonge man moest verdragen.

»Niet te veel wijn drinken, Guusje! Je weet, daar kunnen kleine jongens niet tegen. Je moeder heeft mij gevraagd, vóór wij op reis gingen, of ik goed op je passen wilde. Niet zoo lui zitten, dat staat niet voor kinderen", enz.

Ström was dom genoeg om boos te worden in plaats van moè te lachen.

»Niet brommen, Guusje, waar vreemde menschen bij zijn. Wacht daarmee, tot je boven op je kamer bent." En weer lachte Hellman. Ook Banner ging op dien scherts in en zei: »Ik mag je neef wel niet te veel inschenken, wijn en liefde stijgt de jeugd licht naar het hoofd." En hij lachte op zijn scherpe, honende manier. Eindelijk berustte Ström in het onveranderlijke en Iroostte er zich mee, dat Judith geen genoegen scheen te vinden in de wijze, waarop hij behandeld werd.

Klokslag tien stond Hellman op en zei: »Nu moet Guusje naar bed. Zeg nu netjes goeden nacht en bedank voor het pleizier."

»Wilt u niet nog wat bij ons blijven?" zei Judith verbleekend, nu zij het beslissend oogenblik voelde naderen.

sOindat mevrouw het vraagt, mag je nog een kwartiertje opblijven; ben je nu niet, blij,jongenlief?"

Zij keek in stilte naar de klok en volgde de trage wijzers. Nog dertien minuten, — nog tien — vijf — drie —.

»Nu August, nu helpt er geen lieve moeder meer aan. Nu gaan we." En de componist, die niet tegen laat opblijven kon, nam zijn neef bij den arm, om hem mee te trekken. Maar Ström wilde snetjes goeden nacht zeggen;" hij wendde zich tot Judith en reikte haar de hand. Een oogenblik legde zij haar koude, bevende hand in de zijne en hij zag een vreemde uitdrukking in haar bleek, ontroerd gezicht. En zijn hoop vlamde sterker op dan ooit, en toen hij de kamer met zijn oom verliet, zei hij hij zichzelf: »Zij heeft mij lief. Ik weet het zeker. Maar zij is bang en lijdt er zelf onder."

En zijn jeugdig hart zwol bij de gedachte, dat zij, die in zeven jaar niet had leeren liefhebben, door hem in minder dan zeven dagen was veroverd.

Toen Hellman en zijn neef weg waren, zag Judith haar man vol verwachting aan. Hij meende, dat ze bang was en hij genoot daar in stilte van. Nu had hij dan ten minste haar zelfvertrouwen geschokt. Het oogenblik was gunstig, nu zou ze tot oprechtheid gedwongen worden. Góed- of kwaadschiks, nu moest ze bekennen.

Bij bleef voor haar staan en keek haar aan. Zij ontmoette zijn blik met een onbeschrijflijke uitdrukking van zachtheid en toegevendheid. Een vriendelijk woord, ach, maar één! En ze zou zich onderwerpen; maar haar schijnbare zwakheid bracht hem in verzoeking' hardheid te gebruiken en hij vroeg scherp: »Heb je dien jongen lief?"

Zij antwoordde niet.

sik wil het weten. Ter wille van mijn naam en mijn eer wil ik het w^eten."

»Ik heb nooit een smet op je naam of je eer geworpen en ik zal het nooit doen."

Hij wist, dat het waar was.

sik heb het recht, je dat te vragen als je man en je meester."

s.le bent geen meester over mijn gedachten" antwoordde zij zacht. Als hij op deze manier doorging, hoe zou ze dan ooit kunnen bekennen wat ze hem zeggen wilde.

sMaar ik wil het weten!" riep hij op nieuw bijna buiten zich zelf.

»Voel je dan wezenlijk belangstelling in mij of in mijn gevoel?"

Toen trachtte hij zich zelf te beheerschen, hij voelde, dat hij te ver gegaan was.

«Luister nu eens," zei hij vriendelijk en ging naast haar in de sofa zitten, sik vraag dit juist, omdat ik belang in je stel. Je vergist, je, als je meent, dat je me onverschillig bent. Van den beginne af heeft je koelheid me geboeid; je trots, het waardige zelfbewuste, waarmeé je weigerde voor me te kruipen, zooals alle anderen deden, trokken me aan. Je interesseerde me, omdat ik wist, dat je ongelukkig waart, omdat ik vermoedde, dat zich achter je koelheid en strijfheid jeugdige warmte en geestdrift verborgen voor al wat ik wel bespotte, maar toch in 't diepst van mijn hart bewonderde en begeerde. Toen ik je nader leerde kennen, trachtte ik dat bij je op te wekken, maar je ontweek me voortdurend. Bat prikkelde me en dreef mij te doen wat ik kon om mijn doel te bereiken. Ik wilde den bodem, de kern van je ziel vinden, zoodat ik die kon openen en sluiten naar willekeur. Bat gelukte me. niet en dat was maar goed. Want had ik toen mijn doel bereikt, dan zou ik zeker spoedig versmaad hebben, wat ik eerst zoo vurig begeerde. — Je ziet, ik ben openhartig en ik zal het blijven. Toen Erik geboren was, dacht ik

Bijlage van »Wroord en Beeld" 1899. Afi. S.

Sluiten