Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 76 —

vrijzinnige menschen, behoefte hebbend zich te uiten en aan een leven met grooter geestelijken inhoud; zéér modern van aanleg, hoewel nog wat conventioneel in haar wijze van voorstellen; wel eergierig, maar met een eerzucht, die te worstelen heeft met die zwaarmoedigheid, die dagelijks vraagt: »Is de eer de moeite van 't winnen waard? Is het leven de moeite van 't leven waard?"

Zooals de heldin in haar boek, die den geliefde doorziet, hem haat en lief heeft te gelijk, zoo haatte zij het leven en had het toch lief; nu eens kon ze het niet verdragen, dan weer hoopte zij er het allerhoogste van te bereiken, een andermaal was zij bereid met een meer bescheiden geluk tevreden te zijn, wat zij bij haar heengaan aanduidde met deze woorden: »Wat is U gelukkig! IJ hebt de twee dingen bereikt, die ik altijd gewenscht hebt, te wonen in een huis met een mooi uitzicht en om te gaan met ontwikkelde menschen."

Dit gesprek is het eenige wat ik met haar gehad heb. Zij bracht mij kort daarna een ander verhaal (Judith Fürste) maar ik had het toen zoo druk, dat ik het langer dan een maand ongelezen moest laten liggen en het eerst heb opgenomen, toen ik haar dood vernomen had.

Dij een vluchtige ontmoeting op de Universiteit verzocht ik haar nog wat geduld te hebben met het manuscript, niet te denken dat ik onverschillig was en den moed niet te verliezen. Toen had ze dien waarschijnlijk al verloren. Zij had geen vermogen, en was uit Jutland naar Kopenhagen gekomen om zich voor het onderwijzeres-examen voor te bereiden, maar had, daar zij zich zeer ongelukkig voelde bij de gedachte aan den dwang, dien deze cursus haar zou opleggen, mijn raad gevolgd, zich liever voor student te laten opleiden en met dat doel voor oogen was zij begonnen te werken onder leiding van een leeraar, bij wien zij in weinig weken ongewone vorderingen maakte.

Toen meldden de couranten haar dood. Die heeft zeker allen, die haar kenden, diep getroffen. Zelfs al beschouwt men den dood niet onbepaald als een kwaad, voelt men toch iets in zich bloeden en branden bij de gedachte aan dit arme, geniale kind, dat uit al haar vruchtbare droomen en groote toekomstplannen heenging in de groote duisternis. De verwachting lag voor de hand, dat zij, als zij was blijven leven, een van die menschen zou geworden zijn, waarvan er altijd te weinig zijn in een land; een van hen, die dingen van waarde voortbrengen en gewicht in de schaal leggen aan den kant van het goede en nuttige.

Ik zag haar twee uren voor haar dood, den 27aten November. Toen ik op de katheder van de universiteit stapte, zag ik haar op een van de eerste banken in de zaal, vlak voor mij. Zij zag er opgeruimd, levendig uit; haar oogen hadden een ongewonen glans, zij glimlachte en lachte een paar maal onder de voordracht. Ik dacht er niet aan, dat zij op dat oogenblik medelijden verdiende.

Na haar dood las ik haar nagelaten geschriften. Een er van, de oudste, met vele monogrammen in de marge, in een bepaalden gestiliseerden vorm, verhaalde op zijn eigen wijze, in teekenschrift een gewichtig hoofdstuk uit het leven van de schrijfster. Dit verhaal, dat mij voorkomt onder haar werken op de scherpste waarneming te berusten en waarin de handeling het best is volgehouden, is geschreven toen de schrijfster 19 jaar oud was en lijkt mij met het oog daarop merkwaardig. Het karakter van den man is blijkbaar naar hetzelfde model gevormd als in eerstgenoemden roman. Maar de vrouwenfiguur is geteekend met een artistieke zelfbeheersching, die meestal eerst op later leeftijd verkregen wordt. Het verhaal is de geschiedenis van een leven dat opgaat in één enkele verhouding. Het stelt een enkel gevoel voor, dat eerst laat tot bewustheid komt.

De lezer, die over enkele ouderwetschheden heen kan zien, en die het begrijpen kan, dat de schrijfster met de schuwheid van een zeer jong meisje het fysiologische zeer abstrakt behandelt, zal met genoegen een stuk leven uit Noord Jutland uit onze dagen met kennis en eerlijkheid geteekend zien. Hij zal het juiste en diepzinnige in de eenvoudige compositie waardeeren, en, in deze biecht langs een omweg, een studie kunnen maken van het zieleleven van vrouwen in de provincie.

Dat dit verhaal nu wordt uitgegeven, nu de schrijfster zich er niet meer over verheugen kan het gedrukt te zien, moet worden opgevat als een daad van piëteit tegenover de doode. Het is als het leggen van een krans op een graf. Ik vond het zoo jammer, dat dit jonge kind, dat zulk een sterke begeerte had, een plaats voor haar naam te winnen, verdwijnen zou, zonder eenig spoor van haar leven na te laten.

Toen zij in ons gesprek mij haar naam en adres noemde vroeg ik haar naar haar voornaam; of het een werkelijke naam was of een verkorting.

Zij antwoordde: dat is de naam, die ik eens hoop bekend te maken.

Laat dien dan zoo bekend worden, als hij niettegenstaande haar vroegen dood worden kan.

Georg Brandes.

Sluiten